Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Fenny Heemskerk 1919-2007

Home

Esther Hageman

Fenny Heemskerk was decennia lang Nederlands vrouwelijke kampioen schaken. Maar voor brood op de plank stond ze op de markt.

Op maandagen stond ze in Haarlem. Op woensdag in Hilversum. De vrijdagen was ze in Amersfoort en op zaterdag op de markt in Utrecht. Ze deed aanvankelijk in knopen en fournituren. In latere jaren kon je bij de grootste vrouwelijke schaker die Nederland ooit heeft gekend vitrage en gordijnen kopen.

Fenny Heemskerk stond niet op de markt omdat ze dat nou zo leuk vond, maar omdat er brood op de plank moest komen. Met schaken viel immers geen droog brood te verdienen. Ze had een dochter, ze was gescheiden en ze had weinig opleiding – meer dan een diploma huishoudschool had ze in haar jonge jaren niet gehaald. Veel anders dan een marktkraam beginnen was niet mogelijk. Ook al werd er in de jaren veertig en vijftig sterk op neergekeken, ze deed het. Haar hand ophouden, dat was haar stijl niet.

Fenny Heemskerk groeide op als het enige kind van Amsterdamse ouders die op Kattenburg een bloemenwinkel dreven. Haar vader was een verwoed biljarter en schaker; haar moeder schaakte ook en deed bijvoorbeeld mee aan de Amsterdamse kampioenschappen. Toen Fenny een keer griep had, leerde haar vader haar de spelregels. De eerste tijd deed het spel haar weinig, maar tijdens het wereldkampioenschap in 1935, tussen de Nederlander Max Euwe en de Rus Alexander Aljechin, werd ze er, als zovelen, opeens door gegrepen. Twee jaar later was ze Nederlands kampioen bij de vrouwen. Een jaar later verloor ze die titel even – aan Catherine Roodzant – maar in 1939 nam ze langdurig revanche. Fenny Heemskerk bleef onafgebroken de vrouwelijke Nederlandse kampioen tot 1960, toen ze de titel verloor aan Corry Vreeken.

Vrouwen die schaken zijn nog altijd een klein groepje. Wie weet anno nu, behalve de Hongaarse Judith Polgar (en haar zusters Sofia en Zsuzsa), nog een paar schakende vrouwennamen te noemen? Maar in de jaren veertig en vijftig waren vrouwelijke schakers nog schaarser. Als er in die tijd in Nederland veertig vrouwen wedstrijdschaak speelden, van wie tien goed, dan was het al veel. De publieke opinie over vrouwenschaak was simpel: mannen hadden nou eenmaal de hersens om te schaken, vrouwen nou eenmaal niet. Maar Fenny Heemskerk had het voordeel dat ze niet met die terneerdrukkende boodschap was opgegroeid. Bij haar thuis, met een moeder die ook schaakte, was het normaal.

In de Sovjet-Unie was vrouwenschaak een stuk normaler dan in Nederland. Fenny Heemskerks tegenstanders bij het eerste wereldkampioenschap waaraan ze deelnam, dat van 1949, waren dan ook vooral Russinnen. Ze haalde, met 8 uit 15 wedstrijden, de achtste plaats. Max Euwe schreef in het wedstrijdboek dat Heemskerk hoger had kunnen eindigen – er hadden een paar punten meer in gezeten, want ze had wel gewonnen van de nummers twee en drie. En dat terwijl de Russische speelsters, vergeleken met haar, werden gepamperd. Die hadden secondanten en die hadden trainers. Zulke faciliteiten kreeg Fenny Heemskerk pas later, toen ze wekelijks getraind werd door Theo van Scheltinga.

Bij het kandidatentoernooi voor de wereldkampioenschappen van 1952 haalde ze 10,5 punt en werd ex aequo tweede. Maar vooral suggereerden Heemskerks prestaties opnieuw dat ’er meer in gezeten had’, omdat ze nu had gewonnen van de andere nummer twee en van de uiteindelijke wereldkampioen, Elizaveta Bykova. Dat ze niet hoger eindigde kwam doordat ze verloor van de nummers vijf, zes en tien. Het gaf Fenny Heemskerk een aura dat ze ’toch eigenlijk de sterkste was’. Later zei ze zelf dat ze er misschien wat minder tijd in had moeten steken om Russisch te leren, en wat meer in de bestudering van schaakopeningen.

De tijd dat ze getrouwd was lag inmiddels alweer jaren achter haar. Ze was tijdens de oorlog vier jaar getrouwd geweest, met collega-schaker Wim Koomen, een hoofdklassespeler die ook tot de toptien van Nederland behoorde. Ze kregen in 1940 een dochter, maar vier jaar later liep het huwelijk spaak en verliet ze haar echtgenoot. Twee schakers bij elkaar, dat léék misschien gezellig maar dat was het niet, zegt haar dochter. „Een echte schaker wil winnen. Als je dat allebei wilt, dan gaat het niet goed.” Jawel, na Wim Koomen volgden er nog wel een paar andere relaties. Maar aan een huwelijk is Fenny Heemskerk niet meer begonnen.

In de tweede helft van de jaren vijftig, de dochter was inmiddels 17, werd merkbaar dat er met Fenny Heemskerk ’iets was’. Haar stemmingen wisselden sterk. Ze kon heel vriendelijk zijn, maar soms ook was ze vijandig en onmogelijk. Het leidde een paar maal tot een opname in een psychiatrische inrichting. Ze is manisch-depressief, zeiden psychiaters. Zolang ze haar medicijnen maar innam – ze kreeg lithium en haldol voorgeschreven – ging het heel best, maar als ze dat weigerde ging het fout. Dan maakte ze onnodige, heftige ruzies met iedereen.

In 1950 had de internationale schaakbond FIDE haar tot internationaal meester benoemd; in 1977 kreeg ze met terugwerkende kracht de titel Internationaal Dames Grootmeester. Haar beste schaakjaren lagen toen achter haar, maar ze schaakte tot haar tachtigste onvermoeibaar door, ook toen ze het niet langer goed kon. In haar woonplaats Amersfoort was ze lid van beide schaakclubs: zowel van het Schaakgenootschap Amersfoort als van Ons Genoegen. Op zeker moment werd ze er van het bord geveegd door een jeugdspelertje dat nog nooit van Fenny Heemskerk had gehoord.

Deel dit artikel