Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Felix Rottenberg

Home

MARCEL TEN HOOVEN; TEUN LAGAS

Waaruit putten de ondernemer, de politicus, de sporter, de schrijfster hun kracht? In deze bijlage vertellen, enkele dagen voor Kerst, vier mannen en twee vrouwen met zeer verschillende achtergronden wat hun drijfveer is om dóór te gaan met wat hun leven beheerst, soms zelfs na grote tegenslagen. Geloof, hoop en zelfs ongeloof zijn hun sleutelwoorden. Wilskracht is wat hen bindt.

Zo onbekommerd is hij niet meer geweest sedert zijn besluit, in 1992, het 'avontuur' met de PvdA aan te gaan: “Ik betrad een machtsorganisatie in nood, hunkerend naar verlossing, stil hopend op eerherstel.”

Rottenberg schrijft dat zijn manier van denken, luisteren en kijken is beïnvloed door zijn belevenissen in het theater en de ideeën van Ritsaert ten Cate, de initiatiefnemer van het Mickery-theater aan de Rozengracht, waar hij als vijftienjarige zijn eerste theater-ervaringen opdeed. Van Ten Cate leerde hij dat elke goede voorstelling de vrucht is van tijd, rust en nieuwsgierigheid. Als partijvoorzitter ontdekte hij dat ook het geheim van elke goede politicus is dat hij de tijd neemt om na te denken, de rust bewaart om het tactisch juiste moment af te wachten en bovendien nieuwsgierig blijft naar de wereld buiten de politiek. “Tijd, rust en nieuwsgierigheid, evenals openhartigheid en het geven en incasseren van kritiek, bepalen in hoge mate een klimaat van onverschrokkenheid en hartstocht”, beschrijft Rottenberg één van zijn politieke idealen.

Zelf heeft Rottenberg na de hectische jaren als partijvoorzitter ('Ik leefde slordig') de afgelopen tien maanden pas geleidelijk aan de rust hervonden, zegt hij thuis, in Amsterdam. Boeken als de biografie over Herman Heijermans leest hij in plaats van diagonaal weer regel voor regel, ook al doet hij er week over. Onderwijl thee schenkend en tosties van zuurdesembrood en geitenkaas bereidend, gezond voedsel dat hem helpt zijn ziekte eronder te krijgen, vertelt Rottenberg dat hij zijn rust eerder ondanks dan dankzij de medicijnen terugwon: “Prednison heeft de eigenschap dat het iemands karaktertrekken twintig- tot dertigvoudig versterkt. Een Spaanse peper als ik wordt dus super-super-gejaagd. Hup het restaurant in, hup er weer uit. Eten op. Aan de andere kant ondermijnde die ziekte m'n energie. Na een uur in de stad was ik op, één keer de trap op putte me uit. Ik kapseisde. Het is een auto-immuunziekte, Sarco-idose, ik heb het in mijn agenda onder de T opgeschreven. De S was vol.”

Toch beklaagt hij zich niet: “Het is zo marginaal wat ik heb. In de natuurwinkel waar ik mijn kaas, brood en groente koop, kwam ik laatst een schoolvriend tegen. Hij heeft permanent een harde piep in zijn hoofd en die gaat niet meer weg. Bij mij is het anders. Het is vervelend, ik ben door die ziekte een deel van mijn longcapaciteit kwijt, maar ik heb geen kanker, mijn been is er niet af en ik heb het perspectief dat ik straks weer iets kan doen wat bij mijn persoonlijkheid past.”

Hij zegt dat zijn ziekte hem heeft gelouterd, alleen niet op de manier die een briefschrijver hem toewenste: “Het moest een keer mis met je gaan, Felix, schreef hij mij met zo'n AJC-achtig paternalisme. Felix heeft na het voorjaar, de zomer en de herfst, nu de winter bereikt en zal het verder rustig aan moeten doen. Zó gelouterd hoef ik niet te zijn, ik ben geen commissaris van de koningin. Laat het alsjeblieft nog een beetje chaotisch en onvoorspelbaar blijven.” Hij wil nog kwaad kunnen worden, zoals op die partijbijeenkomst, 's avonds ergens in het land, waarop een PvdA'er hem een grachtengordeljood noemde. “Met enorme zelfbeheersing heb ik me die avond ingehouden. Ik heb er niets van gezegd. Een paar weken later, in een heel andere plaats ben ik er, waarschijnlijk tot grote verbazing van de aanwezigen, op teruggekomen. Ik was nog steeds ziedend.” Hij staat op, maakt zich breed: “Grachten-gordel-jood! Wie dat zegt is Polak, Boekman en De Miranda vergeten, allemaal SDAP'ers, allemaal Amsterdammers, allemaal representanten van de indrukwekkende joodse cultuur die vóór de oorlog een stempel op de SDAP drukte en waarmee ik mij verwant voel. Die cultuur is door de Duitsers vernietigd.”

Een politicus die, ondanks de druk die op hem wordt uitgeoefend, de tijd neemt om zich in alle rust te verdiepen in de tegenstroom en daarbij ook nog nieuwsgierig blijft naar de buitenwereld, is een ideaaltype dat in de Haagse praktijk zelden voorkomt, erkent Rottenberg. “Nee, Tweede-Kamerleden hoeven ook niet allemaal hetzelfde te zijn. Het probleem met de verstarde, verzuurde PvdA die ik in de jaren tachtig ben gaan haten, was alleen dat ze allemaal hetzelfde waren. De PvdA organiseerde in die tijd een grote uitruil tussen ambtenaren en politici. Veel van onze parlementsleden voerden uit wat ze vóór de verkiezingen als ambtenaar hadden geadviseerd, om na hun periode als Kamerlid weer in de ambtenarij terug te keren. Onze Kamerleden moeten uiteenlopende persoonlijkheden zijn. We hebben bespieders nodig, vooruitlopers, uitvinders, denkers, maar ook handwerkers en Limburgse dienstverleners. Daar bedoel ik politici mee die de mensen thuis ontvangen en kijken wat ze voor hen kunnen betekenen.”

“Maar voor allemaal geldt dat hun basishouding moet zijn samen te vatten in de drie vragen die ik van de filosoof Emmanuel Kant in het theater leerde. Wat willen we weten, wat doen we en wat hopen we? Aan een goede volksvertegenwoordiger kun je zien op grond van welke kennis hij opereert, wat hij met die kennis wil bereiken en welk doel hem bezielt. Hij moet inspireren met een hoopvol doel. Hetzelfde verlangen we van de kerk. Van een dominee verwachten we vanzelfsprekend een inspirerende preek, waarom dan niet van een politicus? Na een rede van een PvdA-politicus moet de toehoorder weten dat rechtvaardigheid, solidariteit en sociaal-democratie geen loze woorden zijn.”

Een politicus moet weten wanneer zijn tijd gekomen is, zegt Rottenberg, wiens ervaring leert dat een Kamerlid zelden langer dan acht jaar, twee parlementaire periodes, op niveau kan presteren. “Daarom hamer ik zo op de noodzaak om bij elke verkiezing tot een heel scherpe selectie van de kandidaten te komen. Ik vind het al heel bewonderenswaardig als iemand acht jaar lang een topprestatie levert in die scholengemeenschap aan het Binnenhof. Wat mij betreft geldt de imaginaire wet dat een Kamerlid na die periode een andere sfeer opzoekt. Elke volksvertegenwoordiger zal zich, afgebeuld na acht jaar isolement in Den Haag, moeten afvragen of hij nog wel volksvertegenwoordiger in de letterlijke betekenis van het woord is.”

“Dat is de relevante les die ik van Ritsaert ten Cate heb geleerd. In 1991 was hij een internationaal erkend fenomeen en desondanks besloot hij te stoppen met Mickery, om zich opnieuw op te laden. Hij heeft nu geen professoraat of een goed betaald artistiek commissariaat, maar leidt het bescheiden en toch bijzondere theaterschooltje Das Arts. Zo af en toe moet elke kunstenaar zich de tijd en de rust gunnen om zijn nieuwsgierigheid opnieuw op te laden, met een ander script, een andere partituur, een ander boek.”

“Waarom zou zo'n levensles niet voor een politicus opgaan? Ik meen dat politici die klagen over het aangetaste primaat van de Tweede Kamer, de verantwoordelijkheid ook bij zichzelf moeten zoeken. Zie hoe ze in de Kamer met dat voorzitterschap hebben gerommeld. Piet Bukman. Hoe kan het toch dat in de sport en het theater de beste man de beste plaats krijgt en in de politiek niet? Dat het CDA deze man naar voren schoof als kandidaat wijst op een laatste restant aan zelfgenoegzaamheid bij die partij, maar erger is nog dat de Tweede Kamer hem uiteindelijk heeft gekozen.”

Felix Rottenberg is een romanticus. Hij spreekt ook zo. Zijn voorliefde voor woorden als voorhoede, avantgarde, pionier, frontstrijder, vernieuwer, avontuur, hartstocht, onverschrokkenheid wijst op een geïdealiseerd beeld van non-conformistische politici die als eenzame strijders een verheven taak volbrengen. De historie van de sociaal-democratie is voor Rottenberg een geschiedenis van personen als Troelstra, Vliegen, Aletta Jacobs, Wibaut, Van der Goes van Naters, Mansholt, Den Uyl die met elkaar een beweging vormen. De politici die Rottenberg voor de kieslijst van de Tweede Kamer heeft geselecteerd, PvdA'ers als Rob Oudkerk, Marjet van Zuijlen en Rick van der Ploeg, representeren meer zichzelf als Amsterdamse huisarts, jonge informatica-expert en eigenzinnig econoom dan de sociaal-democratie. Niet voor niets was een vergaande vermindering van de controle van de partij op haar volksvertegenwoordigers het hoofddoel van de reorganisatie die Rottenberg in de PvdA doorvoerde.

Het is niet verwonderlijk dat zo'n aanpak op weerstand in de PvdA stuit. Elke politieke partij, zeker een volkspartij als de PvdA, is per definitie gebaseerd op het proces van democratisch gecontroleerde groepsvorming. De individualistische methode-Rottenberg staat daarmee op gespannen voet. In zijn brief ter voorbereiding van het vraaggesprek beschrijft hij de spanning tussen vrije denkers en conditionerende organisaties. Hij concludeert: “Ik wist dat na enige tijd de weerstand zou kunnen toenemen. Mijn manier van regisseren, van het langzaam toewerken naar nieuwe lijnen en concepties, via een wirwar van wegen en experimenten, is a-typisch voor mensen die zich tot partijpolitiek, beheer en bestuur voelen aangetrokken. Sociaal-democraten willen overzicht, zekerheid en garanties. Ik kan dat niet geven, omdat ik er vaak niet in geloof.”

Rottenberg licht toe: “Tja, hoe orden je een proces? Overzicht en zekerheid ontstaan pas gaandeweg, als dat proces zich uitkristalliseert. Ook een goed boek kenmerkt zich door een opbouw die èn intuïtief èn goed doordacht tot stand is gekomen. Mijn probleem is dat ik als regisseur van het proces mijn critici niet kan zeggen waar het precies zal eindigen, net zo min als een goede theater- of filmmaker dat kan. Een voorzitter van een partij die overzicht, zekerheid en garanties verlangt, mobiliseert vanzelfsprekend kritiek als hij niet meer kan laten zien dan een try-out die een idee van de richting geeft.”

“Een avontuur? In het theater duiden ze het kenmerk van een goed avontuur aan met het Griekse woord methodos. Omweg. Een omweg, hoe intuïtief ook, kan leerzaam zijn, ook in de renovatie van een partij-organisatie. Ik heb een idee van het einddoel, veel meer dan van de manier waarop we het bereiken en via welke weg.”

Rottenbergs grootste criticus is Bart Tromp, de oud-partijbestuurder die de scheidend voorzitter verwijt de democratie binnen de partij om zeep te hebben geholpen. Tromp schuwt in zijn aanvallen op Rottenberg grote woorden als Oost-Europeanisering en Romeinse dictator niet. Rottenberg op zijn beurt meent dat Tromp zich overgeeft aan boekhouderspolitiek.

“Ik vind het boekhouderspolitiek, dat gedram van de socioloog uit Leiden over de afdelingen die niet functioneren. Bij het aantreden van Ruud Vreeman en mij waren de afdelingen volkomen apathisch, tandenloos. Ze stelden niets meer voor. De organisatie van de PvdA was nog geënt op de negentiende-eeuwse structuren van de SDAP. Waar gaat nu de discussie tussen Tromp en mij over? Tromp probeert te bewijzen dat Vreeman en ik een nieuwe oligarchie in de partij scheppen, met een overmaat aan macht. Ik vind dat hij dat niet kan waarmaken. Hij baseert zich op geen enkel veldwerk of praktijkonderzoek in de partij.”

“Ter illustratie herinner ik aan het PvdA-congres, in het najaar van 1994, dat zijn zegen gaf aan de paarse coalitie. Dat congres gaf geen enkel tegenspel aan de partijleiding en besteedde tittel noch jota woord aan de ongerustheid over de samenwerking met de liberalen, zoals ik die later in de partij tegenkwam. De democratische cultuur in de PvdA was kapot en moest opnieuw worden opgebouwd. Dat hebben wij gedaan, met een combinatie van experimenten en gestructureerde initiatieven. Pas na verloop van tijd levert die aanpak zichtbare resultaten op. Dat betekent dat we er nog lang niet zijn. Maar hoe dan ook, je kan niet het democratisch klimaat uit de jaren zeventig kopieëren in de jaren negentig.”

“Hoe verder je van Den Haag komt, hoe meer nostalgie naar Joop den Uyl je merkt. Ik kan me dat voorstellen. Hij sprak verscheidene groepen kiezers aan, mensen uit de elite, mensen uit de kunst, middengroepen, arbeiders. Maar ook hij heeft op zijn hoogtepunt in 1977, met tien zetels winst na zijn eerste kabinet, niet de vraag aan zichzelf gesteld hoe verder te laveren om dat hoogtepunt vast te houden. In die tijd heeft de PvdA één van haar grootste frustraties opgelopen. Hoe hebben ze het in vredesnaam voor elkaar gekregen om dat tweede kabinet-Den Uyl te torpederen? Dat soort ellende werkte de partijdemocratie waarnaar Tromp terugverlangt in de hand.”

Peter de Baan, artistiek leider van het RO-theater, kent Rottenberg uit de Balie, waar hij in de jaren tachtig de theaterwerkplaats leidde en Rottenberg directeur was. Hij herinnert zich dat Rottenberg alles wat goed liep, wantrouwde. “Hij organiseert zijn eigen oppositie”, aldus De Baan in NRC Handelsblad. Rottenberg herkent zichzelf in die kenschets: “Organisaties leven bij oppositie. Niets is erger dan een organisatie of een politieke partij die voor zichzelf klapt.” Hij staat op: “Het debâcle met Sport 7 stemt me zeer tevreden. Gelukkig kotste heel Nederland van Jan Timmer en z'n Sport 7. Timmer, Wim Dik van de KPN, dat zijn toch de ergste representanten van de glitterelite. Dat patserige, dat glimmende van Dik en dat vreselijke bedrijf van hem. KPN. Een ver-schrik-ke-lijk bedrijf. Een schoolvoorbeeld van doorgeslagen privatisering. KPN is vergeten dat zij een publieke organisatie is. Dat loopt binnen dankzij z'n monopolie en smeert ons ondertussen zoiets als die voice mail aan, zonder te vragen of we het wel willen. Ook een monopolist als de KPN ontbreekt het aan oppositie. Dan krijg je dat.”

Hij zegt dat zijn favoriete bestuurders politici zijn die oppositie uitlokken en zich geen zorgen maken over hun populariteit. “Mensen als Jan Schaefer, Adri Duivesteijn. Politici die ruzie maken als het nodig is, niet terugdeinzen voor een eenzame positie en na acht jaar, als ze weten dat ze over hun hoogtepunt heen zijn, weer vertrekken. Zoals Schaefer deed. Na acht jaar wethouderschap in Amsterdam koos hij voor de Tweede Kamer. Nadat hij daar weer was opgestapt, murwgebeukt, moe en ziek, stuurde iemand hem een brief om hem te bedanken. De PvdA retourneerde de brief. Werkt hier niet meer, stond op de envelop.”

“Zo koud was de partij in die tijd. Dat is nu echt anders. Destijds walgde ik van de PvdA, net als Schaefer. Ik sprak hem in een koffiehuis op de Albert Cuyp. We praatten over de PvdA. Het ging alleen over liefdesverdriet, melancholie en haat. Pure HAAT.”

Deel dit artikel