Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Esther Gerritsen: 'Vrouwen zijn de uitblinkers'

Home

Pieter van den Blink

© Koos Breukel
Interview

Het nieuwste boek van Esther Gerritsen is het Boekenweekgeschenk. Dat loopt on-Gerritsens af. Een gesprek over de totstandkoming van een happy end in duistere tijden.

Esther Gerritsen was nog aan het nadeinen op de golven van het succes van haar roman 'Roxy' (Librisnominatie) en het scenario voor 'Nena' (Gouden Kalf) toen er bij haar werd aangebeld. Jehova's getuigen, dacht de schrijfster. Maar het was een delegatie van de CPNB, die haar kwam aanzoeken het Boekenweekgeschenk 2016 te schrijven.

Binnen het oeuvre van een schrijver kan een Boekenweekgeschenk een Fremdkörper, een hoogtepunt of een mijlpaal zijn. De novelle 'Broer', die vanaf volgende week in een oplage van zeshonderdduizend op u ligt te wachten, is misschien wel alledrie.

Toen ik haar interviewde ten tijde van 'Roxy' vertelde ze over het schrijfproces als een kwelling. Het woord 'zelfhaat' viel meerdere malen. Ook de fase van het redigeren beschreef ze als een hel.

U kon een boek alleen maar afmaken door tegen uzelf te zeggen: ja Esther, dit wordt een heel slecht boek maar maak het nu maar af.
"Zo is het. Maar het wordt nog gekker. Terwijl ik 'Broer' schreef, ging het niet erg goed met mij. Maar toch heb ik het schrijven dit keer met plezier gedaan. Ik voelde me diep ongelukkig maar ik moést schrijven. Het moest natuurlijk gewoon op tijd af maar het was ook een heerlijke ontsnapping aan mijn dagelijks leven, want tijdens het schrijven was ik wel gelukkig."

Voelde u zich slecht door de druk van op bestelling iets te moeten afleveren dat door zoveel mensen gelezen en beoordeeld gaat worden?
"Nee. Mijn paniek heeft meestal niet zozeer met werk te maken. Ik heb toen ook gezegd dat er dwars door alle zelfhaat heen een lijn is waarop ik precies weet wat ik aan het doen ben. Ik weet wat me wordt gevraagd en ik weet hoe ik dat ga doen."

Hoe is dat afgelopen jaar, sinds de Libris-nominatie voor uw roman 'Roxy', verlopen?
"In maart kreeg ik bezoek van mijn uitgever, ik dacht dat we gingen evalueren hoe het met Roxy was gegaan. Toen werd er aangebeld, ik zei: volgens mij zijn het Jehova-getuigen, ik doe niet open. Maar Annemie (Jans) en Sander (van Vlerken, respectievelijk directeur en uitgever fictie van De Geus, red.) zeiden dat ik toch even moest gaan kijken. En daar stond Eppo Van Nispen tot Sevenaer van de CPNB met een bos bloemen. Ja, toen wist ik het wel. Ik schoot meteen vol. Dat heb ik bijna nooit in het werk. Maar dat men mij zoiets toevertrouwt, om een boek te schrijven dat ze dan zeker zeshonderdduizend keer gaan drukken. Dat ze gewoon komen zeggen: ja, doe maar..."

Lees verder na de advertentie
Mijn paniek heeft meestal niet zozeer met werk te maken. Ik heb toen ook gezegd dat er dwars door alle zelfhaat heen een lijn is waarop ik precies weet wat ik aan het doen ben

En toen ?
"Wat werk betreft kwam het op een goed moment. Ik zou ongeveer aan een nieuw boek beginnen, naast het scenarioschrijven dat ik doe. Maar inhoudelijk had ik alleen maar vage ideeën, geen plan."

Deed het bezoek nog suggesties?
"Alleen dat het manuscript op 1 oktober binnen moest zijn. De lengte staat vast, verder word je helemaal vrij gelaten. Ik heb het boek met mijn eigen uitgever en mijn vaste redacteur gemaakt, net als alle andere. Bovendien mogen we toch aannemen dat de CPNB mij vraagt op basis van mijn eerdere werk."

U schrijft vaak over gekwelde mensen in troebele situaties. Heeft er op geen enkel moment in dat afgelopen jaar iemand gezegd: het is voor de Boekenweek, niet al te veel van dat psychopathische alsjeblieft?
"Nee, ze hadden er het volste vertrouwen in! De wereld is beter dan jij denkt, Pieter. En wie dat van mij moet horen, nou die is ver van huis hoor."

Genoteerd. Wat behelsden die vage ideeën waarmee u begon?
"Ik wist dat ik iets wilde schrijven over gebrek aan zelfkennis. En de verbondenheid met familie, die je zelf onderschat. Maar ik wist absoluut niet hoe dat in een verhaal terecht zou gaan komen. Ik maakte, zoals altijd, een schema en daar stond op dat ik op 1 juni moest beginnen met schrijven."

Wat gebeurde er in die maanden tot juni?
"Uitgaande van die thema's waar ik al mee rondliep, wist ik dat ik een hoofdpersoon en een beginsituatie moest vinden. En het beroep van die hoofdpersoon, dat is heel belangrijk. Een sterk beroep moest het zijn. Dat is financieel directeur geworden, dan kon ik fijn een paar van die prachtige woorden als 'liquiditeitsprognose' gebruiken.

Ik wist dat ik iets wilde schrijven over gebrek aan zelfkennis. En de verbondenheid met familie, die je zelf onderschat

© Koos Breukel

"De beginsituatie vond ik, tragisch maar waar, precies op het juiste moment in mijn eigen familie. Het telefoongesprek waarmee het verhaal begint heb ik ongeveer letterlijk gevoerd met mijn eigen vader. Alleen is het bij hem wel goed afgelopen, anders had ik het niet gebruikt."

Waarschuwing aan de lezer! Vanaf hier bevat de tekst spoilers over het verhaal van het Boekenweekgeschenk.

U had een thema, een hoofdpersoon met een beroep en een begin. Hoe dan verder?
"Meestal gaan mijn boeken zo: het loopt uit de hand, dan loopt het verder uit de hand en dan loopt het nóg verder uit de hand. Dat wilde ik deze keer niet. Ik houd ook van die films waarbij je de hele tijd denkt: kan niet goed gaan, kan niet goed gaan, en dan aan het eind... gaat het toch goed.

"'A Coal Miner's Daughter' bijvoorbeeld. Waargebeurd, een man en een vrouw, talloze kinderen, en immer gelukkig getrouwd. Heel fijn vind ik dat.

"De hoofdpersoon in 'Broer' raakt wel in een crisis, want ze denkt te weten wie ze is en wie haar broer en haar man en haar kinderen zijn en als dat vervolgens anders blijkt te zijn, verliest ze alle controle en weet ze even niet meer wat waar is en wat niet. Maar net als het finaal mis dreigt te gaan, blijkt het mee te vallen. Dan denkt ze ook dat ze een huwelijkscrisis heeft maar dan zegt haar man 'ach zei ik dat, huwelijkscrisis, dat valt toch wel mee. Ha ha.' Ook op haar werk: zij denkt dat alles daar misgaat maar dat bedrijf heeft gewoon geen toekomst meer, dat ligt niet aan haar, zij heeft niet gefaald. Idem met haar huilende broer die z'n been moet missen. Al snel gaat het weer ietsje beter met hem.

"Ook daar is eigenlijk geen probleem. Dramaturgisch werd het daardoor wel steeds lastiger natuurlijk. Het is makkelijker om het helemaal mis te laten gaan."

Meestal gaan mijn boeken zo: het loopt uit de hand, dan loopt het verder uit de hand en dan loopt het nóg verder uit de hand

U was nog steeds niet begonnen met schrijven?
"Nee. Maar in mijn hoofd ging het verhaal toen al zo leven. Het leek me ook leuk om over een man te schrijven die de hele tijd huilt. En daar tegenover dan iemand die een hekel heeft aan emoties. Wie van de twee is de hysterische? Hij huilt wel maar daar doet hij verder niet moeilijk over. Terwijl zij met haar gecontroleerde emoties tegen het plafond zit.

"Als je met jezelf afspreekt dat je op 1 juni begint en je bent al vanaf 1 maart aan het warmdraaien, dan word je een paard dat wacht op het startschot van de race. Zo'n windhond, nee een stier, die wacht tot het luik openklapt."

Waarom begint u dan niet eerder? U bent het toch zelf die het luik bedient?
"Omdat ik zeker moet weten dat het daarover zal gaan. Ik wacht op toestemming van mezelf om het verhaal te gaan schrijven dat ik wil schrijven."

En hoe loste u die dramaturgische lastigheden op?
"Ken je de boeken van A.M. Holmes? Heel dik zijn die. En heel absurd. Het gaat aldoor over one big family en daar komt dan weer een of andere idioot bij en ten slotte loopt het allemaal goed af. Daar zit een soort baldadigheid in, die prettig is om te lezen. Baldadig is mijn nieuwe codewoord.

"Als ik vastzit denk ik: oké, wat nu. Dan verzin ik iets wat eigenlijk over de top is, natuurlijk komt meteen een stemmetje dat zegt 'Nee te flauw Esther', maar dan zeg ik terug 'Probeer toch maar, het kan er altijd later weer uit'. Mijn personages moeten zo min mogelijk fantaseren. Elke keer dat dat dreigt gebeuren probeer ik het om te zetten in handeling. Dus niet een personage dat denkt: stel je voor dat A en B nu tegelijk binnenkomen, maar hoppa daar komen A en B al tegelijk binnen.

Als je met jezelf afspreekt dat je op 1 juni begint en je bent al vanaf 1 maart aan het warmdraaien, dan word je een paard dat wacht op het startschot van de race

"Het moet gebeuren, anders kan de lezer het niet voelen. Als er al wordt gefantaseerd, dan moet dat onmiddellijk een confrontatie met de werkelijkheid opleveren. Als Olivia, de hoofdpersoon, denkt dat haar broer een kwetsbare huilebalk is die constant haar hulp nodig heeft, dan mag ze dat denken maar het moet getest of onderuitgehaald worden."

En haalde u de deadline ?
"Ruimschoots."

Hoe overzichtelijk eigenlijk; je krijgt de opdracht, je denkt drie maanden na en je schrijft drie maanden volgens schema en dan is het af.
"Ja, zo bezien was dit een ei dat ik gemakkelijk heb gelegd. En tegelijkertijd voelde ik me tijdens die zomer nou net heel ellendig. Maar het schrijven heeft er niet onder geleden."

U hebt vanuit de duisternis over het licht geschreven, om het maar eens dramatisch te zeggen?
"Misschien werkt het zo: als ik gelukkig ben, moet ik voortdurend mijn angsten bezweren en die komen dan in mijn boeken terecht. Maar als het niet goed gaat heb ik de behoefte om iets hoopvols te maken."

Het slot van 'Broer' verraste me.
"Geloof je het?"

Ik aarzel. Is dit bedoeld als een full-blown happy end of hebt u de mogelijkheid opengelaten dat het een waanvoorstelling is van de hoofdpersoon? In acht genomen dat de naam Esther Gerritsen op de omslag staat wilde ik die tweede mogelijkheid zeker niet uitsluiten.
"Zijzelf twijfelt even, hè. 'Zie ik het goed', zegt ze bij zichzelf. Als lezer ben je zo met haar meegegaan dat jij ook voor die vraag komt te staan. Die twijfel had ik als schrijver ook even maar daarna wilde ik dat het waar is.... Het is waar. Alles is goed."

Goh.
"Weet je, al jaren wilde ik iets hoopvols schrijven. Kun jij je voorstellen hoe blij ik was dat dit op een geloofwaardige manier goed ging!? Want een echte pessimist schrijft zoiets op en bij herlezing gooit-ie het weg. Ik ken alle redenen wel waarom je ongelukkig kunt zijn. Maar toch sta ik iedere dag op, dus blijkbaar heb ik een reden om te leven. Daar iets over te schrijven, dat is het allermoeilijkste. Maar dat heb ik geprobeerd."

U lijkt wel een jongere zus van de Esther Gerritsen die ik anderhalf jaar geleden ontmoette. Losser, opgewekter.
"Ach ja, ik durf het nauwelijks hardop te zeggen, want ik weet nooit hoe lang het duurt. Maar het gaat goed inderdaad. Erin geloven, me geen zorgen maken, vertrouwen hebben, voor mij zijn dat geen gevoelens maar handelingen, actie. En schrijven helpt. Als de paniek mij aanvliegt denk ik nee nee, terug naar je verhaal, waar was je gebleven. Er moet altijd een verhaal zijn waar ik naartoe kan gaan. Als dat er niet is word ik ongelukkig."

Er moet altijd een verhaal zijn waar ik naartoe kan gaan. Als dat er niet is word ik ongelukkig

Deel dit artikel

Mijn paniek heeft meestal niet zozeer met werk te maken. Ik heb toen ook gezegd dat er dwars door alle zelfhaat heen een lijn is waarop ik precies weet wat ik aan het doen ben

Ik wist dat ik iets wilde schrijven over gebrek aan zelfkennis. En de verbondenheid met familie, die je zelf onderschat

Meestal gaan mijn boeken zo: het loopt uit de hand, dan loopt het verder uit de hand en dan loopt het nóg verder uit de hand

Als je met jezelf afspreekt dat je op 1 juni begint en je bent al vanaf 1 maart aan het warmdraaien, dan word je een paard dat wacht op het startschot van de race

Er moet altijd een verhaal zijn waar ik naartoe kan gaan. Als dat er niet is word ik ongelukkig