Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Erik Zürcher 1928-2008

Home

Esther Hageman

Erik Zürcher was een van de beroemdste sinologen van de twintigste eeuw. Als het koninklijk paar naar China ging, praatte Zürcher hen bij.

Zijn vader was een heer van stand die communist was geworden – lid van de Communistische Partij Holland, de partij die een klassenloze maatschappij wenste en vond dat productiemiddelen en grond in handen van de staat moesten zijn. In vaders jeugd waren de Zürchers nog gefortuneerd geweest; een milieu waar gereisd werd, en gelezen. Eriks grootvader was ooit voor Multatuli een mecenas.

Tegen de tijd dat Erik Zürcher opgroeide was het kapitaal verdwenen, was zijn vader een lagere beambte bij de Nederlandse Spoorwegen en een wat wrokkige communist, die ’s avonds het Handelsblad opensloeg om te zien ’welke leugens de burgerlijke pers nu weer had opgeschreven’.

Erik en zijn oudere halfbroer, uit een eerder huwelijk van vader, hadden allebei weinig boodschap aan dat ideologisch gekleurde gemopper. Opa was intussen overleden, maar oma woonde bij hen in huis. Zij vertelde verhalen van verre landen en vreemde volkeren. Daar vond hij heel wat meer aan.

Op school, het Utrechtse gymnasium, was Erik Zürcher de beste van de klas en degene die de decors maakte voor het jaarlijkse toneelstuk. Hij kon goed tekenen maar, vond hij zelf, toch niet goed genoeg om kunstenaar te worden. Het meisje met wie hij later zou trouwen zat bij hem op school. Ze gingen allebei in Leiden studeren: zij rechten (waar ze na het kandidaats mee stopte), hij oud-Egyptisch. Maar na een jaar zwaaide hij om naar Chinees.

Die studie had toen in Leiden al een lange traditie. Sinoloog Julius Duyvendak was er op dat moment de beroemde man. Die had de studie Chinees verbreed, van een opleiding tot tolk naar iets met meer diepgang.

Zürcher promoveerde in 1959 op een proefschrift dat, getuige herdrukken in 1972 en 2007, z’n waarde lang behield: ’The Buddhist conquest of China’, over de reis die het boeddhisme over de Himalaya maakte, en hoe de leer aangepast raakte aan de Chinese smaak. Twee jaar later, hij was pas 33, werd hij hoogleraar met als leeropdracht de geschiedenis van China, in het bijzonder het contact tussen China en het Westen.

Toen Erik Zürcher in 1961 voor het eerst echt naar China ging, zat hij tien dagen in de Transsiberië express. China was nog een witte vlek op de kaart. Vrijwel niemand was er ooit geweest.

Hij vond het leuk om een van die zeer weinigen te zijn; tegen de tijd dat, een paar decennia later, een reis naar China zo gewoon werd dat in elke Nederlandse straat wel iemand woonde die er geweest was, hield Zürchers belangstelling voor het hedendaagse China zo ongeveer op – al had hij eind jaren zestig wel het Documentatiecentrum voor het Huidige China opgezet. Daar kon het hedendaagse China en het communisme worden bestudeerd – door anderen.

Zelf hield hij zich liever bezig met de geschiedenis van het land. Begin jaren tachtig zette hij een reusachtige beeldbank op, ’Chinavision’, met eindeloos veel beeldmateriaal over China. Zijn colleges waren beroemd; ’aimabel’ en ’erudiet’ veel gebruikte woorden om hem te beschrijven.

De aimabele erudiet had ook een andere zijde. Aan fysieke sport had hij levenslang nooit een spat gedaan: debat-achtige gesprekken, met jenever en sigaretten onder handbereik, waren meer zijn sport. Hij had ook iets sarcastisch. Dat beperkte zich niet tot anderen, hij kon het ook over zichzelf zijn. Toen hij met emeritaat ging, zei hij in een vraaggesprek met NRC Handelsblad over de jonge hoogleraar die hij was geweest: „Ik heb aan de reeks misverstanden tussen China en het Westen bijgedragen door de knapperd uit te hangen die de Chinezen wel even uitlegde hoe hun cultuur in elkaar stak. Fout. Onvergeeflijk. Bescheidenheid, weet ik nu, is het hoogste gebod. Het enige wat dit minibreintje moet willen is leren, leren, leren.”

Erik Zürcher en zijn echtgenote kregen één zoon, Erik-Jan. Zij vonden het niet altijd gemakkelijk om te accepteren dat Zürchers echte leven voelbaar op zijn werk lag; dat het voor het gezin ’een moeilijke maîtresse was’, zoals zijn zoon het noemt. De zoon zou op zijn veertigste, in 1993, ook hoogleraar worden, vanaf 1997 ook in Leiden, ook in de kunde van een ver en onbekend land: Turkije. Maar Erik-Jan Zürcher zou nog jarenlang worden aangeduid als ’de zoon van Zürcher’.

Toen koningin Beatrix en prins Claus in 1999 in China op staatsbezoek gingen (dat was een paar maal uitgesteld, na het neerslaan van de opstand op het Tien An Men-plein in 1989) was het Zürcher, toen toch alweer zes jaar met pensioen, die het koninklijk paar over het land bijpraatte. Hij was een van de schaarse sinologen die al meteen na Tien An Men hadden gezegd dat de ’Chinese Lente’ weinig voorstelde. „Het was een doodgeboren kind: de studentenbeweging had geen duidelijk leiderschap, geen duidelijke ideologie en geen duidelijke doelen. Bovendien deed de bevolking niet massaal mee. Als 800 miljoen Chinezen op het platteland niet in beweging komen, kun je het vergeten.”

Hij hield van de humor van Monty Python, maar kon ook erg genieten van Swiebertje. Hij had in zoverre ook zelf wel iets van de innemende landloper dat hij zich er niet erg om bekreunde hoe hij eruitzag. Weliswaar waren zijn jasjes en schoenen prijzig, hij was niet zo iemand die oplette dat hij geen koffie morste of dat de as van zijn Lexingtons niet op zijn kleding viel.

Na zijn emeritaat in 1993 werkte hij nog jaren door, eerst in zijn oude kamer op het instituut, toen in een kleiner kamertje, op het laatst in een hoekje van de beroemde Sinologie-bibliotheek. Hoeveel colleges en lezingen hij ook in zijn leven had gegeven, nog altijd kon je voor het begin zijn nervositeit aflezen aan de tics in zijn gezicht. Zo ook toen hij vorig jaar bij wijze van slotakkoord een nieuw boek presenteerde: ’The diary of oral admonitions’ (Kouduo Richao), de enige bron over het dagelijks werk van de 17de eeuwse christelijke missionarissen in China. Het bevat de gesprekken die Italiaanse Jezuïeten – Guilio Aleni (1582-1649) bijvoorbeeld, uit Brescia maar in decennia in China totaal verchineest – met Chinese bekeerlingen voerden. Na dat boek zweeg Zürcher verder over China.

De laatste jaren liet z’n gezondheid meer en meer te wensen over. Zijn ogen werden slecht, hij had chronische bronchitis. Het deed zijn humeur vooral geen goed om niet langer te kunnen lezen. Dat zijn aorta niet best was, wist hij al een paar jaar, maar toen hem dat destijds werd verteld, besloot hij er niets aan te laten doen. Hij schatte zelf in dat hij, na een leven van roken en drinken, geen beste kansen had bij een operatie van zes uur, waarna een paar weken ziekenhuis. De artsen spraken het niet tegen. Uiteindelijk knapte zijn aorta op een donderdagavond toen hij op de bank een dutje deed. Zijn echtgenote zat de krant te lezen toen ze zag hoe hij opeens ongecontroleerde bewegingen begon te maken. De dood trad binnen drie minuten in.

Erik Zürcher werd 13 september 1928 in Utrecht geboren. Hij overleed op 7 februari 2008 in Warmond.

Deel dit artikel