Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Erick van Egeraat Een gebouw is nooit fout

Home

Henny de Lange

In de meest recente uitgave van de Phaidon Atlas van de hedendaagse wereldarchitectuur wordt Erick van Egeraat gerekend tot de zes belangrijkste architecten ter wereld. Modern barok noemt hij zijn stijl, wat nogal eens verwarring schept.

Op maandag vloog architect Erick van Egeraat nog naar St. Petersburg. Dinsdag reisde hij door naar Kazan, hoofdstad van de deelrepubliek Tatarstan, waar hij de Nationale Bibliotheek ontwerpt die straks de skyline van deze stad zal domineren. Woensdag vloog hij vanuit Moskou terug naar Nederland. En nu is het woensdagmiddag vijf uur en zit hij in zijn Rotterdamse kantoor. Dat is zijn leven, voortdurend in het vliegtuig van zijn ene kantoor naar het andere en van de ene afspraak naar de andere. De eerste uren van de nacht houdt hij in principe vrij om het werk van zijn medewerkers te bekijken. „Ik maak nog steeds zelf alle schetsen. Elk ontwerp komt uit mijn hoofd en dan gaan mijn mensen ermee aan de slag. Maar elke krul gaat vervolgens wel weer door mijn vingers. Ik heb het druk, maar ik heb een fantastisch leven en werk met een leuke ploeg mensen.”

Van Egeraat behoort met Rem Koolhaas tot de wereldtop. In de meest recente uitgave van de Phaidon Atlas van de hedendaagse wereldarchitectuur wordt hij gerekend tot de zes belangrijkste architecten. Net als Koolhaas is hij meestal in het zwart gekleed met een spierwit overhemd, al is zijn kleding wel een stuk modieuzer en strakker gesneden en oogt hij met zijn gebruinde gezicht en halflange haren als een dandy, die zo kan wegscheuren in een Ferrari. Maar anders dan Koolhaas is Van Egeraat zeer toegankelijk, joviaal en communicatief en praat hij in gewone huis-, tuin- en keukentaal over architectuur. Vreselijk vindt hij het, als hij collega’s in een voor de buitenwereld ondoorgrondelijk jargon hoort praten.

„Dat werkt toch ook niet. Als ik Poetin in tien minuten moet uitleggen wat me voor ogen staat met een bepaald plan, dan moet hij meteen snappen waar het over gaat. Ik ben heel erg arrogant in de zin dat ik me nooit bezig houd met de vraag wat mensen van me vinden, hoe ik overkom en of ze me wel leuk of slim vinden. En ik ben ook heel erg overtuigd van mezelf en van de sterke gebouwen die ik ontwerp. Maar daar kun je toch gewoon over praten, zonder in die armoedige architectentaal te verzanden.”

Die eigenzinnigheid stralen ook zijn ontwerpen uit. Een gebouw wordt in de visie van Van Egeraat pas architectuur als het iets onbegrijpelijks heeft en als mensen zich erover kunnen verbazen, wat in bijzondere mate geldt voor het stadhuis van Alphen aan den Rijn en poppodium MeZZ in Breda. Modern barok noemt hij zijn stijl, wat nogal eens verwarring schept. Bij barok denk je aan weelderige tierelantijnen, torentjes, engeltjes en zuilen. Die tref je niet aan in zijn ontwerpen, maar hij maakt wel graag ingewikkelde gevels van veel verschillende materialen, golvende of gekromde wanden en verspringende vensters. Glasplaten decoreert hij met prints van bladeren en tuinhekken zijn niet gewoon strak maar gesmeed van metalen grassprieten. Door al die detailleringen laten de ontwerpen van Van Egeraat je nooit onberoerd. Het oeuvre van de 17de-eeuwse bouwmeester Tylman van Gameren, die in Polen als hofarchitect werkzaam was, is voor hem een belangrijke inspiratiebron.

160 medewerkers heeft hij inmiddels in dienst, verspreid over zijn kantoren in Rotterdam, Londen, Moskou, Praag en Boedapest. Onlangs opende hij een ingenieursbureau in München. En het einde is nog niet in zicht, al wil hij zich wel blijven richten op Euro-Azië. „En dan vooral de ruige gebieden van Europa, zoals Rusland maar ook Siberië en Kazachstan, die vind ik aantrekkelijk, al is het ook aangenaam om tussendoor een woningbouwproject in de oude binnenstad van het Italiaanse Parma te doen.”

Was het een jongensdroom om een wereldberoemde architect te worden?

„Toen ik tien was, wilde ik econoom worden, nogal ongebruikelijk, maar dat was misschien een beetje ingestoken door mijn vader. Een paar jaar later ben ik van mening veranderd. Van de ene op de andere dag besloot ik dat ik architect wilde worden. Dat nam ik me voor na een kort gesprekje bij de benzinepomp, waar ik toen als pompbediende werkte. Er kwam een man in een Ferrari aanrijden en ik vroeg hem wat voor werk hij deed. Hij vertelde dat hij architect was en dat dat het leukste vak van de wereld was, omdat je van alles kon doen en zelf uitmaakte of je in je korte broek, een spijkerbroek of een net pak naar je werk ging.”

En nu gaat u in korte broek op bezoek bij de Russische premier Poetin?

„Nee, dat niet, maar ik heb tot nu toe wel altijd gedaan wat ik zelf wilde. Toen ik na tien jaar het gevoel kreeg dat ik niet verder kwam bij Mecanoo (het succesvolle bureau dat hij in de jaren tachtig had opgericht met een paar Delftse medestudenten, onder wie zijn toenmalige partner Francine Houben, red.) heb ik het collectief verlaten om voor mezelf te beginnen. Ik had nog jaren kunnen doorgaan, maar dat zit niet in mijn aard. Mijn vertrek en mijn scheiding van mijn toenmalige vrouw voelden als een enorme opluchting. Ik ben ook niet in een diep dal geraakt of zo, het was gewoon tijd om te vertrekken, niet alleen bij Mecanoo, maar ook uit het woonhuis dat we samen hadden ontworpen. Gek genoeg doe ik nu ook weer alles samen met mijn huidige vrouw. Ze reist overal met mij mee naar toe, omdat dat ook vrijwel de enige mogelijkheid is om elkaar te zien. En nu vind ik dat alleen maar prettig en ervaar ik het helemaal niet als benauwend om alles samen te doen.”

Misschien scheelt het dat zij geen architect is.

„Nee, dat is ze niet, maar ze is wel mijn zakenpartner. Ze volgt alles wat ik doe en heeft overal een oordeel over, en dat vind ik alleen maar prettig.”

De breuk met Mecanoo betekende ook een afscheid van het neomodernisme. Is het niet vreemd om van het ene moment op het andere in een andere stijl te gaan ontwerpen?

„Ik denk dat het altijd al in me heeft gezeten, al is dat pas nadrukkelijk naar buiten gekomen toen ik alleen verder ging. Op de TU in Delft is de opleiding heel analytisch en niet zo creatief. Als student ga je daar vanzelf in mee. Ook bij Mecanoo heb ik me aangesloten bij het collectief, maar alles wat ik daar heb gedaan, daar stond ik toen wel achter. We wilden gewoon goede en mooie modernistische gebouwen neerzetten. Maar op een gegeven moment werd het tijd voor een nieuwe stap in mijn leven. En dan is het bij mij ook echt klaar en kan ik er zonder moeite een punt achter zetten.

„Ik noem mijn stijl sindsdien modern barok, maar daarbij moet je niet denken aan weelderige gebouwen met veel torentjes en tierelantijnen. Mijn gebouwen stralen juist vaak een relatieve eenvoud uit maar vertonen ook een rijkdom aan vormen en materialen. Van strakke, witte dozen van glas en metaal moet ik niets hebben. Daar lees je in één oogopslag alles aan af. Mijn gebouwen zijn zoveel onleesbaarder, roepen emoties op. Zachte, vriendelijke en zinnelijke gebouwen wil ik maken die dezelfde gevoelens losmaken als oude gebouwen met veel decoraties, maar dan wel in een hedendaags jasje. Ook zonder engeltjes en zuiltjes kun je een gevoel van rijkdom en wellustigheid oproepen door bijvoorbeeld veel verschillende materialen te gebruiken of te kiezen voor afwijkende vormen.”

Van Egeraat werkt graag in het voormalige Oostblok. Als het over Nederland gaat, is hij aanmerkelijk kritischer. „Als je veel in het buitenland zit, zie je dingen in eigen land scherper. In Nederland is alles perfect geregeld, je kunt er goed afspraken maken, er zijn wetten en we hebben ook nog eens een grote voorsprong op het gebied van architectuur, stadsvernieuwing en stedelijke ontwikkeling. Maar als ik in Rotterdam wethouder Karakus van ruimtelijke ordening wil spreken, omdat ik denk een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan de ontwikkeling en verdichting van de binnenstad, lukt me dat niet, terwijl ik in Rusland zo alle ministers aan de telefoon krijg en zelfs een afspraak kan maken met Poetin. En dan maar roepen dat de Nederlandse samenleving zo open en transparant is.

„Wat me ook zorgen baart en steeds meer begint tegen te staan, is dat het elan en de drive om bijzondere en grootse dingen te doen, steeds verder te zoeken zijn. We zijn hier zo snel tevreden, streven niet meer naar het allerbeste en het allerhoogste. Efficiency is hier de norm geworden: hoe bouwen we zo snel mogelijk en voor zo min mogelijk geld. De Nederlandse vastgoedmarkt gaat zich steeds onbeschofter gedragen. Iedereen mag een grote bek opzetten als het om geld gaat. Er is weinig respect meer voor architecten. Over de schoonheid van architectuur gaat het al helemaal niet meer, laat staan over de economische waarde van bijzondere architectuur.”

Speelt misschien ook mee dat onlangs uw ontwerp voor het oude postkantoor op de Coolsingel in Rotterdam is afgewezen en dat het plan van Ben van Berkel is uitgekozen?”

„Natuurlijk had ik graag een spectaculaire toren boven op het oude postkantoor willen zetten, met daarin woningen, hotelkamers, kantoren, restaurants, winkels en als klapstuk een forum. Een enorm balkon van drieduizend vierkante meter, waar de bevolking bijeen kan komen bij bijzondere gelegenheden en festiviteiten, als de huldiging van Feyenoord. En boven in die toren had ik mijn eigen penthouse willen inrichten, dat mag je best weten. Ik heb dit plan helemaal niet nodig, aan werk heb ik geen gebrek. Maar ik wilde het zo graag doen, omdat ik ervan overtuigd ben dat mijn plan de binnenstad van Rotterdam een enorme oppepper zou kunnen geven en ook nog winstgevend zou zijn. Het oude postkantoor, een prachtig gebouw, zou bovendien in oude luister worden hersteld. De Coolsingel is de plek voor een groots en meeslepend gebaar, en dan kiezen ze voor zo’n programmatisch ingetogen plan van Ben van Berkel.

„Nee, ik ben niet afgunstig, maar ik maak me er wel druk over, omdat deze gang van zaken typerend is voor het gebrek aan dynamiek en elan in Nederland, als het gaat om de ontwikkeling van de grote steden. Waarom zouden mensen nog naar Rotterdam en Amsterdam komen, als er zoveel meer te doen en te zien is in andere wereldsteden? Ik ben God niet, maar ik ben ook niet niemand. In de jaren tachtig, toen er nog schwung zat in deze stad, mochten architecten hun plannen komen toelichten op het stadhuis. Nu wil de wethouder me niet eens te woord staan.

„Het is niet alleen Rotterdam, het is het algehele beeld van Nederland, met uitzondering misschien van Almere, waar we als studenten nog naar toe gingen om te lachen. Nu gebeurt daar zoveel. Daar wordt wel geprobeerd een echte stad te bouwen. Natuurlijk gaat daar ook veel mis, maar je proeft er nog wel de dynamiek. Diezelfde drive om iets groots op te bouwen ervaar ik ook in het voormalige Oostblok. Daar zijn de bestuurders wel hongerig naar mijn visie op de ontwikkeling van steden, omdat ze weten dat Nederland op dat punt een voorsprong heeft in de wereld. Maar die raken we wel snel kwijt. We worden aan alle kanten ingehaald. Ook veel architectuur is sinds de jaren negentig heel gewoontjes. Pas als je veel in het buitenland zit, merk je hoeveel mogelijkheden we hier hebben, hoeveel er hier kan en hoe goed we het hebben geregeld, maar tegelijkertijd realiseer je dat we daar uiteindelijk niets mee doen. In Rusland moet ik een hoop ritselen en regelen, maar daar kan zo veel meer dan hier.”

Noemt u eens een voorbeeld.

„Ik ben daar bezig met diverse plannen om steden te vernieuwen en zelfs complete regio’s te revitaliseren. En ik doe daar het grootste project ooit van een Nederlandse architect. In de Zwarte Zee ontwerp ik Federation Island, een 330 hectare grote groep kunstmatige eilanden die samen de vorm van Rusland hebben en die zal worden gebruikt bij de Olympische Winterspelen van 2014 in Sotsji, dat bekend staat als de Rivièra van Rusland. Met het project is 7 miljard euro gemoeid. Op de eilanden komen woningen voor 25.000 mensen, hotels, sport- en recreatieve voorzieningen en religieuze gebouwen, waaronder een moskee.”

In Nederland wordt er over geschamperd dat u met dit project de rijken bedient en aan het handje loopt van de Russische maffia.

„Wat een onzin. Het beeld dat we hier hebben van Russen is één groot cliché. In de ogen van de Nederlanders misdragen rijke Russen zich in luxe vakantieoorden, heeft de maffia het daar voor het zeggen, wordt het volk uitgebuit en zijn alle machtige Russen dik en meestal dronken. Mijn ervaringen zijn heel anders. De mensen met wie ik daar zaken doe zijn vaak afgetrainde types, uiterst sober en gedisciplineerd en enorm hongerig naar onze kennis op het gebied van architectuur en stedelijke vernieuwing.

„Er is me verweten dat ik met Federation Island alleen de happy few zou bedienen en dat het ten koste gaat van de gewone Russen. Onzin. Het project wordt niet alleen een voorbeeld van milieubewust bouwen, na de Spelen moet het ook een functie hebben die bijdraagt aan de economische ontwikkeling van dit gebied. Als ik met Poetin over Federation Island praat, heb ik het erover dat het natuurlijk niet zo kan zijn dat de skiërs tijdens de Spelen over bruine sneeuw glijden. Er zal iets aan de milieuvervuiling moeten worden gedaan, net zoals de Zwarte Zee schoner zal moeten worden. En de regio moet niet blijven zitten met gebouwen en voorzieningen die na de Spelen geen functie meer hebben.

„Natuurlijk gebeuren er in Rusland dingen die niet deugen en zijn er mensen die zich verrijken. Net alsof onze vastgoedwereld zo fris is. Daar zitten ook figuren met wie ik nooit zaken zou willen doen. Maar ik hoef aan niemand verantwoording af te leggen. Ik bepaal zelf wat ik wel of niet doe, maar alles wat ik doe kan ik voor mezelf verantwoorden. Ik vind het ook absurd dat Rem Koolhaas zich gaat verdedigen dat hij een gebouw ontwerpt voor de Chinese staatstelevisie. Architecten bouwen per definitie voor de machthebbers, want die hebben het geld, maar ze moeten heel erg uitkijken om hun werk te laten ideologiseren. Een gebouw is niet fout, bakstenen zijn niet fout. Elke architect moet voor zichzelf de grens trekken wat hij wel of niet wil bouwen. Daar heeft verder niemand iets mee te maken. Ik vind het zo hypocriet om vanuit Nederland onze morele oordelen ongegeneerd op te leggen aan anderen. Ook wordt onze transparante en open samenleving altijd geroemd, maar mijn eigen ervaringen zijn inmiddels heel anders.”

U hebt het een beetje gehad met Nederland.

„Dat zeg ik niet, maar als je veel in het buitenland werkt, ga je anders kijken naar de voorsprong die Nederland op tal van terreinen heeft. Het feit dat hier alles goed geregeld is, leidt niet per definitie tot een betere samenleving. Toch zal ik Nederland nooit de rug toekeren, maar er moet natuurlijk wel iets veranderen, willen we voorop blijven lopen in de wereld. Misschien moeten we eens ophouden met zo tevreden te zijn met onszelf. Door die zelfverheerlijking verdwijnt alle dynamiek uit de samenleving. Misschien moeten we gewoon heel erg ons best gaan doen om de Olympische Spelen van 2028 binnen te halen, omdat die voor het broodnodige elan zouden kunnen zorgen. Ook gaan we dan misschien wat kritischer naar onszelf kijken. Maar als ik het zo beluister is de stemming in het land nu al: waarom zouden we dat moeten willen? Nou zeg, als je als land zelfs niet meer de Olympische Spelen wilt organiseren...”

Deel dit artikel