Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Er zit een gat in het koninkrijk

Home

HANS GOSLINGA

Nog maar koud waren de zorgelijke woorden die Kamervoorzitter Bukman maandag tegenover de parlementaire pers sprak over het gebrek aan democratische controle in Europa bestorven, of daar openbaarde zich onder zijn neus het democratisch gat in eigen huis.

In Europa is er wel een parlement, maar geen regering. In het koninkrijk der Nederlanden is er wel een koninkrijksregering maar geen koninkrijksparlement dat ministers ter verantwoording kan roepen. Zo kon het deze week gebeuren dat de voorzitter van het Antilliaanse parlement, de flamboyante Lucille George-Wout, minister van buitenlandse zaken Van Mierlo ervan beschuldigde dat hij in de rijstkwestie de Antillen heeft belazerd (letterlijk het woord dat ze in een radio-interview gebruikte) en het vervolgens oorverdovend stil bleef.

In Nederland zou in een vergelijkbaar geval het huis te klein zijn geweest. Een minister van wie wordt vermoed dat hij de kluit belazert, wordt terstond in de Tweede Kamer op het matje geroepen. Dat gebeurt trouwens al in zaken waarvan de lading heel wat lichter is, zoals dezelfde Van Mierlo deze week ondervond. Nu bestond in de rijstkwestie de parlementaire actie slechts uit het verzenden van een brief aan de voorzitter van de rijksministerraad, premier Kok. De parlementsvoorzitters van de Antillen en Aruba vragen daarin, samen met voorzitter Van Rooy van de Kamercommissie voor koninkrijkszaken, om opheldering over de gang van zaken. Had Van Mierlo in Europa tegen de afspraken met de Antillianen in gehandeld?

Die brief lijkt heel wat, maar mocht een van de afzenders de antwoorden straks onbevredigend vinden, dan ontbreekt de mogelijkheid om in een gezamenlijk debat de premier nader aan de tand te voelen. De Tweede Kamer kan overigens wel in haar vergadering de Antilliaanse statenleden het woord laten voeren (dat is al eens eerder gebeurd), maar stemrecht hebben zij niet. George-Wout kan als een tijgerin grommen, in Den Haag is zij een tijgerin zonder tanden.

Het Kamerlid Van Oven (PvdA) heeft het afgelopen najaar in de Kamer met verve gepleit voor een koninkrijksparlement. Dat zou het beleid moeten controleren in de zaken die onder de verantwoordelijkheid van de koninkrijksregring vallen. Dat zijn formeel alleen de buitenlandse betrekkingen en de externe defensie. Van die suggestie is sindsdien niets meer vernomen. De fractieleiders van de vier grote partijen zagen er kennelijk weinig in, want op hun reis door de West hebben ze er met Antilliaanse politici niet over gesproken. Mogelijk dat de suggestie nog terugkeert in een notitie die de Kamer aan minister Voorhoeve (koninkrijkszaken) heeft gevraagd over de toekomst van de relatie met de Antillen en Aruba.

Een visie daarop is dringend nodig, ook met het oog op de wijze waarop Den Haag de overzeese zaken behartigt. Dat gaat nu niet echt bevredigend. Voorhoeve is er tijdens de rit achter gekomen dat het niet meer mogelijk is deze portefeuille 'er met de pink bij te doen', zoals zijn verre voorganger Jan de Koning in de jaren tachtig deed. Als noodgreep heeft hij een gemachtigde aangesteld, maar in de formatie moet over een bestendiger oplossing worden besloten. Die oplossing kan natuurlijk niet los staan van de soort relatie tussen de drie koninkrijkslanden.

Formeel zijn de landen nu zelfstandig en gelijkwaardig, maar in werkelijkheid is er door de kanteling van het perspectief nogal wat veranderd. In de jaren tachtig was dat perspectief nog volledige onafhankelijkheid, sinds enkele jaren is duidelijk dat Aruba en de Antillen binnen het koninkrijk willen blijven. Dat heeft de houding van Nederland wezenlijk gewijzigd. Den Haag zei: prima, maar koppelde aan die wens harde voorwaarden, ook in zaken waarin de overzeese landen volgens het statuut autonoom zijn, zoals rechtshandhaving en financieel-economisch beleid.

Alleen daarom al is een herziening van het statuut gewenst, maar het kabinet is daar niet zo happig op. Het maakt op dit moment handig gebruik van een sluipweg om zijn bemoeienis met het politie- en justitiebeleid (Aruba) en het saneringsbeleid (de Antillen) te legitimeren. Die sluipweg is gevonden in de bepaling van het statuut, die van de koninkrijksregering verlangt de burgerlijke rechten en vrijheden en de deugdelijkheid van het bestuur in alledrie de landen te waarborgen. In het vooruitzicht van onafhankelijkheid was die bepaling een dode letter, maar zij is nu in Den Haag tot leven gewekt om in te grijpen.

Het is de vraag of dat kan zonder een fundamenteel debat over de grondslagen van de onderlinge relatie. Hier behoort toch de koninklijke weg te worden bewandeld. Nu heeft het er veel weg dat Den Haag een beetje stiekem gebruik maakt van een achterdeurtje, waarvan tot voor kort niemand het bestaan nog wist.

Het is duidelijk dat in de nieuwe verhoudingen van de autonomie van de overzeese landen niet veel meer overblijft. Tegelijk is duidelijk dat een grotere armslag van de koninkrijksregering het al bestaande democratisch gat in het koninkrijk verder vergroot. Het instellen van een koninkrijksparlement kan daarop een antwoord zijn. Dat zou niet alleen democratische controle mogelijk maken, maar ook de onderlinge communicatie kunnen verbeteren. In de rijstkwestie is opnieuw gebleken dat het daaraan nogal schort, zoals staatssecretaris van buitenlandse zaken Patijn gisteren ook toegaf. Eerder was dat ook het geval in de kwestie-Aruba, waarin de spanning zo hoog opliep dat minister Voorhoeve halsoverkop in een militair toestel naar Oranjestad moest vliegen om te sussen.

Tenslotte levert een koninkrijksparlement praktische lessen in democratie op. Het is dan niet meer nodig dat Nederlandse fractieleiders, zoals zij tijdens hun bezoek aan Aruba vol overgave deden, uitleggen hoe dat stelsel, althans in Holland, werkt.

Een andere mogelijkheid, de laatste maanden ook al eens geopperd in Den Haag, is van de Antillen en Aruba een soort provincies te maken, vergelijkbaar met de status van departement outre-mèr die de Franse overzeese gebieden hebben. In het CDA deed deze mogelijkheid tot voor kort opgeld. Dat geeft in elk geval scherp aan dat in de Kamer voluit wordt onderkend dat de feitelijke en formele relatie steeds verder uit elkaar lopen.

Was het niet Van Mierlo die enkele jaren geleden in deze krant de opvatting verkondigde, dat Nederland tegenover de West altijd onverschillig heeft gestaan, heel anders dan tegenover de Oost? In elk geval moeten Nederlandse politici oppassen over het democratisch gat in Europa te klagen, zolang zij willens en wetens ons eigen gat ongedicht laten.

Deel dit artikel