Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Er is wat met de mussen aan de hand

Home

HENK VAN HALM

Het gaat goed met de ooievaar, maar minder met de mussen. Op veel plaatsen, waar ze eens de allergewoonste vogels waren, zie je nu geen mussen meer. Een Amsterdamse lezeres signaleert dat zij op de perrons van Amstel- en Centraal Station nooit meer mussen ziet. Zij mist ze zelfs op caféterrassen en vraagt zich af of katten de schuld zijn of de steeds brutaler opererende eksters en meeuwen.

De achteruitgang van huismussen beperkt zich niet tot ons land. Ook bij onze ooster- en zuiderburen komen minder mussen voor dan vroeger. En daar hebben de eksters niets mee te maken, zegt Hans Peeters van Vogelbescherming. Die zijn trouwens de laatste vijf jaar flink in aantal afgenomen.

Ik ben het met hem eens. Hoewel de vele huiskatten bijna alle merelnesten in woonwijken uithalen, is de merel de algemeenste vogel van ons land geworden. Bijna elke stadstuin heeft zijn eigen merelpaar.

En de eksters en gaaien dan? Ook vroeger zag je kraaien, kauwen, eksters en torenvalken jagen op jonge huismussen, die op uitvliegen stonden en zich voortijdig onder de dakpannen vandaan waagden. Die 'predatie' beïnvloedde de aantallen mussen niet merkbaar.

SPERWER In onze straat vangt deze winter een sperwer dagelijks spreeuwen en mussen. Al twee keer sloeg hij er een vlak voor ons huis. Zo'n roofvogel zou een zwak mussenbestand de das om kunnen doen. Wat natuurlijk geen reden is om roofvogels te vervolgen. Ook sperwers hebben bestaansrecht.

De huismus is als typische cultuurvolger voor broedgelegenheid en voedsel strikt aan menselijke behuizingen gebonden. In een dichtbevolkt land als het onze moet hij dus wel heel talrijk zijn. Hans Peeters: “In 1978 werden 1,5 miljoen broedparen geteld. Bij de laatste telling vorig jaar bleek het aantal broedparen te zijn teruggelopen tot minder dan 700.000. En dat is alarmerend.” De achteruitgang is onopvallend gegaan. Tien jaar geleden zei een inwoner van Soest mij dat hij geen mussen meer zag. Het was voor het eerst dat ik iemand tegenkwam die op mussen lette. Hij dacht dat het kwam omdat er geen paarden meer op straat liepen en de mussen dus geen onverteerde haverkorrels uit de paardevijgen konden halen. Maar het is onwaarschijnlijk dat mussen uitsluitend van de door paarden uitgescheiden graankorreltjes zouden leven of een noodzakelijke band zouden hebben met paardenstallen, al maakt het gemorste voer het mussenleven makkelijker.

GRAANAKKERS Graan is wel belangrijk voor de net uitgevlogen jongen. Bij duizenden zwermden ze vroeger uit over het te velde staande koren, waar ze hun deel van opeisten. Maar graanakkers zijn er bijna niet meer. Maïs heeft te grote korrels voor huismussen en is bovendien veel later rijp dan tarwe en rogge. Het zou best eens kunnen dat veel jonge mussen in de zomer van honger sterven.

In de Atlas van de Nederlandse vogels (1987) heet de huismus 'een uiterst talrijke broedvogel'. En de tekst vervolgt: “Na afloop van het broedseizoen vliegen er in Nederland meer Huismussen rond dan er mensen zijn: 15-20 miljoen. Een groot deel daarvan legt het loodje in de winter.”

Inderdaad is geconstateerd dat strenge winters rampzalige gevolgen kunnen hebben voor het huismussenbestand. Stuifsneeuw maakt voedsel onbereikbaar en beschutte slaapplaatsen in klimop of onder dakpannen kunnen ondersneeuwen. Achteruitgang door een strenge winter is vastgesteld in 1978/1979, maar doorgaans herstelt een populatie zich snel in de volgende jaren.

ONDERDAK De achteruitgang moet in deze warme periode zeker niet op strenge winters worden geschoven. Eerder is het een tekort aan broedgelegenheid. Huismussen nestelen bij voorkeur onder de dakpannen. In nieuwbouwwijken zijn de daken ongeschikt voor mussennesten, hoor ik iemand zeggen. Maar dat verklaart niet waarom de mussen ook achteruit gaan waar de huizen gewone pannendaken en flinke tuinen hebben, zoals in Soest.

“Toch is het vooral het gebrek aan nestgelegenheid”, zegt Hans Peeters. “Als woningen bij renovatie of nieuwbouw al gewone pannendaken krijgen, worden die ontoegankelijk gemaakt voor nestelende vogels. Daar zijn vooral mussen de dupe van. Op de onderste pannenlat worden speciale schroten gespijkerd of er wordt gaas aangebracht, waardoor de vogels niet meer onder de pannen kunnen komen. Op de daken van veel nieuwbouw liggen de platte sneldakpannen, waar geen mus onder kan nestelen.”

Hans heeft de hele straat meegekregen om het gaas onder de pannen te verwijderen. “Nu hebben we een vaste populatie van zo'n twintig mussen in de buurt.”

VAST CLUBJE Onze buurt mag ook niet mopperen. Ik zie niet elke dag mussen in onze tuin, maar wel op de wandelingen met Joris. Een tiental vormt een vast clubje in de sneeuwbessen, die ook het winterverblijf zijn van groenlingen, die de pitten eten. Een paar honderd meter verder zitten er nog meer midden in een dertig jaar oude buurt. In het voorjaar verspreiden ze zich over de hele wijk en slieren ze kibbelend en ruziënd door de tuinen.

Soms nestelen huismussen in bomen, waar ze een mooi ronde koepel bouwen met een ingang opzij, zoals je mag verwachten van een lid van de wevervogelfamilie. Maar dat doen ze alleen waar veel voedsel is en geen pannendak. Ik zag het op druk bezochte picknickplaatsen in het Amsterdamse Bos. Onder de pannen gaan ze minder netjes te werk, wat voor sommigen reden is ze van hun dak te weren.

Mussen accepteren graag houten nestkasten van het normale model en met een vlieggat van drie en een halve centimeter doorsnee. Ook kunnen dezelfde maatregelen worden genomen als voor gierzwaluwen om mussen in probleemgebieden onderdak te geven: neststenen in spouwmuren inmetselen en gierzwaluwdakpannen op daken aanbrengen.

GIERZWALUWEN Er is trouwens een verband tussen huismussen en gierzwaluwen. Gierzwaluwen confisqueren vaak mussennesten. De mussen zijn kwartiermakers voor deze zomerse schreeuwers, die zelf geen nestmateriaal bijeen brengen, maar in dank het werk van de mussen aanvaarden. De achteruitgang van mussen kan dus van invloed zijn op het voorkomen van gierzwaluwen, die overigens van de nestplek ook nog eisen dat zij vrij in en uit kunnen vliegen.

“Moeten we ons ongerust maken over de achteruitgang van mussen?” vraagt mijn buurman. In het algemeen niet, want het is geen teken van een verslechterend milieu. Maar ik moet er niet aan denken het lome getjilp op een hete zomermiddag en het kibbelen op een frisse lentedag te moeten missen.

NATUUR DEZE WEEK

De zachte winter heeft amfibieën als padden, salamanders en kikkers te vroeg uit hun winterslaap gewekt. Ruim een maand eerder dan normaal gaan ze bij duizenden op pad om zich voort te planten in vennen en slootjes. Natuurbeschermers zijn hals over kop in actie gekomen om de paddentrek te begeleiden. ù In Zeeland bloeit het klein hoefblad en velden van krokussen brengen het voorjaar in de grote steden. ù De bloemknoppen van de gele narcissen zijn al te zien. ù Langs sloten en vaarten en in de broekbossen bloeien de inheemse elzen met lange slappe meeldraadkatjes en kleine purperen stamperkatjes. In laagveengebieden zijn het gewoonlijk zwarte elzen, de meest algemene soort. De grauwe of witte els komt vooral voor in het rivierengebied. ù Een week geleden liep een dikke aardhommelkoningin, net uit de winterslaap ontwaakt, verdwaasd rond op het plein voor de Amsterdamse Stopera. ù In de winter verblijven veel zilvermeeuwen in de steden, waar in de grachten en de havens altijd iets eetbaars te vinden is. Mannetjes en vrouwtjes roepen elkaar op zonnige winterdagen met een juichend 'kliauw'. ù Een gaai in de tuin laat horen dat kraaiachtigen tot de zangvogels behoren: hij kokkelt en kweelt, imiteert het miauwen van de kat en de roep van de grote bonte specht, die nog elke dag op de voedertafel komt. ù Scholeksters zijn vogels van de kust, die broeden in de duinen en op strandvlakten en kwelders. Tientallen jaren geleden hebben de zwart met witte vogels met rode snavel en dito poten ook de weide als broedgebied ontdekt. In het winterhalfjaar verblijven ze aan het strand en hebben ze een karakteristiek wit bandje onder de kin, dat in de broedtijd verdwijnt. Ze zijn weer terug in de weilanden, wat ze luidkeels laten horen. Vaak staan ze gezamenlijk te te-pieten, wat te maken heeft met de paarvorming en met de verdeling van de territoria.

Deel dit artikel