Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Enquist kijkt terug op haar vriendschap met dichter Gerrit Kouwenaar

Home

Janita Monna

© rv

Anna Enquist blikt terug op haar vriendschap met Gerrit Kouwenaar

'Nu zit ik tegenover de literatuurgeschiedenis.' Die woorden flitsten door mijn hoofd toen ik jaren geleden bij Gerrit Kouwenaar in zijn woonkamer zat. Het was rond de verschijning van 'het bezit van een ruïne', Gedichtendag 2005. Kouwenaar had voor dat bundeltje tien nieuwe gedichten geschreven en we hadden een kleine signeertournee langs boekhandels gemaakt. De rijen voor een handtekening waren lang.

Lees verder na de advertentie

Na het laatste boekhandelsbezoek bracht ik hem naar huis. Hij nodigde me uit voor een glas wijn. We zaten in de kamer en kletsten. Of eigenlijk, Kouwenaar praatte en ik luisterde. Toen ik later op de avond probeerde op te staan, kwam ik nauwelijks omhoog. Dat kwam niet door de wijn, maar door de diepe, ongemakkelijke stoelen.

Die stoelen. Ze komen in 'Een tuin in de winter' vaker dan eens terug. 'Ellendefauteuils' waren het, vond Anna Enquist. Zij en haar man waren goed bevriend met het echtpaar Gerrit en Paula Kouwenaar. Ze brachten zomers door in het huis van de Kouwenaars in Frankrijk, de beide dichters gingen samen op tournee, en er waren vele avonden met wijn en sigaretten in Kouwenaars huis in Amsterdam. Meermaals zat ze daar, 'opgevouwen' in de onmogelijke stoelen. Maar Enquists pogingen om Kouwenaar over te halen nieuwe te kopen waren vergeefs. "Het aanschaffen van stoelen is er nooit van gekomen. Alles in huis moest blijven zoals het was geweest. Het zou ontrouw aan het leven met Paula betekenen als hij die ellendige, totaal versleten fauteuils bij het grofvuil zou zetten."

Optekenen moest, zo schrijft Enquist, haar vriend mocht niet vergeten worden.

In 'Een tuin in de winter' tekende Anna Enquist haar herinneringen aan Gerrit Kouwenaar op. De beide dichters leerden elkaar kennen tijdens het Poetry International Festival, begin jaren negentig.

Lichamelijke gebreken

Enquist was net als dichter gedebuteerd, Kouwenaar had al literatuurgeschiedenis geschreven. Een terloops gesprekje over lichamelijke gebreken legde de kiem voor een vriendschap die meer dan twintig jaar zou duren. Tot Kouwenaars dood, in september 2014.

(tekst gaat verder onder afbeelding)

© rv

Optekenen moest, zo schrijft ze, haar vriend mocht niet vergeten worden. Het Gedichtendagbundeltje was zijn laatste publicatie. Er volgde nog een bloemlezing in 2008, 'Vallende stilte', samengesteld met René Puthaar, daarna trok hij zich meer en meer terug: de dichter die als een van de Vijftigers, samen met Lucebert, Campert, Elburg, kort na de Tweede Wereldoorlog vond dat het anders moest in de poëzie. Die het ook helemaal anders deed, met een volstrekt eigen vocabulaire, vol herkenbare - nooit uitgesleten - woorden als 'eten', 'brood', 'vlees', 'woord', 'men', waarmee hij in ieder gedicht opnieuw voor even de tijd wist stil te zetten.

Kouwenaar, die vond dat een gedicht zich verre van troost moest houden:

Als je je sleutel mist zoek eerst

in je eigen deurslot, als je dood moet

geef je plant nog wat water, klop niet

om regen uit het verlaagde plafond, maak het

gedichten moeten niet troosten, zeg ik

toch maar weer eens in wat nu echt af en toe

op een volwassen stilstand gaat lijken

Bernlef

Nog tot een paar jaar voor zijn dood zorgde dat begrip 'troost' voor felle discussies tussen de dichtersvrienden Kouwenaar, Enquist en Henk Bernlef. Enquist herinnert zich hoe een etentje bij Bernlef thuis uitliep op een fikse botsing der poëtica's naar aanleiding van Kouwenaars bundel 'totaal witte kamer '(2002). "'Jij hebt met die totaal witte kamer óók lezers getroost. Het is niet voor niets dat die bundel zoveel herdrukken kreeg.' Henk wees met een beschuldigende vinger recht in Gerrits gezicht. Gerrit sputterde. Zo verschillend van zijn vroegere werk was die bundel helemaal niet. We raakten steeds meer verhit en gingen tot diep in de nacht door over sentimenten die niet sentimenteel mochten worden, over toegankelijkheid en over die verboden troost."

De dag erna voelde Bernlef zich schuldig. Had hij Gerrit niet te hard aangevallen? Integendeel, zo bleek, de felheid van de discussie was voor Kouwenaar een teken dat hij nog telde als dichter.

Hij wilde gekend worden in zijn dichterschap en het deed hem pijn als dat het verplegend en verzorgend personeel niets zei.

'Totaal witte kamer' is een van de indrukwekkendste bundels uit zijn oeuvre, het verlies van zijn vrouw in taal gesublimeerd. Kouwenaar kreeg er de VSB Poëzieprijs voor. Zijn poëzie drukte een belangrijk stempel op de Nederlandse dichtkunst, hij ontving de P.C. Hooftprijs, de Prijs der Nederlandse Letteren, toch bleef hij zoeken naar bevestiging.

Pijnlijk was het om tegen het einde van zijn leven als 'gewone patiënt' in een ziekenhuisbed te liggen, zo beschrijft Enquist: "'Ze weten hier niet wie ik ben', zei hij toen hij een keer in het ziekenhuis lag. Hij keek me aan met grote ogen achter zijn bril, zonder glimlach. Hij wilde gekend worden in zijn dichterschap en het deed hem pijn als dat het verplegend en verzorgend personeel niets zei.'"

Mantelzorger

Enquist was Kouwenaars steun en toeverlaat, vriendin en mantelzorger. Ze regelde ziekenhuisafspraken, zorgde dat de 'pillenbakjes' gevuld werden als de 'pillenjongens' eens niet waren geweest, was een luisterend oor als Gerrit modderde met zijn gebit. Veel vrienden waren weggevallen, doordat ze overleden, of doordat Kouwenaar zelf niet altijd even handig was in vriendschap. Met Remco Campert en zijn vrouw Deborah was het tot een breuk gekomen na het overlijden van Paula, in 2000.

Dat hij in de laatste jaren nauwelijks nog schreef, zat hem dwars, vermoedt Enquist. Want al was het niet de lezer die getroost hoefde worden, het was de dichter die troost vond in het schrijven. Dat hij een groot dichter was, blijkt steeds opnieuw in de gedichten die Enquist losjes in haar herinneringen vervlecht.

De vrienden Kouwenaar en Campert bellen nog eenmaal, vlak voor Kouwenaars overlijden. Het is een aangrijpende scène in het boek. 'Wíj waren de besten!', zouden ze gniffelend tegen elkaar hebben gezegd. Ze hadden gelijk.

Oordeel: Aangrijpende scènes in de herinneringen van steun en toeverlaat

Anna Enquist, Een tuin in de winter. Herinneringen aan Gerrit Kouwenaar
Arbeiderspers; 168 blz. € 17,99

Deel dit artikel

Optekenen moest, zo schrijft Enquist, haar vriend mocht niet vergeten worden.

Hij wilde gekend worden in zijn dichterschap en het deed hem pijn als dat het verplegend en verzorgend personeel niets zei.