Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Engelenbrood en dagelijks brood: 150 Psalmen en 491 Gezangen

Home

PETER SIERKSMA

Nijhoff overleed in 1953, ruim twintig jaar voor de verschijning van de complete bundel. Zijn rol lijkt voor het oog zeer bescheiden met de zeven psalmen die hij bewerkte, maar zijn invloed mag niet worden onderschat. Ad den Besten, een van dichters die nauw betrokken waren bij psalmvertaling en liedtekst-selectie, zei daarover in een terugblik bij gelegenheid van zijn 75-ste verjaardag:

“Wij voelden ons aanvankelijk veel te veel dichter om ons met iets ambachtelijks als het vertalen van de Psalmen bezig te houden. Dat was eigenlijk een beetje beneden onze stand. Maar toen wij merkten dat Nijhoff wel meedeed, ja, wie waren wij toen nog om te weigeren? Alleen het idee al dat Nijhoff zich wijdde aan dat 'nederige' werk van de psalmberijming, want daar ging het aanvankelijk om, gaf ons dat te denken. Toen konden wij niet langer achterblijven.”

Willem Barnard, een ander lid van de groep die zich betitelde als 'Het Landvolk', herinnert zich dezelfde aarzeling, al legt hij meer de nadruk op het gebrek aan de noodzakelijke ambachtelijke kwaliteiten.

“Wij hadden geen ervaring, geen verstand van renaissancistische strofen en dachten: 'Dat kunnen wij niet. Dat is iets van en voor een vorige generatie.' Maar al snel kregen we ondanks deze bezwaren een brief van de Hervormde Commissie Psalmberijming of wij, Jan Wit en ik, toch niet even langs wilden komen.”

“En zo togen Jan Wit en ik op een zomerdag in 1951 naar de Carnegielaan in Den Haag, vlak in de buurt van het Vredespaleis. We werden ontvangen en wie zat daar tot onze grote verbazing ook achter de tafel? Nijhoff. Ik herinner me nog dat Nijhoff op een gegeven moment zei dat het berijmen van psalmen niet eenvoudig was.

Dat het van de dichter vereiste dat hij zijn jas uittrok en met opgestroopte hemdsmouwen verder ging.''

“In 1952 zijn we toen echt begonnen. Een van de eerste herinneringen die ik bewaar, is Nijhoffs komst naar Nijmegen. Daar, in de studeerkamer van Jan Wit - die er, blind als hij was, altijd een bijna kinderlijk genoegen aan beleefde zijn gasten te wijzen op het prachtige uitzicht over de Waal - hebben we met z'n drieën Psalm 16 berijmd. Ik herinner me nog dat we spraken over het woordje 'landouwen' uit vers één. 'Gij deelt mij toe zo lieflijke landouwen/ dat mijn hart in mij opspringt bij 't aanschouwen.'

Nijhoff dus. Al leefde hij, zoals hij het zelf noemde 'in concubinaat' en was hij kerkelijk niet actief, voor professor K.H. Miskotte was dat geen punt. Nijhoff was de aangewezen figuur om het voortouw te nemen. En zo geschiedde. Hij was het die de toon zette van een Psalmberijming waarin de gezwollen taal van de berijming van 1773 herzien en vervangen werd door een eenvoudiger taal.

Een taal, die dichterbij de spreektaal van het volk stond en tegelijkertijd teruggreep naar de oorspronkelijke taal van de Heilige Schrift. Want daar was nogal van afgeweken in de loop van de tijd. Zo veel zelfs dat de gelovigen in de negentiende en twintigste eeuw er geen idee van hadden dat er in de grondtekst helemaal geen sprake was van hijgende herten die aan de jacht waren ontkomen, maar gewoon van vermoeide hinden die veel dorst hadden.

Bovendien zocht Nijhoff naar een taal, die het in de achttiende eeuw verloren gegane ritme van de oude psalmmelodieën en -strofen moest herstellen. Dat klinkt, zeker nu, vanzelfsprekend, maar dat was het niet. De invloed van dichter-vertalers als Petrus Datheen (1530-1588) wiens regels volgens Barnard in zijn essay 'Nijhoff en de Psalmen' (1953) 'als watergeuzen over alle metrische valkuilen heenstampten', had hier flinke sporen nagelaten.

Sinds de eerste initiatieven in de herfst van 1943 ontplooid werden, duurde het nog tot 1956 voordat alle kerkelijke bezwaren waren weggewerkt tegen de gedachte dat niet-theologen of kerkhistorici maar dichters de Psalmen naar hun hand mochten zetten. Het duurde zo lang omdat de hervormde 'Commissie voor de psalmberijming' zich vrijwel meteen inzette om die nieuwe berijming over de grenzen van de bestaande kerken heen te tillen.

Juist dat interkerkelijk overleg heeft de komst van de eerste dichters aanvankelijk sterk vertraagd. Met name de Gereformeerde Kerken uitten hun twijfels. Hun synode zag er aan het eind van de jaren veertig meer heil in om het, overigens ook in hervormde kring opgevatte plan uit te voeren om de psalmberijming uit 1936 van kerklied-kenner dominee Hasper te herzien. Hasper zelf moest daarin een vooraanstaande rol spelen.

In zijn bijdrage aan de bundel 'Uit de werkplaats van het Liedboek', verschenen in 1974, refereerde Jan Willem Schulte Nordholt (1920-1995) hieraan. Hij gaf de secretaris van de commissie Henk Schroten de eer omdat hij alle betrokkenen overtuigde van de gedachte dat die nieuwe berijming 'alleen maar tot stand zou kunnen komen als er dichters bij betrokken werden' en men het ongetwijfeld goedbedoelde domineeswerk van leken (zoals Hasper) terzijde schoof.

Het leidde ertoe dat de voorzitter van de (inmiddels vierde) commissie, de al genoemde Miskotte, zowel de taalgeleerde en dichter Klaas Heeroma (als dichter bekend onder de naam Muus Jacobse) als Martinus Nijhoff over kon halen vanaf nu volop mee te doen. Waarmee de weg gebaand werd voor de jonge dichters Willem Barnard, Ad den Besten, Jan Willem Schulte Nordholt en Jan Wit, die het werk tussen 1953 en 1973 tijdens veel weekeinden in conferentieoord de Pietersberg bij Oosterbeek tot de laatste snik zouden voltooien.

Drie dichters die aanvankelijk ook bij de psalmberijming betrokken waren, haakten voortijdig af. In het begin de pas overleden Gerrit Kamphuis en Fedde Schurer. Later Wim van der Molen, misschien wel de kleurrijkste van het stel, de man die vooral geïnteresseerd was in de zogenaamde vloekpsalmen zoals Psalm 52 of 58 ('De mensen die zich van God keren, dwalen sinds zij geboren zijn'), omdat hij God nu eenmaal minder loven kon dan de anderen deden.

Vertrok Van der Molen net als Kamphuis, omdat hij het te druk kreeg met andere werkzaamheden, het vertrek van de Friese dichter en psalmberijmer Fedde Schurer (1898-1968) was pijnlijk.

Schurer had al naam gemaakt met een geheel eigen Friese psalmberijming, toen hij betrokken werd bij de nieuwe Nederlandse psalmberijming. Gezien zijn ervaring, was hij ook de eerste dichter wiens proeven door de commissie gelezen werden. Met de komst van Nijhoff in 1952 echter, verbleekte zijn ster snel en voelde Schurer zich even zo snel buiten spel gezet. Het aanvankelijke enthousiasme dat de commissie toonde voor zijn proeven nam af en verplaatste zich naar 'die andere mogelijkheid': Nijhoff.

Schroten schreef in zijn herinnering voor 'Uit de werkplaats van het Liedboek': “Blijkbaar heeft ook Schurer het zo aangevoeld. Na enige tijd sprak hij het openlijk uit in een vergadering: 'Ik voel, dat de aanpak en werkwijze een wending heeft genomen, die ik niet meer kan meemaken. Misschien beter, de commissie moet dat zelf beoordelen. Maar als het deze richting uitgaat, zou ik vrijwel al mijn proeven moeten omwerken. En daar heb ik geen tijd voor.' Hoewel Schurer en de commissieleden volgens Schroten als goede vrienden uit elkaar gingen, is Schurer deze teleurstelling nooit te boven gekomen.

In zijn autobiografie liet hij vol rancune merken dat hij zich buitengesloten voelde. Er was meer aan de hand dan Schulte Nordholt suggereerde, namelijk dat Schurer meende dat het om werk in teamverband zou gaan en dat hij daar als individualist tegen was. Schurer voelde zich gewoon opzij gezet door een stel jonge, academisch geschoolde titaantjes uit de Randstad. Daar, zo zette hij zich in zijn hoofd, was geen plaats voor een onderwijzer uit Drachten. Het is een persoonlijke tragedie binnen de geschiedenis van de totstandkoming van het Liedboek, een dissonant temidden van verhoogde tonen. Psalm 13 temidden van 149 anderen.

'De psalmen zijn engelenbrood voor ons gestrooid', schreef Barnard in zijn essay 'Cantate Domino canticum novum' (1963). Maar, voegde hij er meteen aan toe, 'onze liederen zijn ons dagelijks brood, gegroeid op onze akker, geoogst en toebereid, uit handen van boer en bakker ontvangen en te berde gebracht op de Avondmaalstafel, om uitgedeeld te worden.' En uitgedeeld is er.

Toen de Psalmen eind 1959 voltooid waren, kon op 31 december de hervormde Commissie voor de psalmberijming worden opgeheven en kon 'het landvolk' zich op de Pietersberg verder uitsluitend wijden aan de selectie en bewerking van de liederen en gezangen.

Wat die gezangen betreft. Daarvoor was in 1952 al een speciale (hervormde) commissie in het leven geroepen onder leiding van de predikant en hoogleraar Evert Smelik. Zijn opdracht luidde om te bekijken in hoeverre de 29 gezangen uit 1938 gehandhaafd of vervangen dienden te worden. In 1954 werd de opdracht verruimd en gekeken welke oude en nieuwe liedteksten een plaats 'waard' waren in de nieuw op te zetten bundel.

Het moet een onmetelijk werk geweest zijn. Want wat moet je kiezen uit die berg vol liederen van alle plaatsen en tijden? En wat niet? Het einde leek zoek, vooral ook omdat niet alleen de calvinistische (hervormde of gereformeerde) traditie in het geding kwam, maar ook die van de Lutherse kerk, de Remonstranten, de Doopsgezinden, de Evangelische Broedergemeente en van de Nederlandse Protestantenbond.

Om de verschillende gemeenten een indruk van de reikwijdte en veelzijdigheid van het nieuwe lied te geven, stelde de begeleidende commissie in 1964 een proefbundeltje samen met 102 Gezangen. Het was een begin, want er bleven minstens 2000 (!) liederen en hymnen over, vanaf de vroegste dagen van het (Europese) christendom, gevolgd door die uit de middeleeuwen en de renaissance. Daarna kwam de Duits-lutherse, Engels-anglicaanse, de Frans-calvinistische en de eigen Nederlandse traditie.

De Liedboek-redactie zat in 1965 met een keuze van 713 liederen. Dat wordt dan wel een héél dik gezangenboek, oordeelde de Generale Synode van de Nederlandse Hervormde Kerk. Te dik. Na weer enkele rondes van keuren en schrappen (waarbij zelfs de diverse regionale besturen, de classes, werden ingeschakeld) bleven er 450 over. Het werden er uiteindelijk toch 491. Van nummer 1 'God heeft het eerste woord' tot het laatste dat, ironisch, begint met de regel 'Gij zijt voorbijgegaan'.

Over smaak valt te twisten en juist, zo heeft de geschiedenis wel uitgewezen, over religieuze smaak. De orthodoxe christen zal nog steeds moeite hebben met het oeucumenisch, spiritueel gehalte van het beperkte aantal teksten van Huub Oosterhuis en de kaken op elkaar houden bij het zingen van de vele Engelse en Duitse piëtistische liederen die onder invloed van met name Den Besten en Schulte Nordholt werden opgenomen. De vrijzinnige daarentegen zal nog steeds gruwen bij het aanhoren van ouderwetse strijdliederen als 'Eens als de bazuinen klinken'. En zo zal het altijd blijven, ook als er in 2000 een nieuw gezangenboek zou komen. Schulte Nordholt formuleerde het al: 'Elk liedboek is maar een mensenboek, een benadering van het onuitsprekelijke.'

Favorieten uit het Liedboek van

Louis van Dijk, pianist, componist (ook van kerkelijke liederen): “Kan ik meteen noemen,” luidt de reactie, waarna Van Dijk de telefoon neerlegt en zijn favoriet gezang onmiddellijk geheel op de piano voorspeelt, aan het eind uitroepend: gezang 439. 'Hoe glanst bij Gods kindren het innerlijk leven'. “Zo'n waanzinnig mooie melodie, verrukkelijk. Ik heb ooit een plaat gemaakt met instrumentale bewerkingen van dergelijke nummmers uit het Liedboek. Het zijn de gezangen die nogal achterin zitten, veel Engelse romantiek is er bij.

Denk aan dat lied van de zeemannen, nr 467 'O eeuwge Vader, sterk in macht'. Daar kun je harmonisch zo heerlijk mee stoeien. Mijn minst favoriete gezang? Moeilijk. Het Liedboek is destijds goed geredigeerd. Vroeger zongen we 'De dorre vlakte der woestijnen zal zich verblijden eindeloos'; dat was een slechte, maar die is er niet in gekomen.''

Jan van der Graaf, oud-leraar natuurkunde, algemeen secretaris (full time) van de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. “Gezang 399 'Wij loven U, o God, belijden U als Heer'. Ik kan het ook niet helpen dat het op de melodie van een psalm is, maar het gaat mij om de inhoud. Naar het 'Te Deum'. Ik las de tekst voor het eerst in mijn studententijd, veertig jaar geleden, in het boek 'Religie en politiek' van prof. A. A. van Ruler.

Van Ruler was theocraat, dat ben ik ook. Zoals het vier-de vers zingt: 'U, Christus, onze Heer, bekleed met majesteit'. De Christusheerschappij. Ik beleefde dat destijds heel existentieel in het kader van dat boek. Enkele jaren geleden was ik met een groep in het baptisterium van Augustinus in Milaan; toen hebben we dit lied gezongen, een onvergetelijke ervaring.''

“Het Liedboek speelt geen rol in de gemeente waar ik kerk. Wij zingen grosso modo alleen psalmen, in oude berijming. Maar ik kom ook op allerlei plekken waar wel uit het Liedboek wordt gezongen. Ik leef met de psalmen, maar ik zing dan van harte mee uit de schat van het kerklied. Er zijn liederen bij die ik niet begrijp. Bijvoorbeeld 116 'Daar komt een schip geladen tot aan het hoogste boord'.

Wat een vreemde beelden worden er gebruikt. In het tweede vers: 'het zeil, dat is de liefde, de Heil'ge Geest de mast'. Daar kan ik me niets bij voorstellen. De H. Geest als mast? Wind in de zeilen, dat wel. Qua melodie vind ik het ook niet mooi.''

Jos Brink, theatermaker; heeft doop- en preekconsent als remonstrants predikant, gaat voor in kerken van uiteenlopende signatuur; een van de vaste voorgangers in de katholieke basisgemeente De Duif Amsterdam. “Gezang 463 'O Heer die onze Vader zijt'. Prachtige melodie. Wordt altijd heerlijk meegezongen. Het lied werkt goed als koppeling tussen gebed en lezing. Neen, we zingen dit niet in De Duif. Daar zingen we alleen Oosterhuis. In dat repertoire heb ik absolute favorieten. 'Vroeg in de morgen'. Práchtig, práchtig. Dat mogen ze zo op mijn begrafenis zingen. Een Liedboek vol met Oosterhuis? Ik zou het een toe te juichen idee vinden om de liederen van Huub in een aanhangsel er bij te geven.”

“Wat ik een heel lelijk liedje vind: 222.

'Jezus is ons licht en leven!'. Qua tekst een onding. 'Hij die, aan het kruis geheven, met zijn bloed ons heeft gekocht, heeft nu vorstlijk overmocht'. Dan ben ik al weg. De erop volgende regels zouden ook kunnen zijn: 'en blijf eeuwig als voorheen, uw getrouwe Prikkebeen'. Waarom wordt zo'n tekst afgedrukt?''

Jan Greven, oud-hoofdredacteur van Trouw, gereformeerd theoloog, parttime voorganger in protestantse diensten. “Het mooiste: 'Heer, herinner U de namen', nummer 273. Een van de weinige liederen in het Liedboek van een katholiek. Een tekst die aan Allerzielen doet denken. Een lied dat een nieuwe impuls heeft gegeven in de protestantse liturgie in verband met de herinnering van gestorvenen. Dat is bij ons geen traditie.”

“Niet favoriet: er zijn liederen die nooit gekozen worden omdat de melodie te moeilijk is. Melodieën van Tera de Marez Oyens zijn op zich best mooi, maar heel moeilijk om te zingen. Ik geef zulke liederen wel eens op, maar de kerk brengt er niets van terecht. Vaak is er geen cantorij om zo'n lied voor te zingen. Of liederen werden destijds opgenomen omdat ze de tijd weerspiegelen waarin ze ontstonden, maar nu niet meer gekozen worden. Dat is eigenlijk een pleidooi voor een losbladig liedboek.”

Nico ter Linden, hervormd predikant, hertaler van de Bijbel getiteld 'Het verhaal gaat...'. “Zeer dierbaar is mij gezang 395 'O Heer, verberg U niet voor mij, wanneer ik mij verberg voor U'. Muus Jacobse schreef het toen hij, met de andere psalmberijmers op de Pietersberg in Oosterbeek zoals hij later noteerde: 'de gehele dag vrome woorden had samengerijmd. Ik voelde mij 's avonds op mijn kamer voor het slapengaan beschaamd en ver van God. Woorden, woorden, en ik had elf geen woorden meer om tegen God te zeggen.'

Die avond schreef hij dit lied en de volgende morgen las hij het aan zijn vrienden voor. 'Doe het er maar bij', zeiden ze. Tegenstrijdige gevoelens worden in dit lied prachtig verwoord. Speciaal voor dichters en dominees die steeds in de verzoeking zijn zich in hun woorden te vermommen, is het een inspirerend gebed.''

“Het slechtste lied? Er zijn liederen die je prachtig zou kunnen zingen als er niet van die onzingbare melodieën waren bijgeleverd. Gezang 92 bijvoorbeeld 'Al kon ik alle talen spreken'. Wanneer die liederen óók nog eens aan een bepaalde bijbellezing of zondag vastzitten, is het helemáál onmogelijk ze te leren.”

Wonno Bleij, evangelisch-luthers predikant te Amstelveen. “Gezang 223, 'De aarde is vervuld van goedertierenheid'. Met kop en schouders steekt dat er boven uit. Om de tekst, vooral vers 2: 'Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen, zij gaat in alle nood door heel het leven heen.' Daar draait het om. En de melodie is schitterend, eenvoudig maar diepzinnig. Van Frits Mehrtens, ja. Ik verbaas me er de laatste jaren steeds meer over hoe knappe melodieën Mehrtens gemaakt heeft. Gezang 173, als ik er nòg een mag noemen: 'Alles wat over ons geschreven staat'. Het eerste brede akkoord is meteen raak. Ook op tekst van Willem Barnard.”

Het minst favoriet? Een echte lelijkerd vind ik er eigenlijk niet bij zitten. Gezang 88, 'Mijn God, gewapend tot de tanden voeren twee mannen in mij strijd' vind ik niet sterk. Sommige gezangen hebben geen logica; daar kun je noten bijplakken of weghalen. Bij Mehrtens is dat niet zo. De ruimte waarin je zingt, telt ook mee.''

Willem Barnard, dichter; droeg 76 teksten aan het Liedboek bij. “Favoriet voor mij is gezang 290 'Er is een land van louter licht', de vertaling door J. W. Schulte Nordholt van 'There is a land of pure delight' van Isaac Watts. Wat boeit mij zo in die tekst? Dat het één en al beeldspraak is, geen uitstorting van gevoel, geen uitstalling van inzichten. Uitzicht is het. Letterlijk: Watts stond op de kade bij Southampton en keek uit overzee. Het was donker, maar in de verte scheen de zon op de krijtrotsen van het eiland Wight”.

“In een soort 'overblending' voegden zich toen voor hem panorama en bijbelverhaal ineen: Zo stond ook Mozes uit te kijken en zag het beloofde land en zo was het Johannes die vanaf Patmos overzee het nieuwe Jeruzalem zag schitteren. Het aloude beeldverhaal (waarvoor ik alle pathos en alle redenering laat varen), de klassieke metafoor, werd zo voor de 18e-eeuwse dichter én voor de 20e/ 21e-eeuwse gemeente weer levend. Poëzie en theologie in symbiose. Niet alleen daarom houd ik zo van dit lied. Maar wel voornamelijk daarom. Het realiseert wat ik altijd heb nagestreefd.”

Arie van der Veer, chr.-geref. predikant, voorzitter van de Evangelische Omroep. “Ik ben zeer zanglustig. Voor mij is nummer 487 favoriet 'De Heer heeft mij gezien en onverwacht ben ik opnieuw geboren en getogen'. Er spreekt uit de tekst van Huub Oosterhuis iets wat ik heel belangrijk vind, namelijk de persoonlijke relatie tot God en de innerlijke verandering van een mens. Het is een mystiek lied over wat God in je leven doet. De melodie (- van Bernard Huijbers, net als Oosterhuis van rooms-katholieke komaf en ten tijde van de creatie beiden priester - red. -) is ook goed. Jammer dat het niet zo bekend is in evangelische kringen. Ik heb geen lied dat ik als 'niet-favoriet' betitel. Ik hoef in mijn werk niet alleen te kiezen uit het Liedboek; wij zingen ook uit bundels met opwekkingsliederen”.

Ria Borkent, dichteres, steeds meer van religieuze poëzie, gereformeerd vrijgemaakt. “Gezang 225 'Zingt voor de Heer een nieuw gezang' van Frits Mehrtens en Willem Barnard. Om het geheel van het lied. De tekst bevat mooie verwijzingen naar bijbelse plaatsen. Maar mijn favorieten liggen vooral buiten het Liedboek, in 'Zingend geloven', zoals nummer 5 in deel 5: 'Uw Woord omvat mijn leven' van Sytze de Vries en Willem Vogel. Wat ik niet geschikt vind: gezang 221 'Wees gegroet, gij eersteling der dagen'. Qua taal veel te ouderwets zoals 'van der zaalgen sabbatsvreê'. Ik houd wel van historische liederen als die uit Valerius' 'Gedenkklank', maar dit niet. Ik heb het gevoel dat de melodie wat zeurderig wordt, dat de tekst die omlaag trekt.”

Willem Vogel, componist van gezangen (twintig staan er in het Liedboek), motetten, en passies; voormalig leider van de Sweelinck Cantorij in de Oude Kerk Amsterdam. “Lastig om een favoriet aan te wijzen als je zelf melodieën hebt bijgedragen aan het Liedboek. Ik noem gezang 99, 'Christus naar wie wij heten'. Grandioos, zowel de tekst van Willem Barnard als de melodie van Jaap Geraedts. Hem beschouw ik als de beste melodie-maker van het Liedboek. Hij staat als componist dichter bij het vak Muziek dan de anderen. Van mijzelf is gezang 301 'Wij moeten Gode zingen' bij mij favoriet. Ik ben er blij mee dat dat er in staat; het roert en ontroert me nog altijd, ook in de tekst.”

“Om de minste aan te wijzen is moeilijk. Het is net als bij de omkering: het betere is niet altijd het beste. Er zitten, naar mijn inzichten, onzingbare melodieën bij. Adriaan Schuurman heeft nogal eens behoorlijk moeilijk gedaan.

Er zijn ook melodieën die mij niet bevallen, zoals 'Jezus zal heersen waar de zon gaat om de grote aarde om' (281). Zo'n marsachtig ding; maar er zijn mensen die het prachtig vinden. 'Stille Nacht', 143. Neem dat nou eens weg uit het Liedboek! Ik herinner me bij de redactie-vergadering dat dr Kunst uitriep: 'Als 'Stille Nacht' er ook uitgezwiept wordt, dan doen de gereformeerden niet mee'.''

Dirk Zwart, pianist, componist (o.a. een paas-oratorium), cantor in de vrijgemaakt-gerefomeerde Sionskerk Rotterdam. “Er zitten zoveel schitterende liederen in. Onder andere 173, 'Alles wat over ons geschreven staat', maar ook 475, 'Geef mij, Heer, mij los te zingen'; die laatste om de melodie, want de tekst vind ik wat ouderwets. Misschien is wel de allermooiste gezang 99: 'Christus naar wie wij heten'. Ongelooflijk. Ik ben heel harmonisch ingesteld, en in dat lied hoor ik die er bij; harmonie is onderdeel van een melodie. Een van de akeligste liederen in het Liedboek is nummer 467 'O eeuwige Vader, sterk in macht'. De melodie vind ik nogal banaal.”

Jan Valkestijn, r.-k. priester, componist van liturgische muziek, tussen 1963 en 1993 leider van de kathedrale koorzang in Haarlem. “Het mooiste uit het Liedboek: nummer 299 'Voor alle heiligen'. De muziek van de Engelsman Vaughan Williams; een echte componist, ik bedoel iemand die niet alleen kerkliedjes maakt zoals wij, maar heel het vak beheerste, symfonische muziek, grote koorwerken, iemand die zich vanuit de grote muziek in de kerkmuziek begaf. Een enorm lang lied is het; ook de tekst spreekt me aan. Ik maakte eens een kooravond onder leiding van Jan Pasveer mee; daar klonk het. Per strofe nam het enthousiasme in de uitvoering toe, en bij het tiende ging iedereen automatisch staan. Onvergetelijk.”

“Een draak heb ik ook: 221 'Gij eersteling der dagen'. Per regel bestaat bijna geheel uit kwartnoten. Daar komt geen eind aan. Zo'n saai, spanningsloos lied. 323 'God is tegenwoordig' is het toppunt: Ram pam pam pam pám pám, enzovoort, in dalende lijn. Dat kan toch niet; ook de tekst rammelt.”

Barend Schuurman, (zoon van componist Adriaan C. Schuurman die twintig melodieën aan het Liedboek bijdroeg) musicus, hervormd theoloog, cantor/ dirigent Laurenscantorij in de Laurenskerk Rotterdam. “Een mooi lied vind ik 89 'O Christus, Heer der heerlijkheid'. De vitale beweeglijke melodie van Frits Mehrtens past goed in de tekst van Ad den Besten. Mag k er nog een noemen: 171 'Christus wandelt langs de straten'.

Inderdaad, een melodie van mijn vader. Prachtige klassieke vorm; in het Abgesang (de afsluitende nazang - red.) moduleert de melodie en het is nog zingbaar ook. Mooie tekst ook. Niet favoriet? Dan noem ik gezang 14. Zo'n brave tekst van Ten Kate; ook de melodie van Bastiaans is erg braaf. Daarvoor staat gezang 13B, zelfde inhoud, maar van Vondel. Daar kan Ten Kate niet tegen op. Wat ik nooit zal kiezen: 478 'Prijst des Heren machtig woord'. Het lijkt wel iets militairs.''

Gert Oost, organist en componist (o.a. psalmodieën in anglicaanse stijl). “Ik hou erg van gezang 51 'Lieve Heer, Gij zegt 'kom' en ik kom'. Prachtige tekst waar de melodie ontzettend goed bij past. Is heel eenvoudig, maar zo mooi. Welke niet? Moeilijk, want die sla ik altijd over. Het is een genre wat ik vreselijk vind: het genre van eenvoud troef. Dat vind ik te arm voor de Lieve Heer. Gezang 36 'Ik zal, zo spreekt de Here' is er een voorbeeld van. Dat is een melodie van Willem Vogel. Maar ook in gezang 23, van Mehrtens, zit het. Allemaal toonsherhalingen om er maar een eenvoudige melodie van te maken.

Kijk dan naar het lied er naast: 22 ,'De wijsheid van vóór alle tijden', van Tera de Marez Oyens, een van mijn lievelingsliederen. Ook eenvoudig, maar zo mooi gevarieerd. Van Mehrtens zijn er ook heel mooie, 173 bijvoorbeeld, 'Alles wat over ons geschreven staat'. Dat is nou werkelijk prachtig, zoals hij op het ritme van een Geneefse psalm spanning opbouwt en op originele wijze met de tonaliteit omgaat.''

Hans Bouma, uitgever bij Kok Kampen, dichter, gereformeerd predikant. “Gezang 225 is mij zeer lief: 'Zingt voor de Heer een nieuw gezang'. Een lied dat mij opbeurt; 'n Exodus-lied dat jue niet aan jezelf overlaat, maar je in een groot geheel opneemt. Een lied waar Joden en christenen mee op weg kunnen gaan naar het Koninkrijk. Ik laat het vaak zingen. Ook heel dierbaar is 223 'De aarde is vervuld'. Eveneens van Barnard. Een lied dat tien preken overbodig kan maken, ook door de melodie van Mehrtens. Er zit zoveel ruimte en poëzie in; allerlei vragen over het lijden worden invol gesteld en enigszins beantwoord. Ik herinner me de introductie van dit lied in de Maranatha-kerk in Amsterdam door Mehrtens. Dat zo'n handjevol noten zo'n tekst kunnen dragen.”

“Wat mij niet aanspreekt: 427 'Beveel gerust uw wegen'. Dat preekt zoveel berusting; misschien paste het in de tijd van ontstaan, zeventiende eeuw; de vertaling is uit de negentiende eeuw. Voor mij is het zo wezensvreemd; het bevestigt een negatief mensbeeld. Het lied gaat er van uit dat God alles doet. Zo'n lied maakt je klein. Ik heb liever een lied dat me zelfrespect geeft.

Psalm 8 maakt je ook klein, maar het perspectief is totaal anders.'' D Gerda Verburg, komend lid Tweede Kamer voor het CDA, gereformeerd. Gezang 223, vooral de tweede strofe 'Gods goedheid is te groot voor het geluk alleen, zij gaat in alle nood door heel het leven heen'.

Een samenballing van alles wat met God te maken heeft. Er zit een opdracht, boodschap in: Bid en werk; zit niet achterover, doe wat met de mogelijkheden die je hebt gekregen.''

“Ik heb eens gekeken naar wat ik nooit zing. Strijdliederen. Bijvoorbeeld lied 6 'Ik zing voor de Heer en ik prijs zijn gezag'. Zo'n regel als 'De Heer is een krijgsman, Hij trekt voor ons uit.' Ik kan me er wel wat bij voorstellen, maar ik heb er weinig mee. De inspiratie voor vandaag de dag vind ik er niet in. Ik hecht veel waarde aan het samenzingen; van kindsaan ben ik dat gewend. Het is jammer dat het een tijd duurt voor je een nieuw lied goed kunt meezingen. Ik heb soms moeite met de melodieën en dan gaat er wat van de teksten af. Aan het inoefenen zou meer aandacht mogen worden gegeven.”

Aafje Heynis, voormalig concertzangeres, zangpedagoge, van origine hervormd, ging vorig jaar over naar de rooms-katholieke kerk. “Ik ben nogal strijdbaar. Ik houd van strijdbare, aanbiddende liederen: 444 'Grote God, wij loven U', prachtig van tekst en melodie. 474 'God roept ons broeders tot de daad' klinkt heel mooi gezongen in een kleine groep, maar ook door een grote massa.

Of 44 'Dankt, dankt nu allen God'. Een feestelijk lied. Ik zing nog veel voor mezelf. De melodieën van de psalmen heb ik altijd mooi gevonden; vroeger werden ze in de kerk lijzig gezongen, maar gelukkig is dat niet overal meer het geval. In de katholieke kerk hoor ik regelmatig gregoriaans; práchtig vind ik dat.''

Jaap de Berg, hoofdredacteur van Trouw, van origine gereformeerd, door huwelijk hervormd geworden. “Nummer 265 'Jeruzalem, mijn vaderstad'. Heeft 21 coupletten; vooral de laatste tien vind ik mooi door de prachtige uitdrukking van het verlangen naar het paradijs. Gezang 265 heeft in zijn opzet en voorstelling veel gemeen met 'Oh when the saints'.

Wat er volgens mij niet in het Liedboek thuishoort: 411, het 'Wilhelmus'. Ten eerste omdat het een lied is van Oranje-klanten. Republikeinen zijn net zo goed welkom in de kerk. Tweede reden: het is niet te begrijpen zonder kennis van het zestiende-eeuwse Nederlands en van de politieke toestanden in die tijd. Inderdaad: ik waardeer de gezangen vooral op hun teksten. Muzikaal ben ik als een kind. Ik begrijp dan ook niet wat er bezwaarlijk is tegen meezingers, tegen makkelijke melodieën. Maar aan clichés heb ik in de taal wel een hekel; ik ben dus niet konsekwent.''

Deel dit artikel