Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

En, twitter jij al?

Home

Henri Beunders

„Mijn machine maakt mogelijk wat nu nog niet kan”, schreef Karel van het Reve in 1983, aan de vooravond van de digitale revolutie. Hoe staan we er in 2011 voor? Henri Beunders opent een nieuwe serie.

Je kunt geen tv aanzetten, of het gaat over twitter. Op werk en feestje komt na het ’kon je het vinden?’ en ’wat een weer hè?’ als derde vraag ongeveer ’twitter jij al?’ En volgt er weer een nieuwe Afscheiding der Geesten: de gelovigen hier en de haters daar. Weer, omdat dit gisteren bij het sms’en het geval was, en eergisteren bij die mobiele telefoon als zodanig. Toen was het ’Ik ben, dus mobiel!’ versus ’Mobieltjes is voor debieltjes’.

We zouden kunnen denken dat dit voor of tegen gevolg is van de overgang van analoog naar digitaal. Analoog had, voor mij althans, nog iets prettig vaags en fysieks. Het signaal kon binnen bepaalde grenzen elke waarde aannemen, en de golfvorm van het signaal was representatief voor de geluidsgolven. Je zag die golven als het ware aankomen, en in de jeugd van televisie moest je – als je de BBC wilde ontvangen – soms het dak op om die tweede antenne die op die ’convertor’ was aangesloten een beetje bij te draaien. Dat was toch nog een beetje man tegen man, zeg maar, een eerlijk gevecht.

En toen kwam digitaal. Het signaal wordt voorgesteld door een reeks getallen met een eindige precisie. In de supermarkt vraag ik me wel eens af wie al de streepjescodes eigenlijk bedenkt voor al die producten. Maar hier gaat het om die precisie: het is hoog of laag, oftewel nul of een, en daar zit niets tussen.

We zouden de debatten tussen voor- en tegenstanders van twitter dus een erg digitaal debat kunnen noemen, er is geen nuance mogelijk. Er zijn intussen al diverse auteurs opgestaan die in boekvorm – dat wel, meer status en hopelijk meer geld – uiteenzetten dat het allemaal door die digitalisering komt, die afnemende compassie met de medemens, onderdeel van de algemene ’verhuftering’.

Die digitale nullen en enen komen immers verrassend overeen met de tweedeling tussen winners and losers. En door de snelheid waarmee al die digitale data vol nullen en enen die onze hersenen bijna permanent binnendringen en direct vragen om verwerking (ja of nee?), zouden onze hersenen bijna al hun energie nodig hebben om die vraag te beantwoorden. Terwijl de neurowetenschap – die nu in gepopulariseerde vorm de ene na de andere bestseller oplevert, denk aan Dick Swaab – bewezen zou hebben dat die hersenverbindingen voor ethische beslissingen en mededogen in het algemeen vrij veel tijd nodig hebben.

Het is nog maar goed tien jaar geleden dat de Paarse minister voor grotestedenbeleid, Roger van Boxtel als banier boven het kabinetsbeleid hing, ja boven heel het land: ’Nederland moet zo snel mogelijk de Digitale Snelweg op’. Dat het grootste deel van het internet helemaal geen snelweg is, maar, zoals de benaming ervan toch ook wel duidelijk aangaf, world wide web heet, daarover dachten we toen blijkbaar niet zo erg na. Nu wel: in een web ben je gevangen, en het web wordt nu ook gezien als een struikgewas van universele omvang, waar ook nog vrij veel struikrovers en ander gespuis rondstruinen, zoals de Amsterdamse kinderpornozaak weer eens heeft bewezen.

Dat ook de meest kritische en slimme geesten soms alleen de fantastische voordelen kunnen zien van een nieuwe uitvinding, zoals een nieuw medium, bewees wijlen Karel van het Reve in zijn artikel uit 1983. Hij droomde van een eigen computer die alles kon opslaan en archiveren en doorzoeken wat hij maar wilde.

Het is al lang allemaal uitgekomen. Maar verrassend is toch dat hij geen enkel mogelijk nadeel vermeldde. Niet eens dat zo’n printertje – dat de gang naar de kopieerwinkel zou besparen – toch ook wel stroom en nog meer inkt zou vergen. En, om maar iets groters te noemen, dat die onbeperkte informatieopslag en -verwerking misschien ook wel eens zou kunnen leiden tot een overkill aan boeken. Zoals Nietzsche al zo’n 130 jaar geleden vaststelde over de eis van snelheid en productiviteit van het wetenschappelijke onderwijs: de kip moet steeds vaker een ei leggen, zo worden de eieren steeds kleiner en de boeken steeds dikker.

Maar het is wél typerend voor de komst van nieuwe media: altijd waren er gelovigen en niet-gelovigen, optimisten en pessimisten. En dat was zo sinds de mens rechtop ging staan en weer een tijdje later, maar nog steeds in de mist der tijden, de dierlijke kreten een beetje ging standaardiseren tot wat we nu taal noemen. Waarom dat zo geschiedde weten we nog steeds niet precies. Eerst zeiden de Darwinianen bijvoorbeeld dat dat natuurlijk kwam door de evolutie van het strottenhoofd bij de homo sapiens, waardoor deze soort die andere, veel grotere en sterkere Neanderthaler te slim af kon worden, omdat hij beter kon communiceren. Taalkundige Chomsky bedacht daar meer recentelijk de variant op dat de mens nu eenmaal een taal-gen heeft.

Antropologen daarentegen vermoedden dat de mens ging spreken toen de ene stam de andere tegenkwam en al die wilde gebaren en kreten totaal niet overkwamen. En de managers onder de denkers menen nu dat de taal zich ontwikkelde toen de mensen het aangenamer vonden om op hun plek te blijven, in plaats van met zijn allen de hele tijd achter een prooi aan te rennen. En dat de daardoor ontstane taakverdeling, zoals tussen man en vrouw, het nodig maakt om duidelijke bevelen te geven, doe dit zus en doe dat zo.

De strijd tussen de optimisten en pessimisten is een van de weinige helder zichtbare rode draden in de communicatiegeschiedenis. Laten we de belangrijkste eens de revue passeren.

Er zijn tal van legendes over de manier waarop het alfabet in Europa is gekomen. De Libanezen mogen graag vertellen dat koning Agenor van Tyrus zoon Cadmus naar Kreta stuurde om zijn dochter Europa, daar door Zeus gevangengehouden met een draak, terug te halen.

In zijn poging zijn zuster te redden, zou hij het Foenicische alfabet over de rest van de wereld hebben verspreid.

Zo kwam het schrift ook naar Griekenland, en eeuwen later was Socrates er nog niet blij mee. Hij prefereerde het gesprek. Het schrift, meende hij, introduceert ’vergetelheid in de ziel’. Waarna zijn trouwe leerling Plato al die dialogen toch ging opschrijven. Uit bewondering, want hij was het natuurlijk wel eens met zijn leermeester: net als schilderijen zijn geschreven woorden ’stom’, ze zeggen niets terug. En ze verminderden de werking van het geheugen. Als iets eenmaal is opgeschreven, gaat het alle kanten op: het bereikt mensen die er verstand van hebben maar ook mensen die er niets mee te maken hebben of er niets van begrijpen. En als dan iemand er in schrift op reageert, dan kan het zich alleen niet verdedigen en moet ’de vader’ van de eerste tekst het opnieuw gaan uitleggen. Kortom, dat wordt een eindeloze en nare zaak. Dat debat ging over de geest, niet over de moraal.

Over de moraal ging het wel, en eigenlijk in hoofdzaak, na de uitvinding van de boekdrukkunst, door onze man uit Haarlem dan wel Johannes Gensfleisch zur Laden zum Gutenberg, die internationaal als de uitvinder (1440), geldt. Met die drukpers drukte hij de bijbel, en wel een van 42 delen, de zogeheten Gutenberg-bijbel. De behoefte onder de mensen aan die bijbel bleek immens. Ziek van de corrupte en decadente katholieke kerk, wilden de mensen niet langer zomaar naar de priester luisteren, die dat boek alleen af en toe omhoog hield of er uit voorlas, en zelf nu wel eens lezen over de ware aard van geloof en over wat eigenlijk wel en niet mocht. Baas in eigen bijbel.

De razendsnelle verspreiding van het boek is een van de krachtigste bewijzen in de debatten over de vraag of nieuwe uitvindingen ons nu worden opgedrongen door de fabrikanten of dat de mensen er zo’n grote behoefte aan hebben, dat die uitvinding wel moést worden uitgevonden.

Maar wat bleek al snel? Al die drukkerijen die als paddenstoelen uit de grond kwamen, drukten niet alleen bijbels. Al is Maarten Luther de grote revolutionair geweest die de propagandistische zege van het boek het beste inzag. Hij schreef niet alleen in het Duits, en niet in het Latijn, en schiep zo de nationale taal, maar had zelfs een eigen persbureautje. Het Vaticaan, een halve eeuw later wakker geworden, kon hier alleen de visuele kunsten, en de Index van verboden boeken natuurlijk, tegenover stellen.

Maar voor al die drukkers betekende drukken zaken doen. Met religieuze en officiële teksten, sensatienieuws, kluchten, verzinsels, met het kenmerk vluchtigheid, wat we nu een Kasteelroman of de Bild-Zeitung noemen. Ze boden een kant-en-klaar pakket van sentimenten en hartstochten, liefde en dood. Met reclametitels zoals ’Egghert van Denemarken, een mooi en aangenaam boek over wapenfeiten en liefde, opnieuw gedrukt en aangevuld met de dood van de reus Marioto, welke in de andere boeken niet voorkomt’. Of: ’Nieuw verhaal over het wrede en meelijwekkende voorval dat plaatsvond in Alicante van een moeder die haar eigen kind doodde, de ingewanden aan een hond, en de ledematen aan haar man te eten gaf’.

Of dergelijke lectuur goed was voor de moraal werd de inzet van het debat, weer oplaaiend na de verschijning in 1605 van de eerste ’moderne’ roman ’Don Quichot’ van Miguel de Cervantes. Die hoofdpersoon was kierewiet geworden door het lezen van teveel ridderromans, zag molens voor reuzen aan, en stierf van melancholie en uitputting. De roman was razend populair maar werd – juist daarom – verboden wegens die slechte moraal die maar tot navolging zou leiden. De kerk zette het boek op de Index om die ene zin die luidde: „Werken van liefdadigheid die achteloos worden gedaan, hebben geen waarde”.

We kunnen dit soort debatten vanzelfsprekend niet los zien van de hele ontwikkelingsgang van Europa sinds de Middeleeuwen. De hele Renaissance en daarna de Verlichting, ofwel de ’moderniteit’, draaide om de vraag wat de mens allemaal wel en niet op eigen gezag mocht onderzoeken en lezen. Of dat de mens, uiteindelijk, toch binnen de kerkelijke en religieuze kaders diende te blijven, om het geloof en de moraal veilig te stellen.

Maar religie was ook daarna nooit ver weg als er weer een nieuw medium ten tonele verscheen, zoals rond 1830 de fotografie. In de twintigste eeuw hing onder het grote gemeentebord van Staphorst een klein bordje: ‘Fotograferen verboden’. Terwijl in andere culturen de mens bang was van zijn ziel beroofd te worden als zijn gezicht op een stuk papier was te zien, zo meenden strenggelovigen dat fotografie de hoogmoed van de mens tekende die het evenbeeld van God met een machine wilde vastleggen en dus in strijd handelde met de Tien Geboden. In de negentiende eeuw waren het ook de kunstenaars die protest aantekenden. De schrijver Baudelaire noemde de fotografie ’de erfvijand van de schilder’. Er werden hele petities georganiseerd om in elk geval die fotograaf de status van kunstenaar te ontzeggen. Veel later zou schrijver Jean Genet de fotografie ’de vulgaire wereld van het bordeel zonder muren’ noemen, waarin de dingen en mensen tot koopwaar werden gereduceerd. De schrijfster Susan Sontag deelde, in 1975, in feite deze mening.

Daartegenover stonden meer lyrische pleitbezorgers van dit nieuwe medium, dat door de Franse overheid in 1839 ook werd gepresenteerd als een ware revolutie: de kunst zou worden gedemocratiseerd, in elke stulp een poster.

De Amerikaanse essayist, dichter én individualist Ralph Waldo Emerson riep over de fotografie uit: „De ware republikeinse manier van schilderen. De kunstenaar staat terzijde, en laat jezelf schilderen”. Fotografie „onderscheidt zich door zijn directheid, zijn authenticiteit, en het opmerkelijke feit dat zijn oog meer ziet dan het menselijke oog. Het camera-oog ziet alles”. En hiermee was ook het cliché geboren: de camera liegt niet.

De burgers deerden al die debatten overigens weinig, en renden op een holletje naar de fotostudio’s. Die verspreidden zich als een konijnenplaag over West-Europa, zo begerig waren de nu gezeten burgers om zich als de adel te laten portretteren, en nog op een koopje ook vergeleken bij het laten maken van een schilderij.

Maar bij elk volgend medium, zoals de telegraaf – vrijwel gelijk met de fotografie – de telefoon, de film, en de televisie, zouden de debatten zich herhalen. In de eerste dagen na Morse’s uitvinding wist niemand eigenlijk wat ermee te doen, de telegrafisten speelden er spelletjes schaak mee. Maar al snel werd de telegraaf bejubeld als dé verbinder tussen mensen, naties en continenten. Zo schreven in 1858 de Verlichtingsfilosofen Charles F. Briggs en Augustus Maverick: „Het is onmogelijk dat oude vooroordelen en vijandigheden nog langer kunnen bestaan, omdat zo’n instrument is geschapen voor de uitwisseling van gedachten tussen alle naties op aarde.”

De reactie van de Amerikaanse schrijver Henry David Thoreau, van de terug-naar-de-natuur-roman ’Walden’, kan symbool staan voor veel verzet tegen technologische vernieuwing. „Goed, Texas en Maine kunnen nu met elkaar communiceren, maar wat als men elkaar niets te zeggen heeft?”

Bij de presentatie van de telefoon in 1876 door Alexander Graham Bell waren de optimisten en pessimisten weer anders verdeeld. Mensen, zeker in Amerika, schreeuwden als het ware al jaren om die uitvinding, om de afstanden te overbruggen. De telefoon was technisch zeer nabij, maar filosofisch ver weg. De menselijke stem werd beschouwd als heilig, een gift van God. De publieke reacties op het idee van een telefoon schommelden dan ook tussen angst voor het bovennatuurlijke (één stap verwijderd van de telepathie) en het belachelijk maken van zoiets onpraktisch. Mark Twain kocht een toestel om zijn moppen te oefenen op een vriend die ook zo’n ding had gekocht. De verspreiding ging daarna razendsnel in Amerika – niet in Nederland. De culturele omgeving bepaalt de reactie op en verspreidingsnelheid van een nieuw medium. Nederland is een klein land, dus moest ik in de jaren zeventig nog op de fiets heel Amsterdam door om te zien of die of die thuis was.

De komst van de film in 1895, het eerste visuele massamedium na het boek en de krant, betekende in Nederland: angst. Dat iedereen de inhuldiging in 1898 van Wilhelmina in de bioscoop kon zien, dat was mooi natuurlijk, maar de angst voor de zedenbedervende ’prikkelbioscoop’ won het al snel. Als onderdeel van het ’beschavingsoffensief’ werd de volksverheffing een zeer brede beweging die door zowel anarchisten, links-liberalen, sociaal-democraten als ’de christelijken’ werd gedeeld. Troef: tegen alcoholmisbruik, tegen prostitutie, tegen ’de film’.

De angst voor de massamedia, ook de radio en de tv, bleef de hele twintigste eeuw de Nederlandse overheidspolitiek beheersen. Filmkeuring, Omroepwet, regulering alom. Tot medio jaren negentig internet kwam, en ineens diezelfde overheid alle burgers opriep zo snel mogelijk op die Digitale Snelweg te komen, ’om de boot naar de toekomst niet te missen’. We zijn nu tien, vijftien jaar verder, en opnieuw slaat De Angst weer toe. Cybercrime, verslaving, en andere zedenbedervende en asociaal makende zaken. De vrijheid van internet wordt nog gehandhaafd, waar de Fransen al wettelijk de mogelijkheid van een ’digitaal straatverbod’ hebben ingevoerd, voor diegenen die illegaal downloaden.

Maar ook in Nederland krijgt het debat nu toch de intensiteit van een echt debat tussen gelovigen en niet-gelovigen, optimisten en pessimisten. En dat is, eerlijk gezegd, na al die eenzijdig lyrische verhalen van eind jaren negentig een verademing. De tijd dat niemand voor ’ouderwets’ uitgemaakt wilde worden, en dus ook maar snel, al dan niet zuchtend, naar de elektronicawinkel stapte, is voorbij. De toenemende informatiestress werpt, eindelijk, de vraag weer op: wat willen we eigenlijk communiceren, hoe en wanneer, en met wie?

Lees verder na de advertentie
(ANP)

Deel dit artikel