Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

En nu ben ik hartstikke wees

Home

Gijs van der Sanden

© Getty Images

Gijs van der Sanden (31) werd wees op zijn drieëntwintigste. Terwijl leeftijdsgenoten zich nog in de aandacht van hun ouders koesteren, probeert hij zich met het gemis te verzoenen.

En nu ben je dus hartstikke wees, zei mijn huisarts bijna acht jaar geleden, toen ik haar vertelde wat er was gebeurd. Een absurd scenario dat niemand had voorzien. Vier jaar na de dood van mijn vader stierf ook mijn moeder. Bij allebei kwam de dood onaangekondigd, zonder voortekenen, zonder afscheid. 

Lees verder na de advertentie

Zowel het hart van mijn vader als mijn moeder was van het ene op het andere moment gestopt met kloppen. Mijn vader werd 57, mijn moeder 64. Zelfs de artsen waren met stomheid geslagen. Wat hadden ze over het hoofd gezien? Was dit te voorkomen geweest?

Voor het woord 'wees' werd ik na dat bezoek aan de huisarts voorgoed allergisch

Dat gepieker veranderde niets aan een voldongen feit: ons gezin bestond voortaan alleen nog uit mijn twee oudere zussen en ik. Ik was drieëntwintig en moest het voortaan zonder ouders doen.

Voor het woord 'wees' werd ik na dat bezoek aan de huisarts voorgoed allergisch. Het roept bij mij steevast het beeld op van iemand die ondanks dappere pogingen niet kan slagen in het leven. Google op afbeeldingen van 'wees' of 'orphan' en je ziet uitsluitend foto's en schilderijen van huilende kinderen die schichtig de wereld in kijken, verstoken van liefde en geluk. Medelijden ligt altijd op de loer als je vertelt dat je op jonge leeftijd je ouders hebt verloren. Om die reden ben ik bij nieuwe ontmoetingen vaak terughoudend in het vertellen over de dood van mijn ouders. Daarover later meer.

Sterfelijkheid

Als je opgroeit komt er een moment waarop je je realiseert dat je ouders er niet voor altijd zullen zijn. Bij mij gebeurde dat toen ik een jaar of zeven was en bij een vriendje van de basisschool ging spelen. Mijn moeder zou me daar na haar werk ophalen, maar vanwege hevige sneeuwval stond het verkeer overal muurvast. Van mobiele telefoons had nog niemand gehoord. 

"Misschien is er wel iets ergs gebeurd", zei mijn sensatiebeluste vriendje, toen mijn moeder er met het vallen van de avond nog steeds niet was. Met zijn Action Man en een speelgoedauto simuleerde hij een dramatisch ongeluk. Niet veel later belde mijn moeder aan. Ik herinner me de opluchting: ze is er nog, ze gaat nergens heen.

Later, als puber en daarna als jongvolwassene, dacht ik nooit zo na over de sterfelijkheid van mijn ouders. Ik kon me er nooit een voorstelling van maken. Voor mij hadden mijn vader en moeder altijd simpelweg bestaan.

Op dagen dat ik haar mis, lees ik de mailtjes terug die ze naar me stuurde. Vaak wees ze me op de dingen die ik niet moest vergeten

Mijn moeder was - zoals mijn nicht het eens zei - een échte moeder. Altijd bezig met haar kinderen, zorgzaam, warm. Ze werkte als humanistisch raadsvrouw op de universiteit. Op dagen dat ik haar mis, lees ik de mailtjes terug die ze naar me stuurde. Vaak wees ze me op de dingen die ik niet moest vergeten. Dat ik me op tijd moest inschrijven voor het nieuwe collegejaar. Of dat ik nu écht achter mijn zorgverzekering aan moest. Altijd eindige ze met: ik ben trots op je.

Ze stak die trots voor mij en mijn zussen nooit onder stoelen of banken. Tijdens onze laatste vakantie samen, op een Grieks eiland, vertelde ze aan iedereen die het maar horen wilde dat ik na de zomer aan mijn master zou beginnen. "Mahám", zei ik dan enigszins beschaamd. "Dat hoeft toch niet iedereen te weten?"

Knallende ruzie

Natuurlijk lagen we weleens overhoop. Ze kon overdreven bezorgd zijn. Als ik als tiener later thuiskwam dan de bedoeling was na een avond uitgaan, dan zat ze soms in ochtendjas te wachten op de bank. Knallende ruzie.

Mijn vader was rationeler, bedachtzamer. Als hoogleraar bracht hij veel tijd door op zijn studeerkamer, tussen de artikelen en de boeken. Als we op vakantie gingen, nam hij een stapel nakijkwerk mee. Mijn moeder mopperde daar weleens op. Maar hij was altijd betrokken bij onze keuzes. Als mijn zussen en ik weer eens nieuwe woonruimte hadden gevonden, tekende hij plattegronden en bedacht precies hoe we onze kamers het beste konden inrichten. Mensen zeggen vaak hoeveel ik op hem lijk als ik een foto van hem laat zien.

Ineens was alles van ons, terwijl we onze handen al vol hadden aan onze eigen levens elders in het land

Een paar dagen na de dood van mijn moeder stond ik met mijn oudste zus in de woonkamer van ons ouderlijk huis in Brabant. Het huis was de hele week vol geweest met familie. Iedereen probeerde te helpen. Maar nu waren we even alleen. We keken naar de boeken, de meubels, de twee poezen die nietsvermoedend in de vensterbank lagen. Ineens was alles van ons, inclusief dat grote huis, terwijl we onze handen al vol hadden aan onze eigen levens elders in het land. "Ik weet niet hoe we dit moeten doen", zei ik tegen mijn zus. "Ik ook niet", zei zij.

Zonder ouders zag de wereld er volkomen anders uit. Ineens besefte ik wat een vangnet ze altijd waren. Nu voelde het alsof ik plotseling op een fiets zonder zijwieltjes was gezet.

Tekst loopt door onder afbeelding.

© Thinkstock

Huishouden

Die eerste paar maanden brachten mijn zussen en ik grotendeels door in de comfortabele beschutting van ons ouderlijk huis. We keken alle seizoenen van 'Lost', ik bladerde eindeloos door fotoalbums en maakte urenlange wandelingen door het nabijgelegen bos. Op de een of andere manier schuilde er troost in het domweg draaiende houden van het huishouden. Door de afwasmachine nog gewoon in- en uit te ruimen, de bladeren in de tuin te harken, leek het alsof er niets veranderd was.

Uiteindelijk verkochten we het huis, dat tot de nok toe gevuld was met spullen. Over alles moesten we beslissen. De platencollectie van mijn vader, de jurken van mijn moeder, boeken met wandelroutes, het tuingereedschap, de apparatuur in de donkere kamer, de houten eend die altijd in de boekenkast had gestaan, maar die eigenlijk hartstikke lelijk was - spullen die hoorden bij hún leven, waar wij ineens een oordeel over moesten vellen: bewaren of weggooien? '

Op de een of andere manier schuilde er troost in het domweg draaiende houden van het huishouden

En dan waren er nog de oude kindertekeningen, sinterklaasgedichten, dagboeken en liefdesbrieven. Zelfs snelle kattebelletjes van mijn moeder bleken nooit te zijn weggegooid. 'Wij zijn pas laat thuis vanavond, eten staat in de koelkast. Kus, papa en mama.' Met een verhuiswagen vol spullen reden we weg. De poezen verhuisden we mee naar Amsterdam.

Eigenlijk begon het opbouwen van een leven zonder ouders pas toen ik die avond in mijn studentenkamer arriveerde, met mijn dozen met hun spullen. Mijn zussen hadden de houten eend op subtiel sluwe wijze aan mij toevertrouwd. Ik zette hem op mijn nachtkastje, in mijn boekenkast, op mijn tafel - maar het bleef een lelijk onding. Ik heb hem terug in de doos gestopt, waar hij inmiddels al jaren stof ligt te happen. We lachen er nog weleens om.

Gemis

Ik studeerde af, begon aan mijn eerste baan als journalist, verruilde mijn studentenkamer voor een nieuwe woning, verhuisde nog een keer, werd oom, maakte nieuwe vrienden, kreeg liefdesverdriet, werd verliefd, haalde tegen ieders verwachting in mijn rijbewijs, ging op reis, en werd dertig - allemaal zonder dat mijn vader en moeder daar getuige van waren.

Zonder dat ik er erg in had, is dat gemis bij me gaan horen, net als de kleur van mijn ogen of de moedervlekken op mijn rug. Het maakt me tot wie ik ben. En het heeft me niet in de weg gestaan om een zinvol bestaan op te bouwen.

Ongemakkelijk blijft het. Op mijn leeftijd gaan mensen er altijd van uit dat je ouders nog gewoon in leven zijn. Laatst nog, bij een etentje. "Wat doen jouw ouders eigenlijk?", vroeg een vriend van een vriend. Vrijdagavond, de wijn vloeide, iedereen was opgetogen. Niet echt een moment voor zware onderwerpen. Ik wimpelde de vraag af. Soms vertel ik dat mijn ouders er niet meer zijn, om er onmiddellijk aan toe te voegen: "Maar ik red me wel hoor."

Zonder dat ik er erg in had, is dat gemis bij me gaan horen, net als de kleur van mijn ogen of de moedervlekken op mijn rug

Ik bevecht het idee dat ik zielig ben. Niets zo verschrikkelijk als blikken vol medelijden. Toen ik een paar maanden na de dood van mijn moeder weer op een feestje stond kwam er een vage bekende naar me toe. "Wat dapper dat je hier bent, ik zou niet weten wat ik moest doen", zei hij. Ongetwijfeld goed bedoeld, maar het voelde als een diskwalificatie: alsof het eigenlijk maar vreemd was dat ik gewoon een avond wilde dansen. Niet veel later begon hij te huilen. Voor ik het wist stond ik hem te troosten.

In medelijden schuilt iets neerbuigends. Het wordt voornamelijk geuit door mensen die er zelf stukken warmer bij zitten. Als iemand zegt: ik vind het zo zielig voor je, dan voel ik me niet gesteund, eerder in mijn waardigheid aangetast. Nietzsche schreef dat mooi op: 'Medevreugde, niet medelijden, maakt de vriend.' Iemand die het moeilijk heeft kun je beter je vreugde geven, vond hij, dan je lijden.

Open vraag

Ik zou inmiddels een boek kunnen vullen met ongemakkelijke of ongepaste reacties op de dood van mijn ouders. Mensen vullen vaak van alles voor je in. "Ik zou zelf ook dood willen", zei iemand een keer. Of men houdt zich juist muisstil, uit angst om het verkeerde te zeggen. Het is een verademing als iemand een open vraag stelt: "Hoe was dat voor jou? Hoe gaat het nu met je?"

Om het nog ingewikkelder te maken: ondanks mijn allergie voor medelijden zijn er genoeg momenten waarop ik me miskend voel. Zeker in deze levensfase. Als vrienden aan elkaar vertellen hoe rustgevend het is om af en toe een weekend bij hun ouders te vertoeven. Als ik weer eens hoor over een 'ja'-woord, of als er weer een geboortekaartje op de mat valt: gebeurtenissen waarbij gewoonlijk een glansrol voor ouders is weggelegd.

Verdriet laat zich niet vangen, weet ik nu. Het verandert dagelijks van vorm. De ene dag zoemt en steekt het. De andere dag is het mooi en melancholisch, iets om aangenaam in te zwelgen. En inmiddels houdt het zich soms lange tijd koest, alsof het er nooit is geweest.

Deel dit artikel

Voor het woord 'wees' werd ik na dat bezoek aan de huisarts voorgoed allergisch

Op dagen dat ik haar mis, lees ik de mailtjes terug die ze naar me stuurde. Vaak wees ze me op de dingen die ik niet moest vergeten

Ineens was alles van ons, terwijl we onze handen al vol hadden aan onze eigen levens elders in het land

Op de een of andere manier schuilde er troost in het domweg draaiende houden van het huishouden

Zonder dat ik er erg in had, is dat gemis bij me gaan horen, net als de kleur van mijn ogen of de moedervlekken op mijn rug