Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze Ezel

home

door David Bos

Woensdag is het veertig jaar geleden dat de aanzet werd gegeven tot de bekendste blasfemiezaak in de Nederlandse geschiedenis. De uitkomst is bekend: Gerard Kornelis van het Reve werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde ’smalende Godslastering’. Volgens David Bos, hoofdredacteur van het Maandblad Geestelijke volksgezondheid, ’noemt men deze uitkomst vaak een triomf van secularisatie. Maar Van het Reve eiste juist het recht om zijn eredienst openbaar te maken. En terwijl progressieve opinieleiders seks verschoonden van morele en religieuze connotaties, gaf hij het geslachtsleven weer bovenaardse luister’.

Op 22 februari 1966 stelde SGP-parlementariër ir. C.N. van Dis kamervragen (aan de ministers van justitie en van cultuur, recreatie en maatschappelijk werk) over recente publicaties van Gerard Kornelis van het Reve. Dat was niet voor het eerst. In 1951 had een jury Van het Reve voorgedragen voor een prijs, maar had minister Cals geweigerd om die toe te kennen. En in 1963 had ARP-senator H. Algra geprotesteerd tegen het verlenen van rijkssubsidie aan deze schrijver, die ’met niets ontziende brutaliteit’ homoseksualiteit had gelijkgesteld aan ’het wonderlijke liefdespel tussen man en vrouw’. Algra’s kritiek had een stimulans gegeven aan de verkoop van het werk van Van het Reve – die uit dankbaarheid zijn huis vernoemde naar de senator.

De aanleiding voor de kamervragen van ir. Van Dis was een ’Brief aan mijn bank’, waarin Van het Reve zich een voorstelling had gemaakt van de Wederkomst:

’Als God zich opnieuw in Levende Stof gevangen geeft, zal Hij als Ezel terugkeren, hoogstens in staat een paar lettergrepen te formuleren, miskend en verguisd en geranseld, maar ik zal Hem begrijpen en meteen met Hem naar bed gaan, maar ik doe zwachtels om Zijn hoefjes, dat ik niet te veel schrammen krijg als hij spartelt bij het klaarkomen.’

Deze brief was ruim een jaar eerder verschenen, in het allereerste nummer van Dialoog. Van het Reve was zelf redacteur van dit nieuwe tijdschrift voor homofilie en maatschappij. In de eerste aflevering had de redactie verklaard: ’Via de dialoog, het gesprek dus, tussen homofiel en niet-homofiel, maar ook tussen homofielen onderling, een volledig open en vrij gesprek, wil de redactie komen tot verruiming van de levensmogelijkheden van de homofiele mens.’ In plaats van zo’n dialoog kwam er dus een proces – en dat werd een vertoning.

In de derde aflevering spraken pater J. Gottschalk en de gereformeerde predikant A.J.R. Brussaard hun leedwezen uit over het epistel van Van het Reve. Deze antwoordde in het volgende nummer: hij eiste erkenning van zijn recht op een eigen godsbegrip en van het recht om daarvan te getuigen. De ’burger-schrijver’ deed er nog een schepje bovenop, door zijn afschuw uit te spreken over de geijkte voorstelling van Jezus:

’Veel mensen wensen zich Hem voor te stellen met veel te lang, in het midden gescheiden, briljantine-doordrenkt haar, gekleed in witte jurk met afgeborduurd halsje, en liefst zonder geslachtsdelen, of, in ieder geval, zonder seksueel verkeer. Voor mij echter heeft de Zoon van God heel behoorlijk geproportioneerde geslachtsdelen gehad, die hij stellig niet heeft laten roesten; ik stel me Hem als biseksueel voor, zij het met een overheersend homoseksuele voorkeur, licht neurotisch, maar zonder haat jegens enig schepsel, want God is de Liefde die geen enkel schepsel buiten Zich kan sluiten.’

Naar aanleiding van dit antwoord stelde ir. Van Dis zijn kamervragen. Bleek uit de reactie van Gottschalk en Brussaard niet dat zij ’door dit artikel in hun godsdienstige gevoelens gekrenkt zijn wegens smalende godslastering’? En was Van het Reve’s repliek niet ’al evenzeer godslasterlijk, immoreel, bestiaal en zelfs satanisch van inhoud en derhalve uitermate krenkend voor de godsdienstige gevoelens van zeer velen van ons volk?’ Van Dis riep de ministers op om vervolging in te stellen op grond van artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht, dat een boete of gevangenisstraf in het vooruitzicht stelt voor wie zich ’in het openbaar, mondeling of bij geschrift of afbeelding, door smalende Godslastering op voor godsdienstige gevoelens krenkende wijze uitlaat’. Sinds 1932 was dit artikel vijf keer toegepast, waarvan drie keer met succes. Zo was op 11 juni 1965 een boete opgelegd aan de Amsterdamse student politicologie A. de Swaan (redacteur van Propria Cures) wegens een quasi-reportage over ’J. van Nazareth’.

De ministers antwoordden dat het Amsterdamse parket inderdaad vervolging zou instellen. De officier die de zaak op z’n bordje kreeg, mr J.J. Abspoel, betrok in zijn dagvaarding ook een nauw verwante passage uit de inmiddels verschenen bundel Nader tot U. Daarin had Van het Reve namelijk geschreven:

’En God Zelf zou bij mij langs komen in de gedaante van een éénjarige, muisgrijze Ezel en voor de deur staan en aanbellen en zeggen: „Gerard, dat boek van je – weet je dat Ik bij sommige stukken gehuild heb?” „Mijn Heer en mijn God! Geloofd weze Uw Naam tot in alle Eeuwigheid! Ik houd zo verschrikkelijk veel van U”, zou ik proberen te zeggen, maar halverwege zou ik al in janken uitbarsten, en Hem beginnen te kussen en naar binnen trekken, en na een geweldige klauterpartij om de trap naar het slaapkamertje op te komen, zou ik Hem drie keer achter elkaar langdurig in Zijn Geheime Opening bezitten, en daarna een present-eksemplaar geven, niet gebrocheerd, maar gebonden – niet dat gierige en benauwde – met de opdracht: „Voor De Oneindige. Zonder Woorden”.’

Het was op verzoek van de verdachte zelf dat de officier ook deze passage opnam. Van het Reve dacht namelijk dat hij zo beter zou kunnen uitleggen wat hem bezielde. Sterker nog: de schrijver had zelf aangedrongen op strafvervolging, om zich te kunnen zuiveren van alle blaam. Hij weersprak daarom de suggestie (door onder anderen Harry Mulisch en Huub Oosterhuis) dat hier de vrijheid van meningsuiting en die van drukpers in het geding zouden zijn.

De verdachte was dus geen willoos slachtoffer. Evenmin was de officier een fanatieke vervolger. In zijn requisitoir distantieerde hij zich van de parlementariërs die deze zaak aanhangig hadden gemaakt: ’Als ik hier had moeten staan als kampioen voor ir. Van Dis was ik hier nooit gekomen.’ Abspoel, van huis uit katholiek, noemde Van het Reve ’een mede-christen, toevallig ook een geloofsgenoot in engere zin’. En, zei hij, ’Er is geen Kamerlid, die met een beroep op Christus, kan zeggen dat Gerard van het Reve niet zijn naaste is.’ Later, in zijn memoires, zou Abspoel zelfs vertellen dat hij zich ’ten zeerste had geërgerd aan de bekrompenheid van deze vertegenwoordigers van het protestants-christelijke deel der natie’.

Tijdens het proces onthulde hij bovendien dat hij weinig op had met artikel 147. In 1932, toen het wetsvoorstel was ingediend (door de toenmalige, antirevolutionaire minister van justitie, J. Donner) had hij er zelfs tegen geprotesteerd. Volgens hem was het namelijk bedoeld om socialisten en communisten de mond te snoeren. ’Ik achtte dit artikel verfoeilijk en dat vind ik nog. Maar als officier moet ik constateren dat deze nog steeds van kracht zijnde wet is overtreden.’ In zijn memoires zou Abspoel het nog mooier maken: hij was in het Ezelsproces opgetreden als ’advocaat van de duivel’, opdat ’serieuze schrijvers niet meer op grond van dit godslasteringsverwijt voor de rechter gedaagd konden worden.’

Een verdachte die aandringt op een proces? En een aanklager die zich distantieert van het wetsartikel in kwestie? Het Ezelsproces was zo bezien een show-proces. In die vertoning speelden theologen een prominente rol – waarmee ze echter weinig eer zouden inleggen.

Te zijner verdediging had Van het Reve vier getuigen-deskundigen opgeroepen, onder wie de Nijmeegse hoogleraar exegese W.K.M. Grossouw en de Amsterdamse, hervormde hoogleraar christelijke ethiek E.L. Smelik.

Grossouw en Smelik verklaarden onder meer dat de religiositeit van de verdachte serieus genomen moest worden. Ze maakte deel uit van een eerbiedwaardige traditie van ’erotiserende mystiek’. Wie daar onbekend mee was, zo erkende Smelik, zou zich gekwetst kunnen voelen door Reve’s voorstelling: ’Vooral protestants opgevoede mensen zullen dit moeilijk kunnen verwerken.’ Maar dat wilde nog niet zeggen dat er sprake was van smalende godslastering: ’Er is een zo grote verscheidenheid in de Gods-voorstelling dat er steeds wel een volksgroep zal zijn, die zich gekwetst voelt door wat een ander ervan zegt. De verering van rooms-katholieken voor de eucharistie wordt door calvinisten als afgoderij beschouwd.’ Grossouw uitte zich minder pastoraal: ’Als sommige mensen aanstoot hebben genomen aan de gewraakte passages, vloeit dat voort uit literair onbegrip, psychologische remmingen en het niet kunnen lezen.’

Abspoel noemde dat laatste ’bijzonder grievend’ en misplaatst uit de mond van een theoloog. Want waarom waren veel gelovigen nu geschokt? ’Mede daardoor omdat sinds de vroegste tijden de katholieke kerk en namens haar alle theologen – misschien deze deskundige zelf in een niet te ver verleden ook nog – hun hebben voorgehouden dat homoseksualiteit en bestialiteit hoogst verwerpelijke zaken zijn.’ Abspoel vergeleek Grossouw met een schoolmeester die zijn leerlingen uitfoetert omdat ze ’roode koolen’ schrijven – terwijl hij hun gisteren nog heeft ingeprent dat dít de juiste spelling is. In zijn memoires zou hij zelfs verklaren:

’Alle boosheid die ik als jeugdige atheïstisch socialist gevoeld had tegen de godslasteringswet van Donner, werd weer opgewekt door de houding van de theologen in deze zaak. Zij hadden, als groep gezien, deze idiote wet uitgevonden en beweerden nu dat ik gek was omdat ik die als officier van justitie moest toepassen. Ik zou ze krijgen. Bij tijd en wijle is mijn katholicisme een heel dun vernis en heb ik ontzaglijk het land aan alles en iedereen wat zich in dit land christelijk noemt, zij het conservatief, zij het radicaal. De christenen hebben zich altijd onderscheiden door een grote mate van intolerantie.’

Eerder was Van het Reve van leer getrokken tegen de twee pastors die hadden geprotesteerd tegen zijn Ezelsvisioen. ’Als de Tweede Incarnatie zich zal voltrekken, zoals ik me die voorstel’, zo had hij in Dialoog geschreven, ’dan verwacht ik dat Hij, met in het geheel niet omzwachtelde hoeven, pater J. Gottschalk m.s.f. zowel als de heer A.J.R. Brussaard, gereformeerd predikant, elk een enorme trap onder hun achterste zal verkopen’.

Dat was nu niet aardig. Want wat hadden beide pastors helemaal gezegd? Ze hadden benadrukt dat ze Dialoog een ’uitstekend’ tijdschrift vonden, dat ze Van het Reve hoog hadden ’om zijn werken’ en dat ze zich niet konden vinden in het oordeel van Algra. Maar: ’Des te minder begrijpen wij waarom hij [Van het Reve] de indruk wekt om zo opzettelijk en grievend als maar mogelijk is elk religieus gevoel te kwetsen en Algra in het gelijk te stellen. Want wanneer de gewraakte passage op ons en vele leden van onze kringen reeds zo’n weerzinwekkende indruk maakt, wat moeten dan wel niet de reacties zijn bij hen die vreemd staan tegenover het verschijnsel van de homofilie?’

Met ’onze kringen’ bedoelden Brussaard en Gottschalk niet het protestants-christelijke of rooms-katholieke ’volksdeel’. Ze reageerden niet namens een kerk of zuil, maar als ’pastores die zich mede verantwoordelijk weten voor het bestaan van meerdere contactgroepen van homofiele christenen’. Ze waren bezorgd voor het effect dat Van het Reve’s uitlatingen zouden kunnen hebben voor het prille proces van aanvaarding van ’homofilie’.

Theologen als Brussaard en Gottschalk hadden een belangrijke rol gespeeld in de ’herbezinning’ op dit ’vraagstuk’, die in de jaren vijftig op gang was gekomen. Waar men tot dan toe (niet alleen in kerkelijke kring) had aangedrongen op behandeling, desnoods castratie, of althans onthouding, werd nu gepleit voor acceptatie. Homoseksuelen moesten in het reine zien te komen met hun geloof, hun geweten én hun ’geaardheid’. Daartoe was in 1958 een speciaal katholiek Pastoraal Bureau geopend. De betrokken pastores, psychiaters en psychologen hadden in 1960 geconfereerd, en in 1961 een Pastoraal Cahier over homoseksualiteit gepubliceerd, dat gretig aftrek vond. Protestanten hadden in 1959 een soortgelijke vorm van pastorale en psychiatrische hulp georganiseerd. Ook zij hadden in een conferentie en een boekje gepleit voor aanvaarding van De homosexuele naaste (1961). Ook van dat boekje waren vele duizenden exemplaren verkocht – waarschijnlijk niet alleen aan protestanten. Toegankelijke lectuur over homoseksualiteit was namelijk schaars: het Nederlands Gesprekscentrum bracht pas in 1965 een soortgelijk werkje uit; de NVSH zelfs niet eerder dan 1969. Pastors als Gottschalk en Brussaard hadden dus baanbrekend werk verricht – maar kregen nu stank voor dank

Theologen kregen niet alleen kritiek van de aanklager en de aangeklaagde. In 1967 verscheen God en ezel, geschreven door G.A. Lindeboom, hoogleraar aan de Vrije Universiteit in de medische geschiedschrijving en de interne geneeskunde. (’Er moet een God zijn, Edelachtbare’, zei Van het Reve, ’want dit kan men toch onmogelijk zelf verzinnen.’) Lindeboom karakteriseerde Van het Reve als een auteur die ’a) met zijn homoseksualiteit te koop loopt en zijn homoseksuele ervaringen en verlangens met een zekere wellust, om niet te zeggen trots, ten toon spreidt; b) lijdt onder zijn drankzucht; c) een zeker Godsverlangen ondervindt; d) bang is voor de dood, en e) niet verheelt met zijn schrijven zoveel mogelijk geld te willen verdienen.’

Verder constateerde hij ’sadisme’, ’pedofilie’, ’zoöfilie’ en ’necrofilie’ – alles ten bewijze van het ’ziekelijke’, ’perverse’, ’Godslasterlijke’ karakter van Van het Reve’s persoon en werk. Literatuurkritiek, diagnostiek en zedenleer gingen hier naadloos in elkaar over. Lindeboom citeerde zelfs een commentaar van pater Anastase Prud’homme, S.J.–- kennelijk zonder te weten dat dit W.F. Hermans was.

Toch zou het onjuist zijn om Lindebooms ’onsterfelijke boekje’ (zoals Van het Reve het noemde) af te doen als naïef verzet tegen literatuur. Het was niet zozeer gericht tegen Van het Reve, als wel tegen gereformeerde theologen ’die niet blaffend aanslaan wanneer ze de naam van God, wiens Woord ze ’s zondags voor de Gemeente bedienen, horen smaden, en een eigenaardige onverschilligheid aan de dag leggen als de meest stuitende geslachtelijke ontucht als godsdienstige handeling wordt beschreven’. Dat verwijt gold vooral de Kamper ethicus prof. G.Th. Rothuizen, diens Amsterdamse vakgenoot dr. H.M. Kuitert én eerdergenoemde ds. Brussaard.

Lindeboom had het eerder aan de stok gehad met theologen van zijn kerk. Als voorzitter van een gereformeerde artsenvereniging had hij de Amsterdamse predikant dr. S.J. Ridderbos uitgenodigd om in mei 1960 te spreken over homoseksualiteit. In een recent artikel had Ridderbos namelijk betoogd dat in de bijbel geen verbod was te vinden op ’echte’, maar alleen op ’cultische’ homoseksualiteit. Die stelling had in de artsenvergadering geleid tot een felle discussie. Lindeboom had zich daar, als voorzitter, buiten moeten houden. Maar toen Ridderbos een bijdrage had geleverd aan De homosexuele naaste, had hij zijn kans schoon gezien, en het boekje de grond in geboord.

Het Ezelsproces bood Lindeboom een nieuwe gelegenheid om zijn gelijk te halen. Als een ’echte’ homoseksueel zich schuldig maakte aan ’cultische’ homoseksualiteit, kwam dan dit onderscheid niet op losse schroeven te staan? Bovendien, waar Ridderbos en Brussaard de nadruk hadden gelegd op de ’geaardheid’ van homo’s, ging het nu over de naakte feiten: seks, anale penetratie – van een ezel godbetert.

Een arts die seksueel conservatiever is dan theologen? Het is wat onwennig, maar er zijn meer voorbeelden van. Toen priesters in de jaren dertig de gelovigen wilden toestaan om ’periodieke onthouding’ toe te passen, stuitten ze op verzet van de Rooms-Katholieke Artsenvereniging. Soortgelijke aanvaringen deden zich voor in de jaren vijftig, over masturbatie. Terwijl pastores hun parochianen tegemoet wilden komen, hielden confessioneel georganiseerde artsen vast aan de traditionele zeden.

Rond 1965 hadden de verzuilde artsenorganisaties hun beste tijd gehad. Progressieve priesters en predikanten stonden daardoor sterker. Bovendien konden ze een nieuwe deskundigheid laten gelden. Sinds de jaren vijftig legden velen zich toe op ’pastoraat’ aan mensen met ’levensmoeilijkheden’. Aan dat werk ontleenden ze een nieuw beroepsimago: geen kanseltijgers, zedenmeesters of zwartrokken maar psychologisch geschoolde, begripvolle hulpverleners.

Voor zulke ’pastors’ waren homo’s aantrekkelijk. Homoseksualiteit was immers een kwestie op het grensvlak van geloof en geneeskunde, van pastoraat, psychologie en psychiatrie –- precies het terrein waar zij zich wilden bewijzen. Daarenboven konden ze hier laten zien dat ze individuele mensen hoger hadden dan burgerlijk fatsoen of traditionele moraal. Niet dat ze zich enkel om ’homofielen’ bekommerden om daar zelf beter van te worden. Er was in die jaren moed voor nodig om op te komen voor een minderheid die zo algemeen (niet alleen door gelovigen) werd verafschuwd. Progressieve pastors hebben veel bijgedragen tot de acceptatie van homoseksualiteit en homoseksuelen – een van de opmerkelijkste sociaal-culturele veranderingen in naoorlogs Nederland.

De afschuw van homoseksualiteit die rond 1960 nog algemeen was in Nederland, heeft plaatsgemaakt voor een even krachtig beleden (maar misschien iets minder gevoelde) verontwaardiging over homodiscriminatie. Aanvaarding van homoseksualiteit is deel gaan uitmaken van de nationale identiteit, de vaderlandse trots van Nederlanders. Ze geldt zelfs als maatstaf van integratie: wie zich vandaag de dag tegen homoseksuelen keert, laadt de verdenking op zich dat hij of zij zélf niet voldoende is ingeburgerd (zie www.nationaleinburgeringstest.nl).

Een soortgelijke omkering is te zien inzake religie. Waar veertig jaar geleden zeker niet alleen steile calvinisten of bezorgde pastors vonden dat Van het Reve te ver ging, is nu de heersende opinie dat men niet ver genoeg kan gaan om gelovigen hun plaats te wijzen. Kort na de moord op Theo van Gogh (die moslims herhaaldelijk had getreiterd door Allah als varken voor te stellen) stelde minister van justitie J.P.H. Donner voor om smadelijke godslastering weer actief te gaan vervolgen. Zijn voorstel werd overstemd door een tegenvoorstel, namelijk om de blasfemiebepaling te schrappen. Uiteindelijk bleek ook daar geen kamermeerderheid voor: godsdienstige Nederlanders zouden het als een affront kunnen beschouwen, terwijl godloochenaars er niets mee zouden winnen.

Artikel 147 van het Wetboek van Strafrecht is sinds het Ezelsproces namelijk zo dood als een pier. Dat komt niet zozeer doordat de Nederlandse samenleving is geseculariseerd, als wel doordat ze religieus pluriformer is geworden. Anders dan in de jaren dertig is er niet meer een grootst gemeen godsbeeld. De god van ’t algemeen wordt de facto niet langer door het strafrecht beschermd – wel, maar met mate, de gevoeligheden van (godsdienstige) minderheden. Artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht noemt het namelijk een misdrijf om zich opzettelijk beledigend uit te laten over een groep mensen ’wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke, psychische of verstandelijke handicap’.

Het Ezelsproces is met recht beroemd. Maar er mankeert iets aan de manier waarop men het in herinnering pleegt te roepen. Zo noemt men de uitkomst vaak een triomf van secularisatie: het terugdringen van godsdienst uit de publieke naar de privé-sfeer. Maar Van het Reve eiste juist het recht om zijn eredienst openbaar te maken. En terwijl progressieve opinieleiders seks verschoonden van morele en religieuze connotaties, gaf hij het geslachtsleven weer bovenaardse luister. Zijn eigengereide gebruik van religieuze termen en beelden bracht traditionele gelovigen van de wijs, maar ging ook in tegen de verlichte koekoekszang van zijn tijd.

Het Ezelsproces heet verder een overwinning voor de homo-emancipatie. Terecht, want vóór Van het Reve waren weinigen zo onbeschroomd uit de kast gekomen. Maar ten onterechte suggereert men dat die bevrijding vooral bevochten moest worden op religieuze instituties. Sommige theologen of ’pastors’ blijken er juist veel toe te hebben bijgedragen. Toegegeven: kerkelijke Nederlanders waren (en zijn) sterker geneigd om homoseksualiteit af te keuren. Maar naast die afkeuring was (en is) er in brede lagen van de bevolking een diepgevoelde afkeer van homoseks, die weinig te maken had of heeft met godsdienstige overtuiging.

Van het Reve ging die aversie niet uit de weg (door met een nette geaardheid voor de dag te komen), maar provoceerde haar. Seks van achteren vonden zelfs de meeste progressieve Nederlanders waarschijnlijk weerzinwekkend – zeker met een ezel. Maar omdat vooral behoudende christenen tegen Van het Reve in het geweer kwamen, kon niemand uiting geven aan die weerzin zonder even achterlijk te lijken als Van Dis en de zijnen.

Het was op goede gronden dat Van het Reve werd vrijgesproken, op 2 april 1968 definitief. Maar al lang voordien had hij zijn tegenstanders met stomheid geslagen. Hij kreeg namelijk bijval van de spraakmakende gemeente, die het uitgierde om de manier waarop hij zijn verdediging voerde. Daardoor zat er voor de bezwaarden en gegriefden weinig anders op dan zwijgen, slikken en zich schikken. Dat ging zo ver dat je nu haast zou denken dat heel Nederland toen aan de kant van aangeklaagde heeft gestaan. De klagers liggen op het kerkhof.

Een uitgebreide versie van dit artikel verschijnt in het maartnummer van Theologisch Debat (abonnementen@kok.nl; 038-3392555).

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie