Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Elke rivier heeft zo zijn X-factor

Home

REPORTAGE | COKKY VAN LIMPT

De Blauwe Kamer is een van de topsuccessen van natuurontwikkeling. Het begon allemaal in 1992, met de verlaging van de zomerdijk langs de Nederrijn bij Wageningen.

Bart Peters kijkt eens goed. Zijn dat zilverreigers? Even de kijker erbij. Nee, het zijn geen reigers. In de verte, op de oever van een oude kleiput in de Blauwe Kamer, broeden lepelaars, in de bomen erboven aalscholvers en reigers. "Lepelaars in het Nederlandse rivierengebied, niet te geloven, hè. Dat was twintig jaar geleden ondenkbaar."

Tussen de zomerdijk van de Nederrijn en de voet van de Grebbeberg, is dankzij twee decennia natuurontwikkeling een waar dorado ontstaan voor vele soorten. Met 66 bijzondere plantensoorten is de Blauwe Kamer tegenwoordig een van de rijkste natuurgebieden langs de Rijntakken, waartoe behalve de Nederrijn ook de Gelderse Poort, Waal en IJssel behoren. De bever voelt zich hier bij Wageningen zo te zien ook thuis. Aan een wilgestam bij de plas van de lepelaars zitten verse knaagsporen. "Hier heeft er een zijn tanden geslepen", denkt ecoloog Peters, die de ontwikkeling in het Nederlandse rivierengebied op de voet volgt.

Ook libellen, sprinkhanen en vissen - waaronder veel bijzondere soorten - en de ringslang profiteren van de omvorming van deze voormalige agrarische uiterwaard tot natuurgebied. De invloed van de hier grazende Galloway-runderen en konik-paarden op de begroeiing speelt daarbij een rol, maar het is toch vooral het water dat dit natuurgebied zijn bijzondere karakter geeft, in combinatie met de aangrenzende Grebbeberg.

Peters loopt de Blauwe Kamer binnen op de plaats waar de zomerdijk in 1992 verlaagd is. Die ingreep was het begin van de omvorming. Sinds deze lokale kadeverlaging overstroomt bij hoogwater een deel van het terrein erachter vaker dan voorheen. Een brede, langgerekte opening loopt vanaf de zomerkade door naar een geul, die door een diepe zandplas heen is gegraven en verderop weer in verbinding staat met de rivier. Op het hele traject van dijk naar geul is de aanwezige rivierklei afgegraven tot op de zandige bodem. "Reliëfvolgend ontkleien noemen we dat", zegt Peters. "Een succesformule."

"Doordat de Nederrijn een gestuwde rivier is, valt het gebied achter de zomerkade nooit droog. Wel beweegt het waterpeil van de nieuwe geul bij hoge rivierafvoeren rechtstreeks mee met dat van de Nederrijn," legt hij uit. "Vooral moerasplanten en zeldzame waterplanten, zoals het groot nimfkruid, profiteren van die relatief hoge waterstand, en van de goede kwaliteit van het water."

Ook al bloeien onder andere de kattendoorn en de wilde agrimonie er welig, vergeleken met andere uiterwaarden krijgt de typische stroomdalflora in de Blauwe Kamer wat minder goede kansen. Het waterpeil in de Nederrijn kent door de stuwen veel minder hoogteverschillen dan bijvoorbeeld de Waal. Mede daardoor zijn er langs de Nederrijn ook veel minder zandafzettingen en zandbewegingen dan langs een ongestuwde rivier. Stroomdalplanten, zegt Peters, floreren nu eenmaal het beste bij een grote zanddynamiek.

Maar de combinatie van de uiterwaard met de stuwwal van de Grebbeberg geeft de Blauwe Kamer juist weer een extra dimensie die elders langs de rivieren ontbreekt. De overgang van het bos van de Grebbeberg naar het grasland van de uiterwaard maakt het gebied aantrekkelijk voor dieren die in het bos leven en langs de rivier hun voedsel zoeken, zoals roofvogels, vleermuizen en dassen. En een topgebied voor plantensoorten die gedijen op de overgang van droog naar nat, zegt Peters. Hij noemt onder meer de besanjelier, pijpbloem, ruige leeuwentand, grote tijm, kruisbladwalstro, vogelmelk, slangenlook en salomonszegel.

Peters ziet twee bergeenden op deze struintocht door het gebied. "Bergeenden zijn pioniers bij uitstek. Ze broeden in holen, vaak van konijnen, in steilwanden, zoals we geërodeerde rivierwanden noemen." In de verte rent een haas op topsnelheid voorbij. Vlakbij vliegt een paartje grauwe ganzen op. Waarschijnlijk ligt hun nest in de buurt.

Dat brengt het gesprek op het ganzenprobleem. De belangrijkste oorzaak van de overpopulatie van, landbouwschade veroorzakende, (zomer)ganzen in ons land, is volgens Peters de overvloed aan ganzenvoer op de vele vetgemeste weilanden met Engels raaigras. En de afwezigheid van vossen, als gevolg van de jacht. "Er wordt wel met de beschuldigende vinger naar de beschermde natuurgebieden gewezen. Maar dat is ten onrechte. Ganzen bezoeken die gebieden aanvankelijk wel en richten daar soms ook schade aan, door vraat en mest. Maar hoe groter het gebied wordt en hoe meer het verruigt - dat zie je hier ook al gebeuren - hoe minder aantrekkelijk het voor ze wordt. Juist relatief kleine natuurgebieden omgeven door voedselrijke weilanden zijn het ideale landschap voor de grauwe gans."

Op de terugweg wordt Peters nogmaals verrast langs de oever van een tweede geul, die met het oog op natuurontwikkeling in de Blauwe Kamer is uitgegraven. Een rustige plas met een zandige bodem, die met kwelwater wordt gevoed vanuit de rivier. Opeens duikt de ecoloog enthousiast naar de grond, waar naast de voorzichtig opkomende blaadjes van de rietorchis een langgerekte, blauwzwarte kever wandelt. "Och wat leuk, een oliekever! Dat is een heel zeldzame parasiet. Wat doet die nu hier?"

Tijd voor een natuurlesje. "Oliekevers," doceert hij, "voeden hun larven met eitjes van graafbijen en graafwespen. De kever legt zijn eitjes in de nesten die de bijen en wespen graven, vaak in steilwanden, soms ook in de grond." Steilwanden ontbreken in de Blauwe Kamer, maar een snelle inspectie met zijn schoenpunt toont dat de aarde hier zanderig genoeg is om er een bijennestje in te graven.

De Nederrijn stroomt rustig langs de oever. Eigenlijk maar een saaie rivier, als je hem vergelijkt met de wilde Waal. Geen rivierstrandjes, geen stromende nevengeulen. Maar dat moet de kenner van het rivierengebied toch tegenspreken.

"De sterke kanten van de Waal zijn de dynamische zandafzettingen en de stroomdalflora. De IJssel is de rivier van de rustige stroomgeulen, hanken, strangen en oeverwalletjes. De kracht van de Nederrijn is het water achter de zomerdijk, het moerasbos, de broedvogels en de combinatie met de Grebbeberg. Elke rivier", meent Peters, "heeft zo zijn eigen X-factor."

'Je kunt niet eindeloos geulen blijven verbreden of uitdiepen'
Twintig jaar natuurontwikkeling is voor de flora en fauna langs de grote rivieren een doorslaand succes. Strakgetrokken rivieren met kale weilanden erlangs hebben plaatsgemaakt voor een afwisselend rivierenlandschap, met stromende nevengeulen, dynamische zandafzettingen en natuurlijke uiterwaarden, waarin het voor paarden en koeien goed grazen is en voor mensen aangenaam recreëren.

De eerste plannen voor de natuurontwikkeling langs de rivieren werden gemaakt om verdwenen soorten weer een kans te geven. En de akkers en weilanden hebben inderdaad plaatsgemaakt voor een spectaculaire diversiteit aan planten en dieren. Succesvolle voorbeelden zijn de Millingerwaard bij Nijmegen en de Blauwe Kamer bij Wageningen.

Na de dreigende dijkdoorbraken in 1995 kwam veiligheid hoog op de agenda te staan. Het afvoeren van grote hoeveelheden water en natuurontwikkeling blijken uitstekend van elkaar te kunnen profiteren. Tal van nevengeulen werden en worden gegraven. Pure winst voor een afwisselende natuur en een goede manier om de rivier bij extreem hoogwater de ruimte te geven.

Ook winning van klei, zand en grind speelt een belangrijke rol bij de natuurontwikkeling langs de rivieren. Steeds meer bedrijven gingen samenwerken met natuurbeheerders. Het maken van diepe kleiputten en zandplassen heeft daardoor plaatsgemaakt voor nieuwe technieken, die de natuur ten goede komen. Nu wordt bij het graven bijvoorbeeld het natuurlijke reliëf van de klei gevolgd. Bovendien heeft de openstelling voor publiek van de nieuwe riviernatuur geleid tot een nieuwe (recreatie)economie.

Resultaten om te zoenen, verzameld in dikke rapporten. Eerst Maas in Beeld en nu het zojuist verschenen Rijn in Beeld. Hoe het in de toekomst verder zal gaan met het rivierengebied, is volgens ecoloog Bart Peters de grote uitdaging voor de Deltacommissie. Als een van de initiatiefnemers van het riviernatuuronderzoek hoopt hij dat de commissie zich niet blindstaart op louter veiligheid en hoogwaterscenario's. Peters hoopt, en 'verwacht eigenlijk ook wel', dat de commissie kiest voor kwaliteit en voortborduurt op de succesformule van de combinatie natuurontwikkeling, delfstoffenwinning en hoogwaterveiligheid.

"De kans dat het rivierengebied bij hoogwater overstroomt, doet zich statistisch eenmaal in de 1250 jaar voor. Maar we hebben wel 365 dagen per jaar te maken met de kwaliteit en bruikbaarheid van ons landschap. Kijk daarom, zeg ik, naar wat de natuurlijke grenzen zijn van een landschap. Je kunt niet eindeloos geulen blijven verbreden of verder uitdiepen. Het is dus ook belangrijk om naar dijkverlaging te blijven kijken, omdat je daarmee structureel meer ruimte voor het water creëert. Vinden we dat het rivierwater vervolgens nóg meer ruimte nodig heeft, dan ontkom je er vermoedelijk niet aan lokaal ook eens een dijk te verhogen", denkt de ecoloog.

De recreatiesector speelt eveneens in op het landschap: bezoekers komen af op de mooie natuur langs de rivieren. Peters: "Dit levert een nieuwe economie op, maar straalt ook af op de kwaliteit van wonen in de omringende steden en dorpen. De maatschappelijke waarde van de combinatie hoogwaterbescherming en natuurontwikkeling wordt daardoor nog groter."

www.rijninbeeld.nl



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie