Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Eindelijk hulp voor de mishandeling van vroeger

Home

Harriët Salm

Jaarlijks worden minstens 100.000 kinderen mishandeld. Als zij volwassen worden, laat dit vaak sporen na. In vier nieuwe behandelcentra kunnen deze volwassenen nu in therapie.

Ik ben een niemand. Ik ben helemaal niks waard. Ik doe nooit iets goed.’ De 40-jarige Anna Janssen somt met haar typisch Haags accent, maar zonder zichtbare emotie, het gevoel op dat haar moeder haar als kind gaf.

Ze is destijds mishandeld. „Vaak kreeg ik straf, als peuter al, dan werd ik opgesloten, zonder eten, soms 24 uur lang. Ik ben ook langdurig seksueel misbruikt.”

Janssen is al tien jaar in therapie bij psychotherapeute Paula de Jong (51) van PsyQ in Den Haag, de vroegere Riagg. Deze instelling opende onlangs een nieuw centrum dat zich alleen nog met patiënten met een ’vroegkinderlijk trauma’ bezighoudt.

„Het gaat om volwassenen die voor hun achtste jaar langdurig zijn mishandeld,” legt De Jong uit. Zij hebben een uitzonderlijk probleem, omdat ze als klein kind geen normale hechtingsrelatie met een verzorger hebben opgebouwd. „Gevolg is dat ze helemaal niemand vertrouwen en geen gezonde relaties aan kunnen gaan.”

Janssen vertelt wat dit voor haar betekent. Vrienden of vriendinnen heeft ze niet. Haar kinderloos huwelijk eindigde in een scheiding, haar ex-man mishandelde haar.

Als ze op haar werk - ze is administratief medewerkster - geen zicht op de deur heeft, raakt zij in paniek. Ze heeft een eetstoornis, is te dik. Voelt ze zich slecht, dan propt ze zich vol vette happen, dat geeft haar troost.

En toch is er voor mensen als Janssen hoop. Want met de juiste therapie kan hun leven sterk verbeteren, is de ervaring van de geestelijke gezondheidszorg.

Niet alleen in den Haag, maar ook in Drenthe, Brabant en Utrecht zijn daarom dit voorjaar aparte centra geopend waar deze patiënten terecht kunnen.

Jaarlijks vragen naar schatting 3600 patiënten die last hebben van mishandelingen in hun vroege jeugd om hulp, zeggen de instellingen. Met deze centra wordt de kennis over hun behandeling gebundeld. Verder zal er worden onderzocht welke behandelingen goed aanslaan.

Ook volgens Francien Lamers-Winkelman, als onderzoekster verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, zijn er ’duizenden en duizenden mensen’ die problemen hebben vanwege mishandeling in hun jeugd, maar geen goede hulp vinden. Zij verwijst naar recente onderzoeken van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden waaruit blijkt dat jaarlijks tussen de 100.000 en 160.000 kinderen worden mishandeld.

Lamers-Winkelman: „Er is in Nederland allereerst veel te weinig voor kinderen die verwaarloosd, geslagen, misbruikt zijn. Er is maar een hele kleine groep therapeuten in gespecialiseerd.”

Als die kinderen volwassen zijn, zijn ze dus niet, of nauwelijks, behandeld. „En dus is er een grote groep volwassenen die hiermee rondloopt en gebaat zou zijn bij een veel betere opvang.”

Want het trauma zit hen in de weg. „Als je nooit geknuffeld bent in je gezin, er altijd tegen je gezegd is: jij bent een klotekind, dan heb je echt een superspecialist nodig om daarover heen te komen. Als een kind ook nog eens seksueel misbruikt is, geldt dat helemaal.”

Janssen’s therapeute Paula de Jong specialiseerde zich al eerder in deze patiënten, voorheen als psychotherapeut bij de Haagse Riagg. Nu is zij manager van het nieuwe centrum. „Therapie helpt deze mensen zeker, maar is wel zwaar en langdurig.”

De eerste fase van de behandeling bestaat uit het winnen van vertrouwen, vertelt De Jong. Pas als de patiënt zich veilig voelt, dat kan vele maanden van wekelijkse gesprekken duren, komen de klachten aan de beurt.

Depressies, nachtmerries, allerlei angsten en paniekaanvallen zijn bekende symptomen. „Je zit in de tram, kijkt in de ogen van zomaar iemand en je denkt de dader te zien. Dan voel je de angst zoals je die vroeger voelde. Gevolg is paniek, je durft je niet meer onder mensen te begeven.”

De Jong leert de patiënten vervolgens hier beter mee om te gaan. „Op het moment dat je de paniek voelt opkomen, moet je je oriënteren in het hier en nu. Je zegt tegen jezelf: het is 2007, ik zit nu hier in de tram, ik let op mijn ademhaling, ik voel hoe mijn voeten op de grond staan.”

Ook kan het helpen bij een aanval van paniek een ’veilig beeld’ op te roepen, vertelt haar patiënte Anna Janssen. „Ik heb mijn huisje opgeknapt, daar ben ik trots op. Ik neem bij paniek een beeld in mijn hoofd van mezelf met de verfkwast in mijn hand. Daar heb ik een zin bij: wow, ik heb dat te gek gedaan, zeg ik dan. Dat helpt.”

In de tweede fase van de behandeling is ze onder hypnose gebracht en geconfronteerd met haar moeder. „Je moet enge dingen onder ogen zien. Ik vind jou een trut, heb ik gezegd tegen mijn moeder tijdens de hypnose. Dat was een hele overwinning.”

De Jong: „In hypnose confronteer je patiënten met de daders, en kunnen zij boosheid en verdriet gaan voelen. Daarmee begint de verwerking, die er uiteindelijk toe leidt dat je verder kunt.”

Een illustratie van de moeizame zoektocht naar hulp vormt het verhaal van Sylvia de Vries (37) uit Amsterdam komen de centra te laat, „maar dat geeft tegelijk aan dat ze wel hard nodig zijn”, vindt ze. Zij heeft lang naar bruikbare hulp gezocht en vond die bij een particuliere psychiater en een internetsite.

De Vries: „Als het te erg is wat je overkomt, dan treedt een overlevingsstrategie in werking die zorgt dat je vergeet. Mijn verleden zit vol zwarte vlekken, ik weet van bepaalde dingen gewoon niet meer hoe het gegaan is. Ik heb veel gehad aan een internetsite, www.empty-memories.nl. Die is bedoeld voor de duizenden mensen die hetzelfde hebben.”

Haar geschiedenis lijkt op die van Anna Janssen. „Als baby ben ik al een paar keer naar het ziekenhuis gebracht door mijn oma, omdat ik ondervoed was,” vertelt De Vries. „Mijn moeder kon niet voorzien in mijn behoeften. Huilen mocht niet, dan deed ze de deur gewoon dicht. Ik moest lachen en goed zijn, dan voldeed ik. Maar niet altijd, hoor, soms kreeg ik ook dan niks te eten.”

Al heel vroeg is ook zij ernstig seksueel misbruikt. „Ik werd uitbesteed voor kinderporno. Daarvoor kreeg ik drugs, zo werd ik verdoofd.” Doordat zij al heel jong geen normaal eetpatroon kende, lijdt zij aan anorexia. „Niet eten, daar had ik tenminste controle over.”

Ze liep op haar veertiende weg van huis, leefde op straat. Vaak is ze in behandeling geweest bij de Riagg, maar pas een jaar of zes geleden kwam ze bij een particuliere psychiater aan wie ze wat heeft. Hij hielp haar van haar eetstoornis af.

„Ik ga met hem niet mijn verleden weer oproepen. Dat is niet nodig. Hij luistert eigenlijk voornamelijk. Met mij gaat het nu goed, ik heb een eigen woning.”

Sinds een jaar is ze moeder. „Ik heb lang gewacht met een kind, omdat ik de oude cirkel van misbruik wil doorbreken. Maar nu kan ik het aan. Een relatie met een man is voor mij heel moeilijk. Daarom heb ik een zaaddonor gevonden via internet.”

De Vries heeft tegenwoordig wel een vriend en gaat samenwonen. Ze leeft van een uitkering. „Mijn eerste taak is nu om dit kleintje op een goede manier groot te brengen.”

Ook met Anna Janssen uit Den Haag gaat het beter. Ze zit in de derde en laatste fase van haar therapie. Ze moet nog leren met andere mensen op een gewone manier om te gaan. „En ik moet geen terugval meer krijgen.”

Janssen: „Ik ben er nog niet, maar ik kan wel al erg genieten, van een mooie bloem bijvoorbeeld. Mijn werk kan ik aan, maar relaties, dat wil ik nog niet. Weet je wat ik op mijn verjaardag doe? Dan trakteer ik mezelf op een bezoek aan de dierentuin. Dan heb ik in mijn eentje een heerlijke dag.”

De namen van Anna Janssen en Sylvia de Vries zijn om privacy-redenen gefingeerd.

Deel dit artikel