Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Ehsan Jami / Ik wil geen evolutie, ik wil een revolutie

Home

arjan visser

Ehsan Jami (Mashad, Iran, 1985) emigreerde in 1994 met zijn ouders en zusje naar Nederland. Hij is gemeenteraadslid voor de Partij van de Arbeid in Leidschendam-Voorburg en kwam in het nieuws toen hij aankondigde een comité voor ex-moslims te willen oprichten. Jami werkt aan een scenario voor een film over afvalligheid en homoseksualiteit en in september verschijnt een boek van zijn hand over de islam in Nederland, ex-moslims en zijn visie op het beleid van de PvdA.

I

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Ik was een moslim, ik werd zo opgevoed, ik wist niet beter. Ik geloofde in Allah, ik geloofde in de profeet Mohammed. Een vroom leven, met alles erop en eraan. Naarmate ik ouder werd, begon ik allerlei signalen op te vangen die mij aan het twijfelen brachten. Als de islam zo vredelievend was, waarom werden kinderen dan tijdens de koranlessen met een liniaal geslagen, of met twintig graden vorst naar buiten gestuurd? Waarom gebeurden er zoveel wrede dingen? Toen ik, later, begon te denken over het oprichten van een comité voor ex-moslims zei mijn moeder: ’Weet je, Ehs, toen ik op een dag mijn chador had aangetrokken en op het punt stond om naar buiten te gaan, zei jij tegen mij dat het geen gezicht was en dat je niet wilde dat ik zo de straat op ging.’ Ik kon mij dat voorval niet meer herinneren, maar kennelijk heb ik mij al van jongs af willen verzetten tegen de uitwassen van religie. Het heeft nog tot mijn zestiende geduurd voordat ik durfde te zeggen hoe ik dacht over de verhalen die ik in de Koran had gelezen. Mijn vader, die nog altijd moslim is, vond het vooral raar, mijn moeder had meer begrip. Zij was, nadat wij naar Nederland waren geëmigreerd, tot het christendom bekeerd. We vormden een eigenaardig pluriform gezelschap. Ik zou haast zeggen: wij waren er het levende bewijs van dat het mogelijk is om met verschillende geloofsopvattingen samen te leven. Nee, ik ben geen atheïst, ik geloof nog wel degelijk in God. Dit alles kan toch niet toevallig bestaan? Kijk eens naar het menselijk lichaam, hoe prachtig die motor in elkaar zit. Het is gek: ik ben wetenschappelijk ingesteld – laat me het bewijs zien, dan zal ik het pas geloven – maar het onverklaarbare gevoel dat er iemand is die op mij let, is de basis van mijn bestaan.”

II

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Er was één afbeelding van Mohammed. Een man met een baard. In een groen gewaad. Zo stel ik mij hem nog altijd voor. Ik had bewondering voor hem: o, dat is de profeet! De man over wie zulke prachtige verhalen werden verteld. Een held. Tot ik zelf de Hadith, het verhaal van zijn leven, ging lezen en erachter kwam dat hij een crimineel was geweest. Een barbaar! Iemand die dood en verderf zaaide onder de mensen die zijn geloof niet wilden aanhangen. Niet bepaald een voorbeeldig moslim. Het verhaal van de profeet staat bol van contradicties en misdadigheden. Een vrouw die hem kwam vertellen dat ze door haar man werd mishandeld, werd weggestuurd met de boodschap: ’Ga terug naar uw man en bevredig zijn seksuele verlangens.’ Als Mohammed nu zou leven, zou je hem met Osama Bin Laden, of met Saddam Hoessein kunnen vergelijken. Een verschrikkelijke man, iemand die mooie woorden spreekt maar achter je rug een mes tevoorschijn haalt om je neer te steken. Het was een verschrikkelijke deceptie om te ontdekken dat Mohammed niet de man was voor wie ik hem in mijn jeugd had gehouden. Het is waarschijnlijk net zoiets als op een dag te horen krijgen dat Sinterklaas en de paashaas niet bestaan. Het beeld van Mohammed – de man met de baard, gehuld in een groene mantel – is nog steeds intact, maar mijn enorme bewondering voor hem is omgeslagen in diepe minachting.”

III

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Allah, zoals hij in de Koran beschreven staat, is een wrede, onderdrukkende, tirannieke God. Je bent vrij om in zo’n God te geloven, zo lang je de wetten, de normen en waarden, van onze samenleving maar respecteert. Als ik hoor dat mijn moslimbuurman zijn vrouw slaat, zal ik naar de politie stappen. Koran of geen Koran: in Nederland is het strafbaar om iemand te mishandelen. Je hebt jongens die volgens de sharia willen leven. Prima. Zo lang ze de regels van dit land niet overtreden. En zo lang ik maar niet met dit soort laagdenkende figuren hoef om te gaan. We moeten elkaar dus wel met rust laten, we moeten elkaar die vrijheid bieden. Zij moeten accepteren dat ik anders denk over bijvoorbeeld homoseksualiteit en vrouwenrechten; dat ik niet geloof in een God die een boek stuurt naar de mensen, die zegt: ’Als jullie dit doen, dan zal ik* ’ of een God die zich door ons kan laten beledigen. Mijn God is een vredelievende God, een God die gelooft in de universele rechten van de mens.”

IV

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Sinds ik bezig ben met de oprichting van het Centraal comité voor ex-moslims is mijn leven in een stroomversnelling gekomen. Ik werk alle dagen even hard, maar ik vind toch altijd de gelegenheid om, tussen de bedrijven door, aan God te denken. Dan bedank ik Hem voor feit dat ik gezond ben, dat ik mijn ouders nog heb, voor het leven dat ik leid. Ik kan niet ontkennen dat ik haast heb. Het moet nú gebeuren. No time to waste! Ik wil geen evolutie, ik wil een revolutie. Er zijn mensen die in gevangenschap leven, die pijn lijden of die niet zichzelf kunnen zijn. Denkt u dat zij zullen zeggen: ’Ach, die Eshan is nog zo jong, laten we hem nog even de tijd gunnen’?

Ik lees het terug in de mails die ik krijg: ze hebben hun hoop op mij gevestigd, zij verwachten dat ik mijn uiterste best doe een klimaat te creëren waarin het mogelijk is jezelf te zijn. Mijn doel – en ik weet zeker dat het, in ieder geval hier in Nederland, binnen mijn leven bereikt zal worden – is ervoor te zorgen dat het geen nieuwswaarde meer zal hebben als een vermeend moslim zegt: ’Eigenlijk ben ik helemaal geen moslim meer.’ Of: ’Ik ben moslim én homoseksueel.’ Of: ’Ik ben moslim, maar ik heb kritiek op de manier waarop met de rechten van de vrouw wordt omgegaan.’ Ik stel me daarbij zoiets voor als de emancipatie van homoseksuelen in Nederland. Het is vandaag de dag geen probleem meer om te zeggen dat je homo bent. Dat wil niet zeggen dat we veertig jaar lang geen homo’s hebben gehad. Nee, de mensen zijn hetzelfde, maar het verschil is dat ze nu voor hun geaardheid uit kunnen komen. Dáár werk ik voor. En omdat ik weet dat het loont, vind ik het ook niet erg om hard te werken. Als je weet dat je bezig bent met iets wat goed is, dan vind je vanzelf de rust. Ik heb wel tegen mijn familie en vrienden gezegd dat ze mij in de gaten moeten houden. Als ik te ver ga, als ik te hard loop, als ik arrogant word of ik door alle aandacht naast mijn schoenen dreig te gaan lopen: waarschuw mij dan. Ik wil niet veranderen. Ik wil mezelf blijven.”

V

Eer uw vader en uw moeder

„Mijn vader is vijf jaar geleden bij ons weggegaan. Ik heb niet zo’n goede relatie met hem gehad. Ik identificeer mij ook niet zo met hem. Hij is anders dan ik, minder complex. Ik weet het niet* misschien heb ik wel het idee dat hij nooit om mij gegeven heeft. Als ik aan mijn vader denk, zie ik vooral het voorbeeld van de vader die ik niet wil worden. Maar dat wil niet zeggen dat ik geen respect voor hem heb. Ik zal hem altijd dankbaar zijn voor het feit dat hij mij tot een bepaalde leeftijd heeft beschermd en opgevoed. Maar mijn moeder, mijn moeder is mijn thuishaven. Mijn moeder is mij heilig. Ze heeft altijd voor mij klaar gestaan. Ik spreek haar nog altijd met u aan, heb nog nooit tegen haar geschreeuwd. Ze gaf mij al op jonge leeftijd boeken te lezen: Kant, Nietzsche, noem maar op. De leergierigheid heb ik van haar. Ze is ook veel liberaler dan mijn vader. Ze heeft me vrijgelaten in mijn keuzes.

Ik zal mijn beide ouders de rest van mijn leven dankbaar blijven voor het feit dat ze uit Iran zijn vertrokken. Ik heb het ze vaak genoeg gezegd: ik voel me bevoorrecht, ik zal proberen jullie, ook in dat opzicht, niet teleur te stellen en mijn uiterste best doen iets terug te geven aan Nederland. In discussies met vrienden heb ik het er vaak over: Nederland is zo’n fantastisch land. De balans tussen rechten en plichten is hier beter dan waar ook. Natuurlijk, er zijn dingen die beter kunnen maar* kijk, je moet dit land eigenlijk zien als een overheerlijke appeltaart waar misschien nog een beetje slagroom op kan.

Ik heb geen heimwee naar Iran. Ik heb er te kort gewoond en wat ik mij ervan herinner is indoctrinatie en sociale dwang. Ja, ik heb één mooi beeld: er is één bepaalde dag waarop families massaal in de bergen gaan picknicken. Dat was een prachtig gezicht. Zoiets zie je hier, op de Hollandse grasvelden, niet snel gebeuren.

Dat sluit ook wel aan bij het enige gemis dat ik heb: het familiegevoel. Ik heb een moeder en een zus, that’s it. Voor mij geen verjaardagsfeesten van neefjes, nichtjes, ooms of tantes. Dat voelt gehandicapt, maar het is iets anders. Ik lig er niet wakker van. Zo is het leven. Dit is mijn lot.”

VI

Gij zult niet doodslaan

„Natuurlijk word ik gewaarschuwd. En ik luister ook naar de mensen die menen dat ik mijn toon moet matigen, of die zeggen dat ik moet oppassen dat ik niet te veel doordram. Ik heb liever kritiek dan complimenten. Ik luister, ik probeer een analyse te maken van waar ik mee bezig ben en bepaal opnieuw mijn koers. Maar ik luister niet naar dreigementen. Als ik lees dat iemand vindt dat ik moet sterven omdat ik Allah heb beledigd, dan zie ik vooral hoe zo’n persoon zich vergist: als Allah van ons houdt – wat de meeste moslims toch willen geloven – dan zal Hij nooit toestaan dat een of andere terrorist mij komt neersteken. Ik ben bezig met het scenario voor een film over ongelovigheid en homoseksualiteit – niet vergelijkbaar met Submission van Ayaan Hirsi Ali, voor wie ik overigens veel bewondering heb – en ik kan nu al zeggen dat de bedreigingen, die ongetwijfeld zullen volgen, mij alleen maar zullen sterken in mijn idee dat zo’n film er moet komen.”

VII

Gij zult niet echtbreken

„Er zijn drie dingen die mij volkomen gelukkig maken: mijn familie, mijn carrière – niet om rijk van te worden, maar een baan als volksvertegenwoordiger, dat is toch mooiste wat er is? – en de liefde. Een mooie vrouw. Een leuke vrouw. En als ik haar heb, zal ik monogaam zijn. Ik erger me aan mannen die hun vrouw bedriegen. Mijn moeder zegt altijd: ’Prik een naald in jezelf en als je het lekker vindt, doe het dan ook bij een ander.’ Hoe zou ik het vinden als mijn vrouw het met een ander deed? Het is een vrij land, ga vreemd als je daar zin in hebt, maar het zou niet mijn aanpak zijn. En het mooie is: juist doordat ik die ontwikkeling, die verloedering, zie, raak ik ervan overtuigd dat het iets is wat ik niet moet doen. Mensen vinden het kennelijk de normaalste zaak om onmiddellijk met iedereen te gaan zoenen. Sorry, ik niet. Ik heb respect voor mijn lichaam. Ik ga niet met de eerste de beste naar bed. Als maagd het huwelijk in? Eh* daar is het al te laat voor, maar goed, ik wil mijn ex liever buiten dit interview laten, waar het mij om gaat is dat ik goed nadenk voordat ik ergens aan begin; dat de vrouw die ik zal kiezen ook degene is met wie ik de rest van mijn leven wil doorbrengen. Ik wil daarin natuurlijk niet gekwetst worden, daarom doe ik echt mijn best een geschikte persoon te vinden. Het is misschien een vreemde vergelijking, maar ik ben op zoek naar een boot om de haven mee te bereiken. Hoe het weer zal worden weet ik niet, maar ik kan er in ieder geval voor zorgen dat ik een goede boot heb uitgezocht.”

VIII

Gij zult niet stelen

„Het was nog in de gulden-tijd. Ik pikte geld uit de portemonnee van mijn ouders om er van die rode snoepveters van te kopen. Toen ik het deed had ik er niet zo’n last van, maar ik heb het later toch opgebiecht. Ik schaamde me. Ik wist, in mijn aard, dat het niet hoorde en tóch had ik het gedaan. Ik weet niet wat dat is* een hang naar het zondige? Het opzoeken van grenzen? Het was me nooit concreet verteld dat ik niet mocht stelen, maar dat was ook niet nodig; ieder mens kent het verschil tussen goed en kwaad. Het verschil tussen fout en fouter is veel moeilijker te bepalen.”

IX

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik wil kunnen zeggen wat ik denk. Ik wil opkomen voor de universele rechten van de mens. Ik kan u de mailtjes laten zien van mensen die het gevoel hebben dat ze de hele dag moeten liegen of toneelspelen; die er niet voor uit durven komen dat ze al lang niet meer gelovig zijn. Ik heb nooit gezegd: ’Jongens, keer je van het geloof af!’ Nooit. Ik zou willen dat de islam, in navolging van de katholieke kerk, gewetensvrijheid boven de vrijheid van religie zou plaatsen.

Er bestaan twee soorten angst om over dit onderwerp te praten. De autochtone angst: niet discrimineren! Niet zeggen wat je denkt omdat het over de islam en moslims gaat. En de angst van de moslims zelf, die werkelijk vinden dat het anders moet, maar hun mond niet open durven doen. Het lastige van de dialoog met moslims is, dat men geen zelfkritiek kent. Dat is mijn kernprobleem. Het maakt in feite niet uit hoe je zaken aan de orde stelt; de baardmannen zien overal een belediging in.

Mijn eigen partij schiet op dit vlak ook tekort. De schrijver Hafid Bouzza heeft het onlangs prachtig verwoord: ’Wat dieren zijn voor de Partij voor de Dieren, zijn de allochtonen voor de Partij van de Arbeid.’ Het is hun schild. Daar gaan ze op staan als ze willen laten zien hoe sociaal ze zijn, hoe goed ze voor zielige mensen kunnen zorgen. Daar moeten ze mee ophouden. Allochtonen zijn niet zielig. Moslims zijn volwaardige mensen. Ik wil proberen de ideeën van de partij van binnenuit te veranderen. Ik ben niet iemand die zomaar opgeeft. Tegelijkertijd moet ik zeggen dat ik, als ik in de modder blijf steken, op den duur toch naar een touw zal grijpen, en het is goed mogelijk dat dit touw mij door een andere partij wordt aangereikt.”

X

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Ik wil niks voor mezelf. Ik ben iemand die liever geeft dan neemt. Ik zou het liefst – wat zegt u? Braaf? Nee, ik ben niet braaf. Ik ga uit met vrienden, ik kom graag op feestjes, maar het is wel zo dat ik met een zwaar geweten ben geboren. Ik wil het goede doen. Ik vraag mezelf voortdurend af of ik ergens mee kan leven; of het klopt wat ik denk, zeg of doe. Tijdens een filosofische avond hebben ze mij eens, bij wijze van grap, twee dilemma’s voorgelegd. Eerst vroegen ze mij wat ik liever had: een zetel in de Tweede Kamer of twee miljoen euro op mijn bankrekening. Daar kon ik, zonder na te hoeven denken, op antwoorden dat ik liever die zetel had. Ja, echt waar. Wat moet ik met twee miljoen? Ik wil iets voor anderen, voor Nederland, voor de wereld betekenen. Ik ben helemaal niet materialistisch ingesteld. Het tweede dilemma was: de liefde van uw leven of het premierschap. Die vond ik lastiger. Een grote liefde is voor altijd, de baan van premier hou je misschien acht jaar vol* Wat dan? En als ik voor de liefde van mijn leven zou kiezen, bestaat er toch een kans dat ik het haar ga verwijten dat ik nooit premier van Nederland ben geworden. Het is natuurlijk een absurd dilemma – en gelooft u mij, ik ben echt niet zo arrogant te denken dat ik óóit minister-president zou kunnen worden – maar toch: ik heb er nog steeds geen antwoord op. Als u het niet erg vindt, denk ik daar nog even over na.”

Deel dit artikel