Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Eet meer nijlbaars!

Home

door Arjan Spit

Een diepgravende aanklacht tegen de globalisering – zo luidde het eensgezinde oordeel over de documentaire ’Darwin’s nightmare’ van Hubert Sauper. De film, afgelopen zondag nog vertoond door de VPRO, werd overladen met prijzen. Volgens Arjan Spit, die woont en werkt in Kenia, is de film suggestief, slecht onderbouwd en een schoolvoorbeeld van westerse vooringenomenheid. „Ik stel dat wij Afrikanen feitelijk niet zien als gelijkwaardige mensen. Ze zijn in onze ogen nog steeds de wilden, de primitieven.”

’Darwin’s Nightmare’ van de Oostenrijkse fimmaker Hubert Sauper gaat over de export van nijlbaars vanuit Mwanza, een vissersplaats aan het Victoriameer in Tanzania. De documentaire uit 2004 kreeg in Europa en de Verenigde Staten lovende recensies en behaalde op internationale festivals, waaronder het Idfa, vele prijzen.

In Tanzania en andere landen rond het Victoriameer was er daarentegen veel kritiek: de film leidde tot een verminderde consumptie van de nijlbaars en schaadde daarmee de export. Bovendien beschuldigde de Tanzaniaanse president de maker van leugens en enscenering.

Afgelopen zondag was de documentaire bij de VPRO te zien. In het aansluitende interview ging Sauper niet in op deze aantijgingen. Hij stelde dat zijn film geen journalistiek product is, maar een artistiek, persoonlijk document.

Daarmee gaat hij volstrekt voorbij aan de gevolgen van zijn film. En die gaan verder dan een verminderde appetijt voor nijlbaarsfilet. ’Darwin’s Nightmare’ is exemplarisch voor de beeldvorming over Afrika als een continent vol armoede en geweld. Sauper construeert een zeer eenzijdig verhaal. Zou dit over een Europees land gaan, dan zou iedereen dat direct doorzien; het is ondenkbaar dat de film zo succesvol zou zijn. Over Afrika is de kijker al zo bevooroordeeld en heeft de blik zich al zo gevuld met stereotypen, dat er niet meer goed wordt gekeken of nagedacht.

Suggestief, dat is wel het minste verwijt dat je de film kunt maken. Dat begint al meteen bij de openingsscène: een opname in het controlecentrum van vliegveld Mwanza, waar de faciliteiten natuurlijk wat simpeler zijn dan op Schiphol. Logisch, als je maar twee vliegtuigen per dag hebt weg te werken. In de controlekamer zitten wespen en de dienstdoende beambte probeert die met een krant dood te slaan. En, pats, dat lukt. We zien een close-up van een geplette wesp op de ruit, het sap komt eruit.

Wat heeft dit te maken met visexport, globalisering, armoede? Helemaal niks. Die doodgeslagen wesp had net zo goed gefilmd kunnen zijn in een zomerse, Hollandse huiskamer. Maar met dit beeld is de toon van de film gezet: Afrika, dat is (primitief) geweld.

Zo begint een film die zich nog het beste laat omschrijven als Afrika-horror – een subgenre waarbij de intellectuele filmkijker vanuit de luie stoel kan gruwelen over hoe vreselijk het continent er wel niet aan toe is. In de aanbieding: veel visafval, lijmsnuivende straatjongens, eenogige vrouwen, verlopen prostituees (misschien wel met aids!) en heel veel maden.

Ja, dat bestaat allemaal in Mwanza. Het bestaat ook op een heleboel andere plaatsen. Maar de suggestie van Sauper is dat dit allemaal is veroorzaakt door de visexport, door de vraatzuchtige nijlbaars.

De nijlbaars werd in de jaren vijftig geïntroduceerd in het Victoriameer. Iedereen is het erover eens dat dit het ecologisch evenwicht danig heeft verstoord. Vele vissoorten zijn gedecimeerd, maar de nijlbaars doet het uitstekend. Aangezien het een roofvis is, moet er toch nog wel heel wat andere vis in het meer zitten, anders zouden afmetingen van één, anderhalve meter onhaalbaar zijn.

Goddank is de nijlbaars smakelijk voedsel, ook voor Europeanen. Daardoor is er een bloeiende exportindustrie ontstaan. Stel je voor dat de nijlbaars niet bevist zou worden, dan was de ’ramp’ nog veel groter geweest. Door de visindustrie wordt er tenminste nog wat tegenwicht geboden tegen zijn alleenheerschappij.

Maar deze visindustrie heeft allerlei nadelen, is Saupers beeldende betoog. Zo wordt de lekkere filet naar het Westen geëxporteerd, en worden de resten gedroogd of gebakken en door de lokale bevolking gegeten. Oneerlijk, hè?

Tja, welcome on planet Earth. Je kunt natuurlijk terecht bezwaar maken tegen de ongelijke welvaartsverdeling op deze wereld, maar je kunt er moeilijk versteld van staan dat dit het gevolg ervan is: de lekkerste hapjes gaan naar de meestbetalenden. (Grappig genoeg ken ik verschillende Kenianen die juist de kop van de vis als het lekkerste deel beschouwen, inclusief de wangetjes.)

In ieder geval mag je hopen dat degenen die de lekkere hapjes leveren, er wat aan overhouden. Dat gebeurt in Mwanza, want de visexport is een grote motor voor de werkgelegenheid. Maar Sauper interviewt geen enkele medewerker van een visverwerkende fabriek die door het salaris dat hij daar verdient bijvoorbeeld zijn kinderen naar school kan sturen en zo een beter bestaan kan geven. In Saupers film zijn bijna zonder uitzondering alleen dramatische, negatieve beelden te zien. Terwijl in Mwanza ook gewoon getrouwd, gedanst, televisie gekeken en gekletst wordt, filmt hij vrijwel alleen straatjongens, prostituees en de verwerking van visresten.

Dit deel van de film is ongetwijfeld het meest beeldende, op basis hiervan wordt hij gekarakteriseerd als dantesk, een beschrijving van de hel op aarde. Het ziet er inderdaad niet fris uit: graat, kop en staart worden naar een afgelegen oord gebracht, waar ze te drogen worden gehangen, en vervolgens gebakken en verkocht. Sauper interviewt een vrouw die daar werkt. Hé, verrassing, zij zegt dat ze blij is met haar baantje! Hiervoor had ze alleen maar een stukje land en geen inkomen, en nu wel. Hoe kan dit nu, met zulk vies werk? De camera zoemt in op de maden die rond haar voeten op de grond krioelen (die lusten ook wel een stukje nijlbaars).

Slim gedaan, want dit krachtige beeld doet de kijker de boodschap van de vrouw – die niet echt past in Saupers verhaal – meteen weer vergeten. Wat bijblijft is het danteske beeld, niet het verhaal van de vrouw. Preciezer: het verhaal van de vrouw wordt door de beelden overruled. Wie in zulke vieze omstandigheden zegt dat ze blij is met haar werk, kan gewoonweg niet de waarheid spreken. De maden hebben bij Sauper meer gelijk dan deze Tanzaniaanse vrouw.

Een ander voorbeeld van beeldmanipulatie is de foto die bij veel recensies over ’Darwin’s Nightmare’ afgedrukt stond (zie hierboven). Het jongetje lijkt te schreeuwen, mond wijd open, felle ogen. Het ziet er eng uit, gewelddadig. Dat die Sauper daar heeft durven filmen, is de associatie die de foto oproept.

Maar nu eens goed kijken. Dit beeld is een still uit de film. Het is geknipt uit een scène waarin een groepje straatjongens wordt gefilmd. Ze krijgen een pan met rijst, een flinke pan vol. Dat is vreemd, want even daarvoor zijn dezelfde jongens gefilmd terwijl ze bespraken of ze een oud blik met gaten nog als pan konden gebruiken. Dus hoe komen ze nu ineens aan zo’n grote pan? En aan zoveel rijst? Kijk beter, en je ziet dat er één goed geklede jongeman tussen de groep loopt die de rijst klaarmaakt op een vuurtje.

Het kan haast niet anders of deze gebeurtenis is geënsceneerd. De filmmaker of iemand die met hem samenwerkt, heeft dit eten opgediend en zo de straatjongens verzameld. Er is één pan rijst en er zijn ongeveer twintig hongerige jongens. Dat gaat natuurlijk niet goed, het wordt graaien in de pan. Daarbij bemachtigt de jongen van de foto een hand met rijst die hij snel naarbinnen werkt, ondertussen op zijn hoede.

Dat is het beeld dat we zien: de jongen eet een hand met rijst. Hij schreeuwt niet, hij staat niet klaar om zijn tanden in je te zetten, hij is aan het eten. Maak op het juiste moment een foto van een hamburgeretende Europeaan en je krijgt een vergelijkbaar beeld. Maar als je die zou gebruiken om je film aan te prijzen, dan zou je natuurlijk problemen krijgen met privacyregelingen. Zou deze jongen weten dat hij heeft bijgedragen aan een internationaal bekroonde film, in ruil voor een hap rijst?

Een terugkerend thema in de film is de kwestie van de wapenimport. Het idee is dat de vliegtuigen die vis exporteren naar Europa, op de terugweg naar Afrika allerlei verkeerde lading meenemen. In de film figureren alleen maar van die oude Sovjetvliegtuigen, en eigenlijk weet je dan al genoeg: daar kun je alleen maar foute dingen mee vervoeren. Gedurende de hele film probeert Sauper deze hypothese hard te maken, voornamelijk door mensen letterlijk te vragen: zouden die vliegtuigen geen wapens vervoeren? Opvallend is dat iedereen dat ontkent. Nergens wordt enig bewijs voor deze praktijk geleverd. Toch staat in elke recensie en op de achterkant van de dvd als simpel feit dat de visexporterende vliegtuigen wapens naar het ’door burgeroorlogen verscheurde’ Afrika brengen. Volgens de dvd-box ’Movies that matter’ gaat de documentaire „over een Afrikaanse gemeenschap die vis exporteert en er oorlogstuig voor terugkrijgt”.

Waarop is dit gebaseerd? Welnu, aan het einde van de film, vertelt één piloot dat hij welgeteld twee keer wapens naar Afrika heeft gevlogen. Hij vervoerde tanks naar Angola en haalde vervolgens bloemen op in Zuid-Afrika. Ha, het bewijs is geleverd: Tanzania levert met zijn visexport een bijdrage aan de internationale wapenhandel.

Maar neem even de moeite om op de kaart van Afrika te kijken. Angola ligt minstens 1500 kilometer van Mwanza. Elders wordt zelfs Liberia genoemd als potentiële bestemming van de wapens; dat ligt 5000 kilometer verderop. Vertaald naar Europa: omdat er weleens wapens worden gevlogen naar een luchthaven in de Oekraïne, moet Schiphol wel nauw betrokken zijn bij de wapenhandel. Aldus een geruchtmakende film over de bloembollenexport vanuit Nederland, gemaakt door een filmmaker uit Kenia. De bloembollenexport uit Nederland is na deze film met 10 procent afgenomen, hetgeen heeft geleid tot ontslagen bij de veilingen en kwekers.

Trouwens: wat is het nieuws hier? Natuurlijk worden er wapens gevlogen naar Afrika, die worden immers in Europa en de Verenigde Staten gemaakt en zullen dus echt wel hun plaats van bestemming vinden. Wees blij dat ze op de terugweg nog iets nuttigs meenemen. Dat is nog beter voor het milieu ook.

Ook komt er een nachtwaker aan het woord. Dat is een doodsaaie baan, dus een nachtelijk praatje met een filmmaker is welkom. Deze nachtwaker is vroeger soldaat geweest. Dat betaalde beter dan zijn huidige baantje. Hij zou wel weer het leger in willen, dan verdiende hij meer. Maar het leger heeft alleen mensen nodig als er oorlog is. Filmmaker: „Dus u wilt wel graag dat het oorlog wordt?” Inderdaad, zegt de nachtwaker. En veel mensen in Tanzania willen dat? Ja hoor, zegt de nachtwaker. Boodschap aan de kijker: oh, wat zijn die Tanzanianen oorlogszuchtig. Daarom hebben ze natuurlijk die wapens nodig.

Verplaats deze scène naar Nederland. Onze Keniaanse filmmaker interviewt in het kader van zijn film over de bloembollenhandel een verveelde bewaker op Schiphol. Ze kletsen wat over de tijd dat de bewaker bij de politie zat. Toen verdiende de bewaker stukken meer dan nu. Hij zou best weer bij de politie willen. Maar ja, die neemt alleen nog mensen aan als de criminaliteit flink stijgt. „Dus u zou willen dat de criminaliteit stijgt?” „Nou inderdaad, dat zou me goed uitkomen.” Wat zijn die Nederlanders een raar volk, denken alle kijkers in Afrika.

Ter informatie: Tanzania is ongeveer het vreedzaamste land op aarde, heeft in zijn bestaan één keer oorlog gevoerd tegen het Oeganda van Idi Amin, toen die Tanzania was binnengevallen. Toentertijd had Tanzania nagenoeg géén leger, dat moest eerst opgebouwd. Oeganda werd verslagen en Amin verjaagd. Tot grote opluchting van de westerse wereld, die daar zelf zijn handen niet aan vuil wilde maken.

In het interview, afgelopen zondag, vertelde Sauper dat hij gefascineerd was door deze nachtwaker. Misschien verklaart dat waarom de man in vijf andere scène’s voorkomt: hij roeit een bootje, hij laat foto’s zien aan dorpelingen, hij vertaalt het verhaal van iemand anders. Hij heeft steeds een ander overhemd aan en is vaak maar kort in beeld. Zeker is dat deze man méér voor de film heeft gedaan dan alleen dat ene interview.

Wat is nu mijn grootste bezwaar tegen al deze suggestieve beelden en het nauwelijks onderbouwde verhaal?

Sauper bedoelt het vast goed: hij wil de perversiteit van de globalisering, van het kapitalisme aan de kaak stellen. Zodat wij weten wat de schaduwkant is van ons nijlbaarsfiletje. Zo worden armoede en ellende weer eens onder onze aandacht gebracht.

Maar dat is precies het punt: de film is helemaal niet verrassend of nieuw. Hij brengt het geijkte beeld over Afrika dat altijd al de berichtgeving domineert: armoede, honger en geweld.

Natuurlijk, een land als Tanzania is arm. Het probeert daar bijvoorbeeld door visexport wat aan te doen. Dat heet economische ontwikkeling. En dat dat gepaard gaat met negatieve effecten, weten we maar al te goed uit onze eigen Europese geschiedenis. Maar de visexport is niet de oorzaak van de ellende. Dat met de export de lokale bevolking van vitale eiwitten wordt beroofd, zoals recensenten schreven, is een redenering die kant noch wal raakt. Zo bezien moet Nederland ogenblikkelijk stoppen met de export van tomaten en kaas, anders hebben de Hollandse kindertjes straks niks meer te eten.

Honger is een complex fenomeen, maar de voornaamste oorzaak is armoede, niet een gebrek aan voedsel. Er is honger in Tanzania omdat de mensen niet genoeg geld hebben om eten te kopen. Hebben ze werk, bijvoorbeeld in de visindustrie, dan kunnen ze dat wel. Een boycot van de nijlbaars zal echt niemand uit Saupers film ook maar één stap verder helpen.

Het echte probleem zit volgens mij dieper en is fundamenteler. Ik stel dat wij Europeanen door deze beelden Afrikanen (of misschien zelfs: zwarten) feitelijk niet als gelijkwaardige mensen zien. Ze zijn in onze ogen nog steeds de ’wilden’, de ’primitieven’ die onbegrijpelijke, gewelddadige levens leiden. En we scheren daarbij het hele continent gemakshalve over één kam. In Joegoslavië woedde tien jaar geleden een gruwelijke burgeroorlog, maar niemand zal daarmee dé Europeanen als gewelddadig en primitief beschouwen. Als het over Afrika gaat, kan dat wel. En dat komt door de volstrekt eenzijdige berichtgeving over dit continent.

Het alledaagse leven van miljoenen Afrikanen die bezig zijn met de schoolprestaties van hun kinderen, zich afvragen waar de tomaten in de aanbieding zijn, hoe een lekkend dak te repareren en of er nog genoeg krediet op hun mobiele telefoon staat om een sms te versturen – dat interesseert de media niet.

’Darwin’s Nightmare’ was in Kenia of Tanzania niet te zien en de meeste andere films over Afrika evenmin. Maar de toon van de internationale berichtgeving over Afrika heeft zich bij veel Afrikanen in de eigen beeldvorming genesteld: wij zijn onkundig, arm, gewelddadig. Kom ons daarom helpen, witte, rijke westerlingen, want jullie weten het beter.

Maar het is precies die hulp die dit gevoel van hulpeloosheid in stand houdt. Ik zou liever Afrikaanse trots zien. Trots die, ondanks de aanwezige ellende, uitgaat van de eigen kracht. Dan zouden burgers ook eerder hun leiders aanspreken als die er een zootje van maken. Nu domineert het idee dat je maar beter je hand kunt ophouden in het Westen omdat er in Afrika toch nooit iets verandert.

Iets van die trots was trouwens te lezen in de boze reacties in de Afrikaanse kranten op ’Darwin’s Nightmare’: ja, het is een zootje, maar het is wel óns zootje.

Waarom is zo’n film in het Westen zo populair? De kracht ligt in de link die wordt gelegd tussen de nijlbaarsfilet in de supermarkt en het leven in het verre Mwanza. De film appelleert aan ons schuldgevoel. Wij eten die heerlijke nijlbaars, terwijl die jochies daar vechten om een hap rijst. Dat smaakt niet lekker. Een kabeljauwfilet is dan beter verteerbaar, als we tenminste even vergeten dat die soort door onze eigen vissers is gedecimeerd. Misschien moeten zij ook maar eens naar het Victoriameer. Zij krijgen de nijlbaars er vast wel onder.

Tot die tijd is mijn advies: help een Tanzaniaans gezin, eet meer Tanzaniaanse nijlbaars. Met Keniaanse boontjes erbij trouwens extra smakelijk.

Arjan Spit is sociaal wetenschapper. Hij woont en werkt in Nairobi, Kenia, waar hij ontwikkelingsprojecten coördineert.

’Darwin’s Nightmare’ maakt deel uit van de vijfdelige dvd-box ’Movies that matter’, te bestellen via Trouw (zie de advertentie op Vandaag 2).

Deel dit artikel