Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Eerdere muntunies in Europa klapten vroeg of laat uit elkaar

Home

WIM SCHOUTENDORP

AMSTERDAM - De monetaire unie in Europa, waar de politici, de bankwereld en het bedrijfsleven zich zo druk om maken, is misschien geen blijvertje. Want, weinig mensen weten het: zulke muntunies zijn er in Europa in het verleden al herhaaldelijk opgericht. En bijna altijd gingen ze na korte of langere tijd weer jammerlijk ten onder. Doorgaans als gevolg van oplopende belangentegenstellingen tussen de betrokken landen.

Het idee van een economische en monetaire unie in Europa, zoals vastgelegd in het Verdrag van Maastricht en waarover dit weekeinde door de Europese ministers van economische zaken en financiën weer in Noordwijk wordt gesproken, is verre van nieuw. Integendeel. Zulke muntunies als nu rond de euro, zijn in het verleden zelfs al verschillende keren uitgeprobeerd. Soms ging het goed, maar even zovaak liep het mis.

Bijna alle pogingen om een monetaire unie in (delen van) Europa tot stand te brengen, dateren uit de tweede helft van de vorige eeuw. In een aantal gevallen waren dergelijke muntafspraken onderdeel van een proces van politieke eenwording. Zo ging de regionale aaneensluiting van Duitsland, Zwitserland en Italië tot nationale staten, destijds steeds gepaard met de introductie van een eigen munteenheid. De Duitse mark, Zwitserse frank en Italiaanse lire die toen met veel vallen en opstaan werden gevormd, bestaan zoals iedereen weet nog altijd.

Veel minder bekend is dat er in een ver verleden ook muntunies zijn gevormd tussen meerdere souvereine landen in Europa onderling. Het eerste van dergelijke muntverdragen was misschien ook het meest spectaculaire, maar die unie hield danook het minst lang stand. Het was de monetaire unie van 1857 tussen de Pruisische potentaat Bismarck en het rivaliserende imperium van de Habsburgers in Oostenrijk, die in die tijd ook het zuidelijke deel van het tegenwoordige Duitsland onder controle hadden. Daarbij werd naast de Pruisische thaler, de Zuid-Duitse gulden en de Oostenrijkse gulden, die onderling een vaste wisselkoers kregen, een gezamenlijke nieuwe munt geïntroduceerd: de zilveren thaler.

Het Duits-Oostenrijkse muntverdrag liep al na tien jaar op de klippen, als gevolg van politieke spanningen tussen beide mogendheden. Nog enkele jaren later, in 1871, wist Bismarck een oorlog met Frankrijk uit te lokken, en in het kader daarvan slaagde hij er in het zuiden van Duitsland van Oostenrijk los te weken en aaneen te smeden met het door Pruisen gedomineerde noorden van het land. Kort daarop stapte Bismarck vervolgens over op de creatie van de mark als nationale munt.

Een tweede muntunie in Europa was veel omvattender en hield ook veel langer stand. Dat was de zogenoemde Latijnse monetaire unie die in 1865 werd gesticht door liefst vier landen: Frankrijk, België, Zwitserland en Italië, enkele jaren later gevolgd door nog een vijfde land, Griekenland. Volgens dit verdrag, dat alleen betrekking had op (zilveren en gouden) munten, hadden de Franse franc, de Belgische frank, de Zwitserse frank, de Italiaanse lire en de Griekse drachme exact dezelfde waarde. De Latijnse muntunie stond onder de dominante leiding van Frankrijk, moest enige keren worden aangepast (onder meer vanwege de dalende waarde van zilver), maar hield het, ondanks allerlei oorlogen en andere politieke en economische spanningen, liefst zestig jaar vol. Dat het uiteindelijk toch mis ging, was voornamelijk het gevolg van steeds omvangrijker speculatiegolven (in zilver), in reactie op een onvoldoende op elkaar afstemmen van de economische en monetaire prestaties van de aan de unie deelnemende landen. Met het uittreden van België en vervolgens Zwitserland kwam er in 1926 een einde aan de Latijnse muntunie.

Een soortgelijk monetair verdrag was er in dezelfde periode ook in Scandinavië (hier van 1873 tot 1931). De deelnemers Denemarken, Zweden en spoedig daarop ook Noorwegen besloten aanvankelijk alleen hun (gouden) kronen aan elkaar te koppelen. Later werd dit verdrag uitgebreid naar de bankbiljetten van de drie partnerlanden. Hoewel de drie landen lange tijd een vrij gelijkmatige ontwikkeling doormaakten, liep het ook met deze muntunie op den duur spaak. Net als bij de Latijnse tegenhanger ontstonden er tussen de Scandinaviërs politieke spanningen en wild gespeculeer (in goud), in reactie op verschillen in het economisch beleid van de drie landen.

Geen eeuwig leven

Bij de Nederlandsche Bank is de afgelopen jaren uitvoerig onderzoek gedaan naar het wel en wee van de muntunies die in het verleden in Europa hebben bestaan. Wim Vanthoor, hoofd van de Afdeling geschiedenis van de centrale bank, komt op grond daarvan tot de conclusie dat ook de Economische en monetaire unie, waaraan nu in Europa wordt gewerkt, vermoedelijk “geen eeuwig leven” beschoren zal zijn. Althans als die economische unie niet spoedig wordt gevolgd door een politieke eenwording van de deelnemende landen, zo concludeert hij in zijn onlangs gepubliceerde studie European monetary union since 1848.

Vanthoor gaat ervan uit dat het euro-project op grond van de nu gemaakte plannen ongehinderd doorgang zal vinden. Maar, zegt hij, “zo'n monetaire unie is alleen duurzaam en onomkeerbaar, als het is ingebed in een politieke unie, waarin de bevoegdheden die verder gaan dan de monetaire sfeer, eveneens worden overgedragen aan een supranationaal orgaan”. Hij doelt hier onder meer op het begrotingsbeleid en de loon- en prijspolitiek, die volgens de huidige afspraken aan de nationale overheden worden overgelaten. “Het Verdrag van Maastricht biedt in dit opzicht onvoldoende garanties.”

Politieke spanningen die op den duur mogelijk kunnen leiden tot een “uit elkaar klappen” van de muntunie, zouden volgens Vanthoor onder meer kunnen uitbreken door de noodzaak van omvangrijke financiële subsidiestromen ten gunste van deelnemende landen die economisch gezien minder goed kunnen meekomen. “Zonder politieke eenwording is daar wellicht op langere termijn onvoldoende draagvlak voor.”

Deel dit artikel