Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Eenvoudig, de duinen

Home

NICOLAAS MATSIER

Een zandlandschap, met de wind als architect. De altijd veranderlijke duinen inspireerden veel kunstenaars.

Nicolaas Matsier (1945, pseudoniem van Tjit Reinsma), is schrijver. In 2005 won hij de E. du Perronprijs met zijn roman 'Het achtenveertigste uur'.

Het kortst denkbare duingedicht moet dit zijn: 'Eenvoudig, de duinen, eenvoudig.' Het heeft geen titel en bestaat uit vier woorden, twee komma's en een punt. Het staat in de bundel 'Het zinrijk' uit 1971 van Chr. J. van Geel. Zo kun je de duinen zien - tenminste als je kunt kijken en dichten zoals Van Geel. Met zijn eenregelige gedicht bedoelde hij zeker niet dat er maar weinig te zien was of dat er niet zoveel over te zeggen of te denken viel. Van Geel had de buitenkans in de duinen te wonen, een groot deel van zijn leven, eerst in Groet, ten slotte in 't Vogelwater, Castricum. Duinen en dichters, hoe lang hebben dit landschap en de poëzie al in elkaars gezelschap verkeerd?

Op tekeningen en schilderijen van zestiende- en zeventiende-eeuwse beeldend kunstenaars komen wij het duinlandschap tegen - bij Haarlem, waar ze zich het eerst begonnen te interesseren voor dit bijzondere landschap.

De beeldende kunst lag hierin een paar eeuwen voor op de letteren. De literaire gevoelswereld rond het wandelen in de duinen krijgt op zijn vroegst rond 1800, maar eigenlijk pas tegen het eind van de negentiende eeuw, de ons vertrouwd geworden trekken.

Er ligt een grote afstand tussen het natuurgevoel van de dichter Herman Gorter en de visie op de natuur van bijvoorbeeld Jacob Cats, de zeventiende-eeuwse bouwer van het naar hem genoemde huis dat het officiële onderkomen werd van Nederlands eerste ministers.

Wanneer Cats, raadpensionaris en bewoner van het door hem aan de duinen ontworstelde en in cultuur gebrachte Zorgvlied, over die duinen dicht, is dat allereerst in termen van contrast, nog niet of nauwelijks in termen van de schoonheid die wij - wandelaars in zorgvuldig beschermde natuurgebieden - in de duinen wensen aan te treffen. Terwijl het Cats eerder hierom gaat: moet je zien wat een rijke tuin ik heb aangelegd op arme grond.

Constantijn Huygens, dichter en secretaris van prins Frederik Hendrik, trad in 1653 aan als pleitbezorger en ook wel zo'n beetje als projectontwikkelaar van een nog aan te leggen geplaveide weg tussen Den

Haag en Scheveningen. Dat was de eerste geplaveide weg in ons land buiten de steden. Ten behoeve van de visvrouwen - te voet, mand op het hoofd - maar ook van Hagenaars die per koets een kijkje in Scheveningen wilden nemen.

Het plan kreeg geen bijval en werd pas twaalf jaar later, in 1665, uitgevoerd. In zijn gedicht 'Zee-straet' (1667) blikt Huygens terug. Ons treffen het congé dat de nog volop stuivende duinen en het mulle pad hiermee krijgen. De kaarsrechte Zeestraat en het verlengde ervan, de Scheveningseweg, gingen het stuiven en de mulheid immers succesvol tegen, ten faveure van het al genoemde verkeer te voet en per rijtuig. En juist dit stuiven is het, dat de huidige natuurbeschermers eensgezind herkennen als de - nu min of meer definitief bedwongen - oereigenschap van de duinen, of liever hun bouwprincipe.

Natuurlijk is die aanleg van de Zeestraat een historische stap geweest in het openleggen van de duinen. De paden, vooral de verharde, waaraan wij al wandelend en joggend en fietsend misschien geen enkele gedachte wijden, maar die het ons mogelijk maken goed om ons heen te kijken, zijn meestal niet veel ouder dan een halve, hooguit een hele eeuw.

Literair gezien staat de dichter-duinbewoner Van Geel in een traditie van hooguit een paar generaties. Albert Verwey betrok in 1890 het huis in de Noordwijkse duinen waar hij levenslang bleef wonen. Herman Gorter, een andere Tachtiger, had de beschikking over een logeeradres in het Noord-Hollandse duindorp Bergen. Nieuwe tramverbindingen (achtereenvolgens paarden, stoom en elektrische) maakten het vooral de artistieke happy few mogelijk om permanent bij of in de duinen te gaan wonen.

De villa's en de villaatjes verrezen, naar hun vorm vaak kleine boerderijtjes, waarin vanaf circa 1900 nogal wat kunstenaars en schrijvers hun intrek namen. Maar ook latere generaties - Adriaan Roland Holst, Lucebert, de al genoemde Van Geel, Elly de Waard, Hans Tentije - hebben gewoond en gewerkt in of dicht bij de duinen.

Met het beeld van de duinen als een natuurlijke constante is het oppassen. In de eerste plaats vormen de duinen geen buiten de geschiedenis staand, oud of onaangetast landschap. De huidige duinen, aldus de geologen en de natuurhistorici, zijn niet ouder dan een jaar of duizend. Het is wezenlijk een zandlandschap, met de wind als architect.

Door menselijk ingrijpen zijn de duinen - een per definitie beweeglijk en tijdelijk landschap - min of meer tot rust gebracht, door bijvoorbeeld helmbeplanting aan de kale zeekant en bebossing aan de hoogste en binnenste zijde.

Het is een idee-fixe om te denken dat we in het duingebied nog een reep authentieke woeste natuur hebben. Natuur, dat is in Nederland toch eigenlijk overal wat wij ervan gemaakt hebben. Dat geldt ook voor de duinen.

De duinen zijn zowel in de poëzie als in de beeldende kunst rijkelijk aanwezig. Maar in die twee kunsten geven ze niet steeds in dezelfde tijd en in dezelfde mate acte de présence. De dichtkunst en de schilderkunst van het duin naderen elkaar rond 1900 het dichtst. Tussen grofweg 1880 en 1920 zijn ze werkelijk tijdgenoten van elkaar en kunnen we spreken van verwante, in beide kunsten werkzame geesten. De Tachtigers waren natuurdichters. Ze waren bevriend met en opereerden naast de schilders van de Haagse School.

Een punt van discussie is (en blijft wellicht) of de dichtkunst en de schilderkunst van de zeventiende eeuw inhoudelijke partners waren. De cruciale, maar misschien ook nogal ongrijpbare kwestie is die van ons huidige natuurgevoel. Sinds wanneer zijn wij daarmee behept? Hoe, en in welke etappes, is dat tot stand gekomen? Of zit er in de formulering van zo'n vraag al veel te veel zwart-wit?

De dichters van de Gouden Eeuw ervoeren toch andere dingen in het landschap dan wij. Dat wil zeggen: de 'wij' die we wat dit betreft toenemend zijn geworden sinds tweehonderd jaar. Bij Cats, Huygens, Vondel is een duinlandschap te vinden dat vooral een woestenij is die eigenlijk in cultuur gebracht moet worden, of op zijn best een omgeving die als fraai contrast dient voor een op het duin veroverde lusthof. Grote en vrome dankbaarheid wordt er (tot ver in de negentiende eeuw) uitgesproken voor de duinen als een van godswege gegeven zeewering. Die dankbaarheid geldt dan eigenlijk eerder een god die als een dijkbouwer bedacht is op veiligheid dan één die duindoorns en nachtegalen al evenzeer heeft geschapen als de zee, de wind en het zand.

De wilde natuur gold nog niet als een positieve en te behouden of zelfs te herstellen waarde op zichzelf. Voor de erkenning van natuur in meer recente zin lijkt een zekere mate van secularisatie vereist. Tegelijk zal onze veranderde blik een gevolg zijn geweest van het door industrialisering en rationalisatie van de landbouw slinkende areaal van grond die nog niet ten nutte werd gemaakt. De Romantiek, hoe laat die zich ook voordoet in Nederland, is ook hier beslissend geweest voor de notie van het min of meer wilde landschap-op-zichzelf, van een landschap dat er is omwille van zichzelf en buiten ons toedoen. Het is een notie die ons nog steeds modern aandoet en die pas in de poëzie vanaf Tachtig te vinden is.

De beschouwer van nu kan ze probleemloos als elkaars complement zien, de recentere gedichten en de oudere schilderijen. Wij slagen er met groot gemak in om de gedichten van Bernlef te rijmen met een schilderijtje van Jan van Goyen, eerder dan we in staat zijn om die schilder als een tijdgenoot van Jacob Cats te begrijpen. De kunsten lijken elkaar over de eeuwen heen de hand te reiken.

Maar eenvoudig, de duinen, eenvoudig? De duinen spreken niet voor zichzelf, ze zijn niet eenduidig, en mensen hebben er niet steeds op dezelfde manier in vertoefd of naar gekeken - kunstenaars noch dichters. De duinen zijn, als verbeeld landschap, minstens zo in beweging gebleven als toen zij nog van verstuiving tot verstuiving voortgingen met worden, verschuiven en van gedaante veranderen.

Herman Gorter en Albert Verwey hoorden beiden bij de beweging van Tachtig.

Gorters lange lyrisch-verhalende 'Mei' (1889) speelt zich af in een even mythisch als reëel duinlandschap. In de 'Verzen' van 1890 zijn de duinen het zinderende landschap van zijn grote liefdeslyriek. En ook in zijn laatste werk, 'Liedjes' (1930), zijn de duinen present.

Verwey, met zijn omvangrijke en veelzijdige oeuvre, waarvan een groot deel geschreven werd in zijn duinhuis Vita Nova te Noordwijk is misschien de kampioen duindichter. Verwey omvatte de duinen en werd erdoor omvat. Zijn pantheïstische geest zag zelfs kans een lang gedicht te schrijven waarin een al iets oudere watertoren vol ontzag, en zo goed als verliefd, een nieuwe vuurtoren gewaarwordt. Een wonderbaarlijke samenwoning van duinen en techniek!

Adriaan Roland Holst is in de hoofden van veel lezers nog altijd de nationale bard van duin en kust. Zijn bronzen stemgeluid is direct herkenbaar. Zijn duinen zijn Keltisch en vol gevaar. In het duin vreest de dichter zijn dubbelganger te ontmoeten, het duin wordt een onheilspellende spiegel.

In de duinen van Roland Holst is de lezer heel ver verwijderd van het landschap van Chris J. van Geel. Van Geel is even present in het landschap als het landschap in hem. Hij is een altijd oefenende dichter, vaak op de rand van figuratie en abstractie. Hij is denkelijk onze beste windschrijver.

Bernlef heeft met Van Geel gemeen dat hij een proberende dichter is, met een grote liefde voor het altijd voorlopige van het armelijke duinlandschap met zijn onnadrukkelijke tinten. Hij denkt het landschap evenzeer als hij het ziet, maar tegelijk is hij erop uit zichzelf eruit weg te denken. Een sterker tegenstelling dan tot Roland Holst (die in zijn eentje opzwelt tot het hele duingebied) is niet denkbaar. De duinen, het sobere, nooit helemaal affe landschap, met zijn overgangs- of randkarakter, ze waren Bernlef op het lijf geschreven.

Een uitgebreide versie van dit essay verschijnt deze week in:

Nicolaas Matsier, Helmi Goudswaard, Boudewijn Bakker (red.): Op 't duin - 100 duingedichten en 100 duingezichten. Thoth; 264blz. euro 19,90

Tot 15 september te zien in het Haags Historisch Museum: Op 't duin - duingezichten en

duingedichten

Deel dit artikel