Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een verzwakt CDA wordt voor Rutte een risicofactor

Home

Hans Goslinga

Column

John Adams, de eerste Amerikaanse ambassadeur in Nederland, noteerde aan het eind van de 18de eeuw in zijn dagboek dat ons staatsbestel voor buitenstaanders niet alleen waanzinnig ingewikkeld was, maar zelfs met opzet zo leek bedacht om daadkracht tegen te gaan. Dat bestel is sedertdien wel wat veranderd, maar ingewikkeld is het gebleven en de daadkracht wordt nog altijd sterk getemperd, vooral door de coalitiecultuur.

Ook het kabinet-Rutte/Verhagen, dat het meest rechtse kabinet sinds de oorlog wordt genoemd, kan zich aan deze wetmatigheid niet onttrekken. De vraag is of dat zal veranderen als de uitslag van de Statenverkiezingen komende woensdag uitzicht biedt op een meerderheid in de Eerste Kamer.

De positie en rol van deze Kamer zijn misschien wel de beste illustratie van de complexiteit van ons bestel. De liberaal Oud legde daar honderd jaar geleden al trefzeker de vinger op: als de Eerste Kamer afwijkt van de Tweede Kamer, frustreert zij de wil van de rechtstreeks gekozen volksvertegenwoordiging; als zij de Tweede Kamer volgt bewijst zij haar overbodigheid. Een partijgenoot van Oud constateerde dan ook met enig sarcasme dat als de senaat zou worden afgeschaft "alleen de boden erom zullen treuren".

Met deze wetenschap in het hoofd begrijpt een buitenstaander al helemaal niets meer van de lopende campagne, waarin vooral Tweede-Kamerleden met kracht de politieke betekenis van de senaat onderstrepen. Nog minder zullen zij het snappen, als diezelfde Kamerleden woensdagavond juist die betekenis weer krachtig relativeren, afhankelijk van de vraag of zij tot de winnaars of tot de verliezers behoren. Onder deze omstandigheden lijkt het ondoenlijk een buitenstaander uit te leggen dat de Statenverkiezingen in de eerste plaats om de samenstelling van de provinciale parlementen draaien.

De Eerste Kamer mist elke grond en elk doel, constateerde de liberaal Thorbecke al in 1848. Die kritiek is sedertdien dikwijls herhaald, door politici van uiteenlopende partijen, maar er zijn nimmer consequenties aan verbonden. Kennelijk geldt voor alle tijden: de Eerste Kamer is er nu eenmaal. Hetzelfde gaat op voor het misbruik dat de beroepspolitici van de provinciale verkiezingen maken door er de nationale machtsvraag aan te koppelen. Het laat kernachtig zien dat de macht als drijvende kracht sterker is dan het democratisch besef, dat ertoe zou moeten dwingen de Statenverkiezingen bij de provincies te laten.

In een wat gunstiger voorstelling van onze staatszaken kan worden gezegd dat de Eerste Kamer deel uitmaakt van de checks and balances die, hoe ingewikkeld ook, de Nederlandse politiek haar gematigde karakter geven. Vanuit die optiek zou een vijandige meerderheid in de senaat het effect kunnen hebben dat zij 'het meest rechtse kabinet' dwingt tot een minder rechts beleid. Rutte is in kwesties van internationale politiek, zoals de uitzending van een politiemissie naar Kunduz, al gedwongen tot zaken doen met de oppositie; dat zal hij dan in meer kwesties moeten doen. Vooral SGP, ChristenUnie en D66 staan daarvoor open, alsook de 50-pluspartij van Jan Nagel en de Onafhankelijken. De ChristenUnie lijkt zelfs welbewust voor te sorteren voor een sleutelpositie door de rechtsstaat als product van de christelijke cultuur te claimen en zich daarbij opzichtig tegen de islam af te zetten.

Het is zonneklaar dat in zo'n situatie het voortbestaan van het kabinet onzekerder wordt. Naarmate de coalitiepartijen meer op hun kernpunten moeten inleveren, zullen zij meer hun knopen tellen. Voor de VVD is het op orde brengen van de overheidsuitgaven zo'n kernpunt, voor de PVV het immigratie- en asielbeleid, waarmee vooral het CDA zich in de positie van een spagaat heeft laten brengen.

Er is vaak een vergelijking gemaakt tussen deze ploeg en het kabinet-Van Agt/Wiegel. Dat kabinet, dat tussen 1977 en 1981 regeerde op basis van een uiterst krappe en bovendien onzekere meerderheid, wist het weliswaar vier jaar vol te houden, maar was politiek volkomen krachteloos om de uit de hand lopende overheidsuitgaven in de hand te houden. Het staaltje van overlevingskunst dat Van Agt en Wiegel lieten zien was uitzonderlijk, alsook hun strategie om de dominante positie van de PvdA en daarmee het progressieve momentum te breken, maar er hing een prijskaartje van jewelste aan. Het financieringstekort van 3,8 procent dat Den Uyl had achtergelaten, liep in vier jaar tijd op tot boven de tien procent en het kabinet leende zelfs meer geld op de kapitaalmarkt dan het aan rente op uitstaande leningen terugbetaalde. Het duurde tot 1995 voordat de begroting weer in evenwicht was. Zo ver zal de VVD van Rutte, die zich heeft verbonden aan de belofte orde op zaken te stellen, het nu niet laten komen.

In de politiek is het hemd vrijwel altijd nader dan de rok. Dat wil zeggen dat partijpolitieke belangen meestal meer gewicht in de schaal leggen dan het landsbelang. In dat perspectief zijn de verkiezingen van komende woensdag zonder meer van betekenis. Daarbij is de vraag of de coalitie al dan niet een meerderheid haalt, misschien nog wel ondergeschikt aan hoe de onderlinge verhoudingen tussen de VVD, PVV en CDA straks zullen zijn. Deze partijen werken weliswaar samen in een bijzondere politieke constructie, tegelijk zijn ze electoraal elkaars grootste concurrenten.

Dat betekent dat de VVD en de PVV, de partijen in opmars, straks met argusogen naar de staat van het CDA zullen kijken. Het zal niet de eerste keer in de politieke geschiedenis zijn dat Statenverkiezingen de val van een kabinet inluiden.

Deel dit artikel