Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

EEN TOGA DIE SLOBBERT, ONDERMIJNT HET GEZAG

Home

MARLIES KIEFT

De eerbiedwaardige togamakerij van de firma Rhebergen is honderd jaar oud. Ooit kleedde het bedrijf de rechters, professoren en dominees uit Nederland en tot zelfs in China en Zuid-Afrika met een toga die beroemd werd als een echte Rhebergen-toga. Inmiddels is de firma in handen van Marie-Elise Haan en Kahraman Kazanci. Wie de oude Rhebergen wilde evenaren, moest van goeden huize komen. Maar al na de eerste toga die Kazanci zelfstandig had gemaakt, kreeg hij te horen: “Ik kan mijn ogen niet geloven, dat is een echte Rhebergen”.

Toen de zaken zo goed gingen dat hij een vaste standplaats in Den Haag kreeg en hij daarna zijn Tiroler handschoenenhandel uitbreidde tot een herenmodezaak, kon Huf elk van zijn drie zonen een zaak schenken. Eén van hen, der Julius, kreeg in 1894 een maatkledingzaak. Hij maakte zijden hoeden van Fl. 5,50, Fl. 6,50 'en hooger', galajurken, toga's, uniformen, jassen, broeken. Niet alle klanten waren gretig met betalen. Op de lijst van 'afnemers die geen aanbeveling verdienen', opgesteld door de Bond van Kleedermakerij, kwamen opvallend veel dubbele namen en titels voor: “Wendt, de zich noemende freule Wendt, Den Haag, betaalt niet.”

Julius Huf stierf in 1922. De zaak werd overgenomen door vier werknemers (in die tijd zeer modern), onder wie de coupeur G. J. Rhebergen. Maar de 'Handelsvereeniging voorheen Julius Huf' had te veel aan vier kapiteins op één schip en Rhebergen ging alleen verder met 'de firma G. J. Rhebergen'. Anno 1955 stond Rhebergen onder het hoofd 'togamaker' vermeld in de beroepenlijst van de Amsterdamse telefoongids en zijn naam stond daar als enige. Hij maakte uniformen, herenkostuums en andere kledij, maar toga's waren zijn specialiteit geworden.

Aan het dragen van de toga, schrijft het weekblad Panorama in 1955, is een diepe betekenis verbonden: “Het is niet zo maar een stuk werkkleding dat het goeie pak van zijn drager beschermt tegen inktmoppen en zo. Nee, wie een toga aantrekt, sluit aldus zijn eigen ik in zekere zin weg, daarmee te kennen gevend, dat hij volledig in dienst staat van een hogere macht.”

Het gaat niet om de persoon die de toga draagt maar om zijn ambt. Gehuld in een toga ondergaat de drager een metamorfose waardoor die gewone man met onopvallend kostuum plotseling verandert in een eerbiedwaardige professor of een strenge officier van justitie. Rhebergen wist dat als geen ander: voor de oorlog werd eens bij de Firma aangebeld. Rhebergen deed zelf open. Op de hoge stoep van het grachtenhuis stond een tenger mannetje. Rhebergen dacht dat hij iets kwam verkopen en wilde hem juist een dubbeltje geven toen dat mannetje heel bedeesd aan zijn alpinootje tikte en zei: 'Ik ben professor en ik wilde een toga bestellen. . .'

Voormalig predident van de Amsterdamse rechtbank mr. B. J. Asscher schreef over het dragen van een toga: “Aan die metamorfose heeft de rechter behoefte, omdat het niet normaal is dat de ene burger de andere burger in de gevangenis stopt. Er moet dus een symbool zijn, waardoor men afstand neemt van het mede-burger zijn.” Als tweede argument voor het dragen van een toga noemt Asscher het feit dat de burger zich voor de rechter bloot moet geven, zijn kwetsbare zijde moet laten zien. Hij wordt dus op een lager niveau geplaatst dan de rechter die in de professionele relatie macht over hem heeft. “Het wordt de burger gemakkelijk gemaakt als hij tegen de rechter op kan zien. De toga voorziet in die behoefte. De rechtzoekende kan zichzelf gelijk blijven en behoeft zich niet verlaagd te voelen, indien en zodra hij de rechter op een voetstuk kan plaatsen.”

Het is dus geen kleinigheid om de verantwoordelijkheid te dragen voor het vervaardigen van zo'n kledingstuk. Togamaker Rhebergen wordt dan ook bezongen in het Vrije Volk op 27 januari 1955 en bezingt daarin ook zichzelf. “Als de heer G. J. Rhebergen er niet was, waar bleef dan het Amsterdams decorum? Waar bleef dan de waardigheid, die zo heerlijk onaantastbaar van gerechtsgebouw en universiteit afstraalt? Laat ons er geen doekjes om winden: die waardigheid was nergens. Want zonder de heer Rhebergen zaten we zonder toga's. Sinds vele jaren is hij de enige Amsterdamse kleermaker, die zich volledig heeft geworpen op de produktie van deze kledingstukken welke vanouds dienen als brandkasten voor hooggestemde geesten”.

De togamaker (dan 71 jaar) zelve: “Ik heb heel wat rechters, advocaten en dominees aangekleed. En ik heb ze goed aangekleed. Soms kom je wel eens dominees van buiten tegen, die hun toga bij een gewone kleermaker hebben laten maken - en dan zie je direct: dat hangt scheef en dat slobbert. En geloof mij, een toga die slobbert, ondermijnt het gezag.”

Een toga kan ook gemakkelijk iets kolderieks krijgen, bijvoorbeeld als hij op de kuiten van de drager hangt. Een verslaggever van Panorama schrijft in 1955 over zijn persoonlijke ervaring als HBS'er: “Nu kan een toga een eerbied afdwingende dracht zijn, maar als men een heel lange professor in toga ziet lopen voor een heel korte professor in toga en daarachter weer een heel dikke professor in toga, dan is het effect onmiskenbaar grappig. En daarom kregen we het dan ook tot stikkens toe te kwaad, toen een zeer stoute jongen in de ademloze stilte halfluid zei: “De Gooise Stoomtram!”

Een toga maken is geen gemakkelijk ambacht. Rhebergen in Het Vrije Volk: “Voor het maken van toga's, daar is niet iedereen voor in de wieg gelegd. Reuze secuur werkje met al die plooitjes en naadjes. En je moet goed het fijne verschil weten tussen advocaten en dominees - hun toga's bedoel ik.” Rechters in China en professoren in Zuid-Afrika liepen in die tijd rond in een Rhebergen-toga. En ten tijde van het interview had Rhebergen juist een toga geleverd voor een neef van minister-president Drees die dominee was op Nieuw Guinea.

Wie zo'n togamaker wilde evenaren, moest van goeden huize komen.

Eind jaren vijftig droeg Rhebergen de firma over aan de coupeurs Vader en Zoon de Vos. Vader de Vos is inmiddels overleden en de zoon is nu drie jaar met pensioen. Hij heeft vanaf die tijd geen naald en draad meer aangeraakt. Want de 'jonge' Vos denkt dat hij dan weer verkocht zou zijn. Bovendien zegt zijn nieuwe vrouw dan stellig een echtscheiding aan te zullen vragen. En ze is er toe in staat. Zij zorgde er immers voor dat hij stopte: toen zij na hun huwelijksreis haar enkel gebroken had en thuis toch niets te doen had, belde ze de gemeente. “Ik wil dat mijn man een onderscheiding krijgt voor zoveel jaren trouwe dienst en vakmanschap.” Zo kon zij hem op zekere dag meedelen dat hij op 26 september uitgewerkt was en hij een eremedaille in de Orde van Oranje Nassau zou ontvangen.

De Vos zegt dat hij het vak geen dag gemist heeft. Maar toch. . . voor de opera werken, voor het toneel Lodewijkkostuums maken, daar kun je je vakkennis echt kwijt. Hij droomt even weg. Dan vliegt hij als een fakir van de bank af en zit hij in kleermakerszit op de grond. “Ik heb mijn hele loopbaan zó op tafel gezeten. En nooit last gehad. Het is een ontspannen houding en je hebt volledige beheersing over je werk, de lange lappen liggen rondom je.” Belangrijk was voor hem ook de schaar. “Vrouwen gebruiken altijd van die kleine rotscharen”. Zijn vrouw: “Jij kon je hoofd wel afknippen met die schaar van jou. Het ding optillen alleen al.”

De Vos schat dat er in Nederland nog vijf à zes mensen zijn die het vak van toga's maken beheersen. “De goeie vakmensen verdwijnen, het ambacht is niet meer in trek”. Zelf heeft hij niet meer de behoefte zijn vakkennis over te dragen. De tijden veranderen nu eenmaal.

Anno 1994, honderd jaar na de maatkleding van Julius Huf, hangt op een pand aan de Amsteldijk, dat uitkijkt op het water, een glanzend bordje met de inscriptie: 'Firma G. J. Rhebergen, Togamakerij'. Een toga kost er nu een kleine tweeduizend gulden. In de voorname ontvangst- en paskamer staan een zwartgelakte toonkast, een klassiek bureau en een hoog rek met handgemaakte toga's. Rhebergen leeft voort. Beneden in het atelier werkt sinds drie jaar Kahraman Kazanci. Een vakman, want hij was als elfjarig jongetje in Turkije al leerling-kleermaker. Zijn vriendin Marie-Elise Haan doet het werk er omheen: administratie, afspraken maken. Al zit Kazanci niet in kleermakerszit op de tafel, toen De Vos hem zijn naairing tevoorschijn zag halen, was het goed en wilde hij de zaak met een gerust hart overdoen aan de twee jonge mensen uit Limburg, die daar maatkleding maakten. “Waarom toga's maken, allemaal dezelfde zwarte jurken”, dacht Marie-Elise die de mode-academie gedaan heeft aanvankelijk. Toch is de ene toga de andere niet. In het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden staan regels voor het ambtskostuum de toga. De mooiste toga's worden ongetwijfeld gedragen door de Hoge Raad: vervaardigd van zijde, met fluweel omboord en voor de president en de procureur-generaal gegarneerd met hermelijn. Kazanci houdt van het vervaardigen van details die een toga net iets extra's geven. Hij haalt een lap zwarte zijde tevoorschijn en laat het verliefd door zijn handen glijden. “Je ruikt het zijdebeest” zegt hij. Als hij klaar is met een toga hangt hij het op en gaat er vijf minuten naar kijken. Hij moet zelf eerst tevreden zijn, dan pas de klant. Na de eerste toga die Kazanci zelfstandig had gemaakt, zei De Vos: “Ik kan mijn ogen niet geloven, dat is een echte Rhebergen”.

Toch zijn de eerste drie jaar voor hen niet gemakkelijk geweest. Het voortzetten van een oud-Hollands traditioneel ambachtelijk bedrijf legde een grote druk op beiden. Bang waren ze dat Kazanci daarin niet zou passen omdat hij Turks is. Dat blijkt in de praktijk mee te vallen. Marie-Elise Haan wijst op een met bloemen gegraveerd raam in de hal en zegt geëmotioneerd: “Dat raam is honderd jaar oud. Ik verbaas me erover dat dat er nog nooit uitgewaaid is met alle tocht hier. Zo zijn wij ook, zoals dat raam.”

Deel dit artikel