Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een reputatie geschonden?

Home

Jaap de Berg

In zijn column in Het Parool stelde John Jansen van Galen deze week vast dat 'de pers zorgvuldiger dient om te gaan met reputaties'. Blijkbaar bedoelde hij met 'de pers' in de eerste plaats Trouw, want de column ging goeddeels over een veronderstelde faux pas van deze krant.

Die misstap zou Trouw zich veroorloofd hebben in een recent artikel over de Nederlandse Moslim Omroep (NMO). De schrijver ervan, Jeroen den Blijker, noemde het 'opmerkelijk' dat het Commissariaat voor de Media had besloten de tv-zendtijd van de NMO te verdubbelen.

Om die kwalificatie te verklaren vermeldde Den Blijker drie feiten. De NMO is jarenlang achtervolgd door bestuurlijke en personeelsproblemen. De leiding ervan berust vooral bij moslims van Surinaamse komaf (wat twijfel kan wekken aan de representativiteit van de omroep). En ten derde: ,,NMO-directeur Frank William, beschuldigd van seksuele intimidatie, is een halfjaar 'onder curatele' gesteld.''

Wat Jansen van Galen dwarszit, is in het bijzonder die laatste mededeling. Daar had bij moeten staan dat de beschuldiging in kwestie -vermoedelijk verzonnen, suggereert hij, door slachtoffers van Williams rigoureuze saneringsbeleid- ongegrond is verklaard.

Ongegrond? Vorig jaar september berichtte ook Het Parool over een onderzoek naar het gedrag van directeur William dat het adviesbureau KPMG, daartoe aangezocht door het NMO-bestuur, had uitgevoerd. Voor ontslag zag KPMG geen reden, voor een waarschuwing wel. Het Parool: ,,Van fysieke seksuele intimidatie door William is de onderzoekers niets gebleken. Wel heeft de directeur een 'verwijtbare rol' gespeeld waar het gaat om zijn taalgebruik in seksueel opzicht. (...) 'Onder stringente voorwaarden' van gepast taalgebruik en omgangsvormen kan de directeur daarom gehandhaafd worden. Over zes maanden dient onderzocht te worden of hij zich daaraan houdt''.

Kortom, verbale seksuele intimidatie was wél aangetoond. Maar daar heeft Jansen van Galen geen boodschap aan. Hij vindt het argument niet relevant, omdat hij zich bij de term 'seksuele intimidatie' een aanrander voorstelt -iemand dus die anderen met geweld dwingt om, ik geef het woord maar aan Van Dale, ontuchtige handelingen te plegen of te ondergaan.

Alsof dat hetzelfde is als intimideren, dat wil zeggen: schrik aanjagen of door bedreigingen overdonderen.

Met die vorm van directioneel gedrag bij de NMO hebben ook Trouw-collega's ervaring opgedaan. Twee van hen, onder wie Jeroen den Blijker, werden vorig jaar, na een hem onwelgevallige publicatie, door de directeur telefonisch met de dood bedreigd. Dat kon Jansen van Galen weten, want hij was hoffelijk genoeg om het eerste concept van zijn column aan Trouw voor te leggen. Maar van déze bedreiging rept de columnist niet. Waar hij wel gewag van maakt -zij het met de verkeerde journalist in de rol van potentieel slachtoffer- is het ook door de NMO-directeur geuite voornemen om een derde Trouw-scribent 'de tanden uit de bek te slaan'.

,,Niet zo netjes en grof in de mond'', noemt Jansen van Galen dat, ,,maar op zichzelf geen reden om de journalistieke objectiviteit te laten varen''. Heel wat billijker lijkt me een andere conclusie. En wel deze, dat de aangevallen journalist de feiten bij lange na niet het geweld heeft aangedaan waarop de NMO-directeur hem zei te willen trakteren.

Dit alles wordt hier opgerakeld, niet om een omroepdirecteur op zijn nummer te zetten, maar de columnist die, om hem te verdedigen, geen bewijskrachtiger illustratie dan die alinea uit Trouw kon vinden voor de stelling dat 'de pers zorvuldiger moet omgaan met reputaties'.

Die stelling is op zichzelf algemeen genoeg om waarheid te bevatten. Omroepen en kranten, ook Trouw, slagen er ongetwijfeld niet altijd in, volledig recht te doen aan wie in hun gezichtsveld komt. Ze kunnen reputaties niet alleen ten onrechte schaden maar ook ten onrechte bevorderen. Of Jansen van Galen dat laatste heeft geprobeerd, kan ik niet beoordelen. Maar het zou me niet verbazen als een omroepdirecteur nu concludeert dat zijn journalistieke advocaat het eerste heeft bereikt.

Deel dit artikel