Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een oorlog tegen de zonde bij de Noorse Broeders

Home

RUUD VAN HAASTRECHT

Er wordt oorlog gevoerd in de Noorse broederschap tegen 'de zonde in het eigen vlees'. Een oorlog waarin jongeren alles op zijn kop zetten. Ze spioneren ouders die als lauw worden ervaren en geven die aan bij de leiding. De 'façade van geestelijk mooi weer en zondeloosheid' verbergt veel onvrijheid en verdriet. Het inleveren van alle aardse goederen wordt gewaardeerd als 'eenvoudige toewijding'. En: “Het is heel moeilijk om eruit te komen”, verzucht Ruth Postma, “het is zó ontzettend moeilijk om eruit te komen.”

Karen Smith schreeuwt ook. Hij is dit jaar de hoofdspreker op de zomerconferentie van de Nederlandse Noorse Broeders in hun eigen conferentieoord De Kroeze Danne in het Twentse Ambt Delden. Over 'eenvoudige toewijding' heeft hij het en hij zal tijdens zijn toespraak die twee woorden in het Noors veelvuldig herhalen. Gezien zijn fors postuur schaart Smith matigheid kennelijk onder de minder belangrijke bijbelse geboden. Hij geniet in eigen kring de reputatie van een spreker aan wie de gave van het Woord geschonken is. Toch maakt hij tijdens deze toespraak geen moment de indruk dat hij gelooft in wat hij zegt. Maar dat is natuurlijk alleen maar wat voor ogen is. Wie immers kan het hart doorgronden dan God alleen?

“Eenvoudige toewijding!”, schreeuwt Karen Smith weer en daar is hij natuurlijk erg voor. “Als er een vraag in je opwelt die het geloof aanvecht, moet je die wegdrukken”, geeft hij als voorbeeld. Hij somt de drie grote aanvechtingen op die het geloof kunnen aantasten: het andere geslacht, geld en eerzucht; in die volgorde. Hij verhaalt hoe er laatst een ouder bij hem kwam die zich beklaagde dat een van zijn kinderen al z'n geld en bezit had weggegeven aan de broederschap. Maar voor medelijden en begrip was hij bij Karen Smith aan het verkeerde adres. Dit is ware 'eenvoudige toewijding', schreeuwt Smith, waren er maar meer zoals deze rijke jongeling. Een vluchtige inspectie van het parkeerterrein van De Kroeze Danne leert dat hem nog een schone taak wacht.

Karen Smith richt zijn vurige pijlen vooral op de ouderen, want met de jongeren zit het wel snor. Ze vormen de drijvende kracht achter een 'Opwekkingsbeweging' die sinds enkele jaren in de Noorse Broederschap in Nederland en daarbuiten woedt. Het is geen opwekking in de traditionele zin van: mensen tot het geloof bekeren. Bij de Noorse broeders gaat het om een verdriedubbelde inspanning om te breken met alles wat onder hen als zondig geldt.

De geloofbeleving is ook intenser geworden, op het geëxalteerde af. In rustiger jaren werd er meewarig neergekeken op de Pinksterbeweging - met haar uiterlijk vertoon van handen in de lucht, staand zingen en klappen. Nu gebeurt dat in de Noorse broederschap net zo veel of zelfs nog meer. Er zijn bidstonden bij de vleet. Ook is er net een nieuwe druk uit van de liederenbundel 'Liederen van de weg', waar de liederen aan zijn toegevoegd die in de Opwekking zijn ontstaan. Ze gaan over 'de oorlog verklaren aan je eigen leven', over 'het doden van je eigen vlees', over bloed en over kruisdood en graf. Want 'hoe meer je lijdt, hoe heiliger je wordt', volgens de broeders.

Het speelse van het jeugdwerk is er ook vanaf. Vroeger waren de jeugdconferenties één groot feest van spelletjes, pannekoeken bakken, de tent versierd, vuurwerk met als hoogtepunt de lichtende woorden 'God met ons', en een lampion-optocht. Nu zwaaien kinderen van drie, vier jaar met hun vuistjes in de lucht als teken van toewijding aan God en stampen de jeugdleiders er bijbelteksten, getuigenissen en leringen bij hen in.

In de Noorse Broederschap is een Culturele Revolutie gaande, die trekken vertoont van die in het communistische China onder de grote roerganger Mao tse Toeng in de jaren zestig. De jongeren nemen het heft over van hun ouders die ze als 'lauw' uitspuwen. Thuis spioneren ze of hun ouders wel ernst maken met de opwekkingsleer en verklikken ze aan de nieuwe leiders in de gemeente wanneer dat niet het geval is. Ook maken de jongeren bittere ernst met de toewijding aan God. Een 'strijdgeest' is over hen vaardig geworden, heet het in het oorlogsjargon van de Noorse broederschap. Want er wordt oorlog gevoerd: tegen 'de zonde in het eigen vlees'. Die moet uitgebannen worden, doodgemaakt, opdat er goddelijke natuur in de plaats kan komen van de eigen verdorven menselijke natuur. Maar er komt niets voor in de plaats. Er sterft alleen maar af en er blijft een eenvormig type mens over, gehuld in een geestelijk Mao-kostuum, zonder eigen gevoel of persoonlijkheid. Wanneer een nieuweling een gemeente binnenkomt (en dat gebeurt de laatste tijd nogal eens; de Noorse broederschap groeit in Nederland gestaag), stort iedereen zich daarop omdat die nog zo fris is en zo anders als de rest. Na een jaar of anderhalf is die nieuwkomer echter een grijze muis geworden als alle anderen of heeft hij 'de gemeente' alweer stilletjes verlaten. Hij hoorde dan blijkbaar niet bij de 144 000 uitverkorenen uit de Schrift waar in de broederschap zo vaak op wordt gewezen.

Hoewel gelovige Noorse broeders dat ongetwijfeld anders zien, komt de Opwekking niet uit de lucht vallen. Het woelt al enige jaren op de bakermat van de fundamentalistische protestantse sekte in Noorwegen. Daar kreeg rond de eeuwwisseling de gelovige marine-onderofficier John O. Smith, lid van de methodistenkerk, naar eigen zeggen een boodschap van God dat het methodisme toch niet het ware christendom is. In de methodistenkerk werd, net als in andere christelijke kerken, verwaarloosd dat het de mens gegeven is om zondeloos te leven. John O. Smith vormde zijn eigen, vrije gemeente waar de nadruk werd gelegd op een rein en volkomen leven door het 'doden' van zonden. Negentig jaar later telt de Noorse broederschap in Noorwegen alleen al zo'n tienduizend leden en zijn er in ongeveer veertig landen gemeenten, waaronder Nederland waar naar schatting tweeduizend mensen tot de broederschap behoren. John O. Smith verwisselde in 1943 het tijdelijke voor het eeuwige, en van zijn eerste twee discipelen - Aslaksen en Bratlie - is de eerste gestorven en lijdt de tweede aan ouderdomsverschijnselen. Hun portretten hangen in de huiskamer van zo ongeveer elk Noorse-Broedergezin, als ging het om Jezus met Johannes en Petrus.

Na het overlijden van Aslaksen ontbrandde in Noorwegen een weinig verheffende machtsstrijd tussen Olav Bekkevold, de tweede man in de gemeente Oslo, en de kleinzoon van de stichter, Karen Smith. De Noorse pers smulde ervan. Bekkevold verweet Karen Smith aanhoudend dat die met het geld van anderen had gespeculeerd en, nog erger, daarmee failliet was gegaan. De traditie van de Noorse broeders wil (ongetwijfeld met het oog op de vele aardse schatten die ze in de tussentijd hebben vergaard, waaronder een luxe conferentieoord ter waarde van 33 miljoen gulden in het Noorse Brunstad): wie failliet gaat, heeft zichzelf als leider gediskwalificeerd. Karen Smith vocht even hard terug. Met behulp van zijn zwager Staatwen - ook hoog in de Noorse-broederhiërarchie - wist hij gedaan te krijgen dat Bekkevold een spreekverbod hierover kreeg opgelegd in de samenkomsten. Zo kon Bekkevold niet langer Smiths financiële praktijken aan de kaak stellen. Ook verdient nog vermelding dat Staatwen zéér populair is bij de eigen jeugd die hem zelfs achterna reist om hem maar te kunnen horen spreken. Toen na het snoeren van Bekkevolds mond de broederschap dreigde te scheuren, ziet, daar stak plots de Opwekking de kop op. En K'aren Smith zag dat het goed was.

Niet alle jongeren gingen 'mee in de opwekking'. Frank en Ruth Postma hadden het een en ander over de opwekking vernomen toen ze drie jaar geleden naar Ambt Delden trokken voor de traditionele pinksterconferentie. Verschillende leden van hun streekgemeente in Friesland waren al een zondagje 'opwekkingkje wezen kijken' in Santpoort, de eerste gemeente in Nederland waar de vlam in de pan was geslagen. Begeesterd keerden die terug, ook al kende de opleving ook z'n schaduwzijden. Zoals het zingen dat sinds de Opwekking met zoveel decibellen harder ging dat de omwonenden bij de Santpoortse politie klaagden over burengerucht en een jonge zuster van 22 definitief haar stem verloor. Op de pinksterconferentie wisten de Postma's niet wat ze overkwam. “Goddelozen, waarom gaan jullie niet staan”, werd ze toegevoegd en Ruth kreeg een aanmoedigende por met de elleboog. Het ergste van alles vonden ze de publieke aanklachten van de jonge garde in de diensten tegen de ouderen dat die aan 'lauwheid' leden. “Terwijl dat wel de steunpilaren van de broederschap waren”, zegt Ruth.

Die pinkster-ervaring was het laatste duwtje in de rug dat ze nodig hadden om de broederschap te verlaten. Beiden waren ze in een Noorse-Broedergezin opgegroeid, wat ze gaandeweg als te beschermd ervoeren. Binnen de smalle marges die de broederschap hem liet, trachtte Frank als tiener de mode te volgen. Ook bezocht hij stiekem de bioscoop. Zelfs kneep hij er op een conferentie in Ambt Delden samen met Ruths broer wel eens tussenuit voor de nachtfilm in Amsterdam. Op een bepaald moment werd hij dat heimelijke gedoe beu en kondigde tot ontzetting van zijn ouders op een goede avond thuis aan dat hij naar de film ging. Z'n moeder ging huilend bij de deur staan en hield hem voor: 'stel je voor dat Jezus vanavond terugkomt en Hij vindt je in de bioscoop?'

Ruths kunstzinnige ouders naaiden zelf hun kleren waardoor Ruth niet zo Staphorsterig door het leven ging als veel van haar geloofsgenotes. Toch lag ze er op school uit door haar lange haar en dito rokken. In de o zo gevoelige puberteit werden eerst haar rokken steeds korter, en vervolgens verwisselde ze de rok voor een spijkerbroek zodra ze buiten het ouderlijk vizier was. Maar haar geweten bleef knagen: “Ik heb zùlke problemen gehad om een broek aan te trekken. God wordt een soort boeman èn een Sinterklaas is-ie: als je maar lang en hard genoeg bidt, krijg je het ook.” En God is alomtegenwoordig. Een zuster kwam haar in broek in de stad tegen en briefte dat ogenblikkelijk over aan haar thuisfront. “Dan kon je je bergen.”

Na hun huwelijk besloten de beide buitenbeentjes dat ze de Noorse broederschap nog één kans zouden geven. Ze zetten hun schouders onder het kwijnende jeugdwerk van hun Friese streekgemeente. Het werd één grote deceptie. Het begon met een jongerenfeestje bij hen thuis, waar in de gemeente schande over werd gesproken. Eén van de jongeren betrapte Frank toen die zich - om geen aanstoot te geven - even in de keuken had teruggetrokken om met een onschuldig pilsje zijn dorst te lessen. De mare van een met alcohol overgoten bacchanaal was daarmee geboren.

Dan was er die keer met kerst, toen de Postma's de kerkzaal extra feestelijk hadden versierd. 'Wat een overdaad, moet dat nou?', kregen ze te horen.

In een ander opzicht hechten de Broeders wel aan uiterlijk vertoon: vrouwen dienen decent gekleed te gaan. Op hetzelfde kerstfeest keek een van de broeders Ruth recht in haar v-hals toen zij de soep aan het opscheppen was. Deze broeder maakte vervolgens in de gemeente aanhangig dat Ruth niet kuis en eerbaar gekleed ging, zoals dat een vrouw naar Gods hart betaamt. “En dan wordt er heel hard gezongen: 'Sluit de luiken van uw ogen voor de lust uw hart besmet' ”, schamperen ze nu. Waarom die broeders dan toch de luiken niet hadden laten zakken? “Ze vonden het kennelijk nogal smakelijk.”

Het verschil tussen de leer en het leven. Het thema komt vaker terug in de gesprekken met mensen die de Noorse Broeders verlaten hebben, van wie de Postma's de enigen zijn die met naam en toenaam in de krant durven. Er gaapt een grote kloof tussen datgene wat gepredikt wordt en de praktijk. Zo worden eens per jaar op De Kroeze Danne (Twents voor: de schuine denneboom) bekeringssamenkomsten gehouden waarop eenieder weer in het reine kan komen met God door het opbiechten van hun zonden aan hoog in aanzien staande broeders. Er is minstens één geval aan het licht gekomen waarbij een meisje jarenlang door een van die broeders seksueel is misbruikt. Uiteindelijk maakte het meisje het aanhangig en werd de broeder op het matje geroepen. Toen hij ontkende werd het meisje niet gelooft, want mannen hebben in de Broederschap altijd gelijk. De broeder voert nu nog steeds het woord in de samenkomsten. Het geval staat niet op zich. Ook in Noorwegen zijn zulke voorvallen gebeurd. Een zuster die het geval kent, zegt: “Als het aan het licht komt en je vraagt om vergeving dan is de kous daarmee af en ga je gewoon verder met je praktijken. Die mannen overschreeuwen hun eigen geweten.”

De positie van de vrouw in de broederschap is niet benijdenswaardig. Een vrouw is er om haar man onderdanig te zijn, voor het baren van veel kinderen (anticonceptie is taboe) en het runnen van het huishouden. Als blijk van haar ondergeschiktheid aan de man draagt ze in de samenkomsten een hoofddoek en mag ze niet preken. Het zelfbeeld van de zusters is daardoor op z'n zachtst gezegd niet florissant. Een fragment uit een 'getuigenis' van een vrouw tijdens een samenkomst: “Een vrouw is onbetrouwbaar, ze laat zich leiden door haar gevoelens en haar ziel. Mijn man is nuchter en betrouwbaar. Het oordeel over de vrouw, dat is waar. Een vrouw, die is onbetrouwbaar. Maar God heeft het zo gemaakt dat wij mannen en broeders hebben naar wie wij kunnen en moeten luisteren.”

Alle geïnterviewden kennen geschiedenissen over mannen die incest plegen met hun dochters of hun eigen vrouw regelmatig verkrachten. De slachtoffers zijn er ook, alleen blijken die er keer op keer voor terug te schrikken om hun verhaal te doen aan de krant als ze benaderd worden. Ze “kunnen het emotioneel nog niet aan”.

“Het komt in elk geval niet minder voor dan in andere gezinnen”, zegt Ruth Postma beslist. Zij en Frank reageren eerst terughoudend als ze wordt gevraagd naar voorbeelden van de door hen gesignaleerde kloof tussen leer en leven. Maar als ze de verhalen van anonieme getuigen horen, laten ze hun terughoudendheid varen. Van heel dicht bij kennen ze zulke geschiedenissen. “Dat komt”, zegt Ruth, “doordat die mannen zo met hun hoofd bezig zijn en niet met hun gevoel. Er wordt bij vrouwen met bezemstelen naar binnen gegaan, er worden stiekem pornovideo's gehuurd, er zijn getrouwde mannen die homoseksuele praktijken beoefenen, er vindt verkrachting binnen het huwelijk plaats. Het is als een bal waar permanent op gedrukt wordt. Op een gegeven moment spat die bal uit elkaar: in drugs, seks, of het doordraven in de leer. Maar over dit soort dingen wordt de dekmantel heengelegd.”

“Ik zeg altijd”, zegt een vrouw die weg is uit de broederschap en anoniem wil blijven; “ik heb geleefd als een kip zonder kop. Je weet niet over incest, je weet niet over verkrachting. Als ik nu terugkijk denk ik: dat of dat was helemaal niet pluis. Maar zulke dingen werden echt binnen het gezin gehouden. Je kende elkaar maar in feite kende je elkaar niet.”

De Noorse Broeders zoeken hun vrienden bij voorkeur in de eigen kring, om niet meegezogen te worden met 'de wereld'. Maar zelfs onder elkaar gaat de vriendschap niet heel diep. Voor een lid van de Noorse broederschap staat het gezin voorop. Eventuele vuile was wordt niet buitengehangen. Wat er zich ècht afspeelt in andermans gezin achter de façade van geestelijk mooi weer en zondeloosheid weet men niet van elkaar. En dat wil men ook niet weten, want dat is de verantwoordelijkheid van de man als hoofd van de vrouw en als hoofd van zijn gezin. Op de zomerconferentie op De Kroeze Danne valt het op: het is allesbehalve een sociaal gebeuren. Na de morgendienst trekt elk gezin zich terug voor de eigen caravan voor de koffie of het middagmaal. Over de heg wordt getuurd noch getetterd.

De Noorse Broeders verlaten is zwaar. Het betekent kiezen voor het isolement. Vaak verbreken ouders het contact met een kind dat de broederschap de rug toekeert. In het begin wordt de afvallige nog door trouwe gelovigen bestookt met telefoontjes, brieven en smeekbeden om alsjeblieft terug te keren. Daarna valt de radiostilte in: op straat wenden de broeders en zusters hun hoofd af als ze een afvallige tegenkomen. De eenzaamheid ligt, bij gebrek aan contacten buiten de broederschap, dan op de loer.

Door de opwekking geïmponeerd, zijn verschillende afvalligen de laatste tijd op hun schreden teruggekeerd en hebben zich opnieuw bij de broeders gevoegd. “De opwekking maant: het is nu de laatste tijd en als je je nu niet bekeert, gaat het mis met je”, vertelt iemand. Door twee familieleden die zijn teruggekeerd, wordt ze nu aanhoudend gevraagd om hetzelfde te doen. Ze wordt er 'heel nerveus' van. “Ik heb er geen weerwoord op. Ik laat het dan ook maar. Zulke dingen maken je wel van slag. Maar teruggaan zou ik niet meer kunnen, die druk elke keer weer dat je alles verkeerd doet, het wanhopig toevechten naar iets dat je voorgehouden wordt maar dat je nooit zult kunnen bereiken.”

“Het is heel moeilijk om eruit te komen”, verzucht Ruth Postma, “het is zó ontzettend moeilijk om eruit te komen.” Een jaar nadat ze de broederschap hadden verlaten, bezochten ze de bruiloft van een broer van Frank, die nog lid is. Ze hadden hun kindje meegenomen. Die werd zo opgejut door de muziek dat ze haar tamboerijn 'helemaal tot gort' sloeg. Ze gingen er jankend weg. “De dienst straalde een geest, een soort macht uit”, zegt Frank. “Je bent nog zo instabiel, hè”, vult Ruth aan. “Als je dan niet een klein beetje sterke benen hebt, zou je teruggaan. Je krijgt nooit een bevestiging dat je goed zit. Je hoort alleen maar kritiek op je afhaken. Terwijl je in je hart weet: 'ik ben een kind van God, God heeft mensen naar zijn beeld geschapen, ik ben die ik wezen mag'.”

Deel dit artikel