Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een ongewone gewone familie

Home

Kees de Vré

De familie Stork behoort tot de aartsvaders van de Nederlandse industrie. In hun basis Hengelo is te zien hoe het bij hen thuis eraan toe ging.

In een vitrine van het Historisch Museum Hengelo ligt een portefeuille waaruit een briefje steekt, geschreven in de jaren twintig door een moeder die het kleinood van haar vader schenkt aan haar zoon. „Zo kan je toch nog aan opa denken’’, staat er. Het doodgewone alledaagse tekent de familie Stork, de stichters van de gelijknamige machinefabriek die behoren tot de aartsvaders van de Nederlandse industrie.

De alleraardigste expositie die het Hengelose museum over die ongewone gewone familie heeft opgezet laat vele van dit soort zaken zien. De machines en turbines zijn bewust weggelaten. Alle aandacht gaat uit naar familiefoto’s, brieven, gebruiksvoorwerpen en de huizen waarin ze hebben gewoond. Een mooie blik in de keuken is de kijker aldus gegund. Zo staat er bij voorbeeld de stoel waarop Sinterklaas bij zijn jaarlijkse bezoek aan de familie plaatsnam. In de rugleuning is het wapen van Hengelo verwerkt. „Die stoel is een burgemeestersstoel. Hij is geschonken door de toenmalige burgemeester van Hengelo. Zijn dochter was getrouwd met een Stork’’, vertellen Cissy van den Doel en Herbert Troelstra, leden van de tentoonstellingscommissie. Naast de stoel hangt de Sinterklaas-uitrusting. „Dat is een officieel bisschopskleed met bijbehorende mijter. Het mooie is dat de Storken – protestanten toch – dat hebben laten maken bij de firma Stadelmaier die ook voor andere bisschoppen en zelfs de paus de officiële kledij maakt.’’

Het grote Sinterklaasboek daarentegen is een afgedankt voorraadboek uit de fabriek, overtrokken met een stukje rood ribcord. „De Storken waren toch vooral zuinig, er ging geen cent overbodig de deur uit.’’

Bij het opzetten van de tentoonstelling kwamen vele van dit soort verhalen boven water. „We hebben samen met Gijs Stork, de zoon van François Stork – meneer Frans voor de werknemers en de laatste directeur uit de familie – en Annie Stork, achterkleindochter van van de oprichter, de expositie samengesteld. Gijs vertelde over het geschilderde portret van zijn grootvader. Dat vond zijn vader, François dus, zo lelijk dat hij er met zijn broers dartpijltjes op gooide. Het portret hangt gerestaureerd en wel in een van de ruimtes.’’

Een van de handigste zaken op de expositie is de stamboom van de drie generaties Stork die bij de fabriek in Hengelo hebben gewerkt. In anekdotes doen vele namen de ronde en dan is die stamboom onontbeerlijk voor een goed zicht op de situatie. In vroeger jaren kregen de Storken bijnamen van hun werknemers om ze uit elkaar te houden. Zo is er ’boer Stork’, bijnaam voor H.C. die eigenlijk liever boer wilde worden en ook een landbouwbedrijf had in Groningen. Na het plotselinge overlijden van zijn broer Charles werd hij medefirmant van de machinefabriek. H.C.’s andere broer D.W. werd Drei Weiber genoemd omdat hij driemaal getrouwd is geweest. In de derde generatie werd Kale Willem onderscheiden van Wim Katoen, die werkte bij de textielpoot van het concern. Dat is in 1959 opgegaan in concurrent Nijverdal ten Cate.

Stork is begonnen als textielfabriek. Charles Theodorus Stork, tweede zoon van de directeur van het Oldenzaalse postkantoor, was geen studiehoofd. Hij wilde ondernemen. Zijn vader had daar oog voor en leende zijn zoon 2000 gulden. Met zijn broer Jurriaan Engelbert begon hij in 1836 een bedrijf in geweven stoffen. Dat groeide uit tot de Koninklijke Weefgoederenfabriek C.T. Stork, kortweg KWF. In 1859 stichtte dezelfde C.T. Stork in Borne een bedrijf voor het onderhoud van textielmachines, dat later uitgroeide tot het nu nog bekende Stork.

In 1854 werd KWF en in 1868 de machinefabriek naar Hengelo verplaatst. Dat bracht het Twentse dorp veel voorspoed. Zo werd na veel lobbywerk van C.T. – hij was ook lid van de Eerste Kamer – Hengelo een knooppunt in het oostelijk spoorwegnet. Die prestatie leverde hem ongeschreven voorrechten op. Van den Doel: „C.T. reisde altijd met de trein van Oldenzaal naar Hengelo. En als zijn koets wat te laat bij het station arriveerde, dan wachtte de trein gewoon.’’

De Storken brachten niet alleen banen in Hengelo en omgeving, zij ontpopten zich ook als sociale werkgevers. Huizen, scholen en gezondheidszorg voor hun werknemers beschouwden zij als een opdracht. Gezond werkvolk is goed voor het bedrijf. Troelstra: „Die houding was zeker niet gewoon in die tijd. Andere werkgevers in de regio, voornamelijk textielbazen, waren juist berucht om hun slechte behandeling. Het kan ermee te maken hebben dat de metaalindustrie geschoolde arbeiders nodig had. Daar ging je kennelijk anders mee om en dat had binnen Stork zijn uitstraling naar de textielpoot.’’ Het Hengelose tuindorp het Lansink, gesticht als „een kolonie voor arbeiders en beambten, met veel licht en lucht en betaalbare huren’’, wordt beschouwd als het mooiste tuindorp van Nederland en is sinds 2003 een beschermd stadsgezicht. „De Storken wilden er zelf ook wonen’’, zegt Troelstra, „omdat ze wilden laten zien dat ze een van hen waren. Maar dat vonden de arbeiders wel wat te ver gaan. Ze voelden zich te veel op hun vingers gekeken.’’

De familie bouwde en verbouwde in en om Hengelo ook een aantal fraaie buitenhuizen. De vele foto’s laten mooie panden zien waar ouders, kinderen en ook veel beesten gelukkig waren. Van den Doel: „Er zijn er nog maar twee over. Zo zonde dat de meeste verdwenen zijn. Zoiets zou nu niet meer gebeuren.’’ In een van de zalen hangt een wandkleed met alle buitens. Troelstra: „Dat is huisvlijt van de familie. Zelfwerkzaamheid werd erg gestimuleerd.’’ De aankleding van de huizen oogt niet uitbundig, eerder sober. Alleen het hoogst noodzakelijke. Van den Doel: „Dat zijn de Storken ten voeten uit. Geen poespas. Als er opdrachtgevers op bezoek kwamen die moesten worden gepaaid, wisselden ze gewoon van entourage. Ze ruilden van huis met de collega-fabrikanten Dikkers, aan wie ze via huwelijken verbonden waren. De onderkomens van de Dikkers waren veel uitbundiger.’’

De Storken gingen wel op vakantie naar het buitenland. Altijd met de eigen auto en zonder personeel. Troelstra: „Ook dat is typisch des Storks. Op een aantal foto’s zie je de mannen van het gezelschap met de bergen op de achtergrond lekke banden verwisselen of water in een kokende radiator gieten. Heel aandoenlijk. Men ging op vakantie, maar wel met in het achterhoofd om ook zaken te doen bij buitenlandse klanten. Altijd het nuttige met het aangename verenigen.’’

Op die reizen, zelfs naar het Midden-Oosten en Azië, werden kunstvoorwerpen meegenomen: beeldjes, schilderijen, aardewerk. Veel lijn zat er niet in, het waren meer aandenkens, souvenirs. Kunst was voor de aardse Storken een stap te ver. Eén keer had de familie wel iets moois voor ogen. Van den Doel: „Bij het honderdjarig bestaan in 1968 wilde de toenmalige directeur, meneer Frans, zijn werknemers iets kunstzinnigs cadeau doen. Hij liet in het diepste geheim bij aardewerkfabriek de Porceleyne Fles in Delft voor de gelegenheid zeer speciale kandelaars maken. Het personeel, mijn man was toen nog werkzaam bij Stork, verheugde zich ook op iets moois: een extra maandsalaris. Toen de kandelaars met twee kaarsen uit de doos kwamen was de teleurstelling enorm. De beken en sloten rond Hengelo lagen die dag vol met weggesmeten kandelaars. Gelukkig zijn er nog een paar bewaard. Die staan nu hier op de tentoonstelling.’’

Deel dit artikel