Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een moorddadig draad, volstrekt vergeten

Home

WIM SCHOUTENDORP

De wandeling bij Epen in Zuid-Limburg voert stroomopwaarts langs de Geul. Boven aan de helling wordt Frans gesproken: we zijn over de grens. Spinaken heet het dorpje. Verder, over een asfaltweg westwaards langs de grens, passeren we een fraai kasteel, Beusdaal. Na misschien een kilometer begint een bos. Links onder de bomen staat daar onverwacht en heel bescheiden een gedenksteen langs dit weggetje naar nergens. “Aan de Belgische en Geallieerde slachtoffers die hier omkwamen door de elektrische draad, 1914 - 1918”, staat er in het Frans. Boven de tekst is een manshoog hekwerk gebeiteld, met iemand die er kennelijk doorheen probeert te kruipen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog blijkt het uit 1920 daterende monument door de nazi's verwoest. In 1962 is het in ere hersteld. Het is de stille getuige van een macaber moordhek, dat in de vergetelheid raakte.

Hun dood, maar ook het hek zelf is volstrekt in de vergetelheid geraakt. Van de gebeurtenissen van bijna tachtig jaar geleden zijn vrijwel geen ooggetuigen meer in leven. En die er nog zijn, kunnen zich weinig meer herinneren. Zelfs op de universiteit van Leiden, toch de bakermat van de vaderlandse geschiedenis, zeggen beroepshistorici die prsoonlijk uitvoerig studie hebben verricht naar de grote aantallen vluchtelingen tijdens diezelfde wereldoorlog in Nederland, nooit van de moordende stroomdraden langs de grens te hebben gehoord.

In St. Martensvoeren, enige kilometers van het monumentje in Spinaken, woont de Belgische heemkundige dr. J. Nijssen. De gepensioneerde bioloog bracht onlangs voor zijn heemkundige studieclub een bezoek aan het Kriechsarchiv in München. Daar worden de dossiers bewaard van een van de Duitse legeronderdelen die tijdens de Eerste Wereldoorlog in België actief waren. Tot zijn spijt blijken de archieven van andere Duitse oorlogsdivisies vernietigd, als gevolg van bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

De paar documenten die Nijssen in München opdiept, wekken de indruk dat het onder stroom gezette hekwerk onderdeel uitmaakt van een bewuste beleidslijn van de Duitse legertop. Eerder al, herfst 1914, blijken de Duitsers eenzelfde 'elektrische draad' te hebben aangelegd langs de zuidflank van het front dat sedert september 1914 ruim drie jaar Noord- en Noordoost-Frankrijk zal doorsnijden. Dat gebeurde in de Elzas, toenmalig Duits gebied, bij de Jura langs de grens met Zwitserland.

Volgens de documenten uit het Kriegsarchiev heeft de 'elektrische Hag' tot hoofddoel spionage tegen te gaan, zoals over Duitse troepenbewegingen achter het front. De in moordende loopgraven- en gifgasgevechten gewikkelde Franse, Engelse en Belgische troepen zijn in zulke geheime militaire inlichtingen uiteraard bijzonder geïnteresseerd. Volgens de Duitse legerinstructies moet worden geschoten op iedereen die binnen een afstand van twintig meter van de draad komt. Verboden is het ook om te roepen naar mensen aan de andere kant van de grensversperring, of om er iets overheen te gooien. Mensen die brieven naar de overkant proberen te smokkelen, dienen standrechtelijk te worden gefusilleerd. Ook op pogingen de draden door te knippen staat de doodstraf.

Hoewel dit in de in München gevonden documenten niet met zoveel woorden wordt omschreven, lijkt een nevendoel van het stroomhek desertie tegen te gaan. Met de dood voor ogen pogen niet weinig Duitse soldaten de zware gevechten in de loopgraven van Noord-Frankrijk - alsook bij de nog altijd jaarlijks herdachte slag aan de IJzer, bij de kust van België - te ontvluchten. Dit blijkt uit een veelheid van berichten uit die tijd. Met een totale afgrendeling van de zijflanken van het in de modder vastgelopen front tracht de Duitse legertop dit kennelijk tegen te gaan en de discipline in het eigen leger overeind te houden.

Vrijwel direct na de voltooiing van de 'Sperrlinie' in de Elzas wordt in het voorjaar van 1915 begonnen met de voorbereidingen van een soortgelijk ondoordringbaar gordijn aan de noordzijde van het Duits-Franse front. Dat wil zeggen langs de Noordzeekust bij Knokke, waar in zee mijnen worden gelegd. En langs de grens tussen het door de Duitsers veroverde België en het neutrale Nederland. In de zomermaanden van 1915 moeten zo uit Belgische dorpen geronselde arbeiders in korte tijd van het Limburgse Vaals tot aan de Noordzeekust - dat wil zeggen, met alle bochten mee, over pakweg driehonderd kilometer - een soort hoogspannings schrikdraad aanleggen. Ook Russische krijgsgevangenen worden hierbij door de Duitsers aan het werk gezet.

Het hek bestaat uit drie afrasteringen. Het middelste is twee tot drie meter hoog en staat onder 2 000 volt, de andere twee lijken bedoeld om koeien, misschien ook mensen op afstand te houden. Aan de Limburgse kant wordt de stroom via hoogspanningsmasten aangeleverd door de bovenleiding van een tramlijn bij Aken. Elders zorgen generatoren voor de stroomopwekking. Het onder stroom zetten van het vier millimeter dikke en verzinkte ijzerdraad gebeurt om de twee kilometer. Bij onweer en stortbuien, maar ook wanneer er mensen of dieren vaak vreselijk verbrand in het hek blijven hangen, wordt de stroom in de betreffende sector tijdelijk uitgeschakeld om de lijken zonder gevaar te kunnen verwijderen. Beschadigingen aan het hek, door sabotage en geslaagde doorbraakpogingen, kunnen eveneens op die manier worden gerepareerd.

Opmerkelijk detail is de rol van Graf von Faber-Castell, de vermogende directeur/eigenaar van de destijds befaamde (en ook nu nog bekende) potlodenfabriek van die naam. Uit het archief-onderzoek van heemkundige Nijssen blijkt dat niemand minder dan deze adellijke ondernemer als Grenzschutz-Kommandeur tot de hoogst geplaatste Duitse militairen behoorde bij de aanleg van de 'elektrische Grenzabsperrungszaun'.

Erg lieflijk gaat het die jaren niet toe aan de Nederlandse grenzen. Langs de drie meter brede demarcatielijn wordt door de Landsturm intensief gepatrouilleerd, uiteraard gewapend, soms gemotoriseerd, vaak met honden. Ook aan Nederlandse kant is het verboden zich in de buurt van de draad op te houden. Om de paar honderd meter staan schakelhuisjes en uitkijkposten met zoeklichten, evenals 'tripmijnen', signaallampen en alarmsystemen die rinkelen als de 'draad' ergens wordt aangeraakt of beschadigd. Voorts zijn er zo nu en dan observatieballonnen boven het grensgebied.

De Maas en voor zover bekend alle andere rivieren en kanalen - waarschijnlijk, maar niet zeker, ook de Schelde - zijn eveneens afgesloten met kettingen en stroomdraden. Ieder verkeer daarover is streng verboden. Voor de Noordzee-kust bij Zeeuws-Vlaanderen vliegen meer dan eens visserschepen in de lucht. Soms met spionnen, vluchtelingen of smokkelaars aan boord, vertelt de Zeeuwse heemkundige G. van Vooren, oud-gemeentesecretaris van het plaatsje Aardenburg.

Ruim drie jaar lang, van zomer 1915 tot het eind van de oorlog in november 1918, is de Nederlandse grens zo volkomen afgesloten. Alleen bij enkele eveneens zwaar bewaakte hoofdwegen zijn er poorten, waar de stroomdraden overheen worden geleid. Dat is ook het geval als grensplaatsjes als St. Gravenvoeren zuidelijk van Limburg en enkele gehuchten in Vlaanderen door de al te recht getrokken stroomdraad worden afgesneden van België en in een soort niemandsland belanden. Daar, en bij nogal wat boerderijen en kerken langs de grens, is dan onder strenge controle nog enig verkeer mogelijk.

Hoeveel doden er aan dit elektrische gordijn in totaal zijn gevallen, zal destijds wel enigszins zijn bijgehouden, ieder afzonderlijk door de Duitse en Nederlandse grenstroepen. De meeste militaire archieven van de Duitsers zijn in de Tweede Wereldoorlog evenwel verwoest. De enkele honderden meters kastplank met de Nederlandse militaire documentatie uit 1914-'18 zijn nog wel intact. Maar merkwaardig genoeg is dit materiaal nog altijd nauwelijks geordend.

“Alleen is er een overzicht over het archief van de Generale Staf. Maar van wat er op het niveau van divisies en militaire eenheden feitelijk is gerapporteerd, dat zit nog allemaal door elkaar. Speurwerk is daardoor feitelijk onmogelijk”, vertelt zowel historicus W. Klinkert van de Koninklijke Militaire Academie in Breda, als zijn vakgenoot B. de Graaf van het Instituut voor Nederlandse geschiedenis. Deze instelling in Den Haag is de pendant van het gerenommeerde Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie dat uitsluitend de Tweede Wereldoorlog als onderzoeksterrein heeft.

Oud-gemeentesecretaris Van Vooren uit Aardenburg, in het westen van Zeeuws-Vlaanderen, heeft als heemkundige de lokale kranten van destijds bestudeerd. In een publikatie vorig jaar, ter gelegenheid van een gemeentelijke tentoonstelling over de oorlogsjaren in Zeeuws-Vlaanderen, beschrijft hij aan de hand daarvan in zijn gebied achttien dodelijke incidenten langs de elektrische draad. Op basis van zijn naspeuringen, onder meer in de toenmalige Middelburgsche Courant, vermoedt Van Vooren dat in heel Zeeuws-Vlaanderen tijdens de oorlog langs de grens in totaal “enkele honderden” mensen zijn omgekomen. Onder hen overigens ook de nodige “onvoorzichtige” Duitse grenswachters.

Over het totaal aantal doden aan de Brabantse grens, verder naar het oosten in de Peel - daar hebben de Geallieerden hun voornaamste spionageroute, wordt in een Belgische streekroman 'De rakkers der grenzen' (auteur J. Vleugels, 1930) gezegd - en vervolgens zuidwaarts, langs de Maasoever en onder Zuid-Limburg langs, bestaan zelfs geen grove schattingen. Ook plaatselijk is het voor zover bekend nergens bijgehouden. En misschien kon dat ook niet, vanwege de oorlogsomstandigheden. Evenmin zijn er grafstenen voor de naamloze vluchtelingen, deserteurs, krijgsgevangenen, spionnen en smokkelaars te vinden, waaruit iets zou kunnen worden afgeleid.

Hoe streng echter ook de grensblokkade, de Duitse troepen kunnen niet verhinderen dat vele duizenden vluchtelingen toch het neutrale en daardoor vrije Nederland weten te bereiken. De van oorsprong Ierse pater O'Kelly - jezuët in een Luiks klooster, die veelvuldig rondreist in de Voerstreek om plaatselijke parochies bij te staan - heeft in de oorlogsjaren een dagboek bijgehouden. Herhaaldelijk is daarin sprake van massale doorbraakpogingen. Zo schrijft hij op 19 november 1916 dat het is gelukt om 4 000 brieven over de Nederlandse grens te brengen. Om onduidelijke redenen blijken de Duitsers de stroom bij een stuk hek enige tijd te hebben uitgeschakeld. Ook ontkomen er die dag rond de 120 mensen naar Nederland.

Een week later, schrijft de pater, weten 64 mensen door het stroomhek te kruipen. Dat gebeurt in de buurt van Teuven. Bij gevechten daarbij sneuvelen zeven Duitsers en twee Fransen. Op dinsdag 10 december dat jaar proberen liefst 200 tot 300 mannen en vier vrouwen bij Moelingen, eveneens in de Voerstreek, het elektrische gordijn te nemen. Meer dan honderd mensen slagen daarin. Maar tijdens twee uur durende gevechten vallen er vier doden, onder wie een van de vier vrouwen. Zes mensen raken gewond. Nog eens 36 worden door de Duitsers gevangengenomen. De rest ontkomt.

De vluchtelingen komen zo'n beetje overal vandaan, schrijft O'Kelly die dag. “De pogingen gaan door. We weten niet het aantal Geallieerden dat wordt gedood. De overleden passanten worden ter plekke begraven, zonder enige plechtigheid. Dertig gevangen zijn ter dood veroordeeld, hun straf is in levenslang omgezet, vier tot vijftien jaar, drie tenminste door het militaire tribunaal van Luik”, aldus de jezuïet in zijn niet altijd even duidelijk dagboekstijl.

Een andere belangrijke getuige is de Belgische graaf Lionel de Sécillon. Eind jaren zestig vertelt hij in de in Maastricht verschijnende krant De Nieuwe Limburger over zijn “angstwekkende” ervaringen vlak over de grens, in de bossen rond Epen en Teuven. Lionel is zestien als de oorlog uitbreekt. Hij woont met zijn ouders en broer Harmel in St. Pietersvoeren. Hun toenmalige kasteel, het Pavillon, is een soort doorgangshuis. “Honderden burgers zijn in onze bossen over de grens gevlucht, Belgische en Franse militairen die achter het front waren geraakt of in krijgsgevangenschap konden ontvluchten. Ook Duitse deserteurs. Er werd bovendien geweldig gesmokkeld. Dat lieten de Duitsers aanvankelijk oogluikend toe.”

De mannen die wij overbrachten, moesten bij ons vantevoren enkele dagen oefenen in het polsstokspringen, vertelt de dan inmiddels 75-jarige graaf. “Die afsperring was drie meter hoog. Die hadden we bij ons nagebouwd. Franse militairen namen meestal die moeite niet. Die slopen soms kilometers ver door Duitsland en bezet België en arriveerden met dertig, veertig man tegelijk. Zij stonden onder commando. 's Nachts werd zonder aarzelen een meter of vier uit die omheining geknipt, met grote geëoleerde tangen. Ik heb een Franse officier meegemaakt, die stond met geladen pistool in de hand achter zijn mannen te jagen. Want niet iedereen was zo gretig om zich na allerlei nachtmerries aan het front weer hals over kop bij zijn leger te voegen.”

De Sécillon, die zelf als jeugdige gids bij een van dergelijke vluchtpogingen door de Duitsers wordt opgepakt en voor twee jaar lang in een Duits krijgsgevangenenkamp belandt, doelt hier op pogingen van Geallieerde soldaten en krijgsgevangenen om via Nederland naar Engeland over te steken. Dit teneinde zich vandaar weer te kunnen aansluiten bij de Geallieerde troepen in Noord-Frankrijk en aan de Belgische kust, aan het eerder genoemde IJzer-front, waar de restanten van het Belgische leger manmoedig stand houden. Volgens andere berichten geven ook veel Belgische dienstplichtige jongeren gehoor aan de oproep van koning Albert om zich vanuit hun bezette land via Nederland en Engeland naar de IJzer te begeven. In de Tweede Wereldoorlog is het kasteel van De Sécillon, naar zijn zeggen, opnieuw een onderduik-adres, nu voor neergehaalde Geallieerde piloten.

Behalve geisoleerde kniptangen zijn ook bodemloze tonnen en zelfgemaakte houten spanramen geliefde middelen om door de mazen van het dodenhek naar de vrijheid te kruipen. Heemkundige Nijssen heeft zo'n met gummi bekleed spanraam nog altijd als aandenken in zijn bezit. In januari 1917 vindt er tenslotte een spectaculaire uitbraak plaats bij Visée, over de Maas. Ondanks Duitse beschietingen vanaf de wal zien 107 vluchtelingen met hun boot, de Atlas V, kans de elektrische draad over de rivier stuk te varen en het vrije Nederland te bereiken.

Spionage is er langs de Nederlandse grenzen, ondanks de elektrische draad, eveneens te over. Even ten zuiden van de Zuid-Limburg laten de Duitsers Russische krijgsgevangenen en Belgische vrijwilligers die werk zoeken, direct na het begin van de bezetting de spoorlijn Aken-Tongeren-Brussel aanleggen. Het veelal militaire goederenvervoer over deze lijn, die eind februari 1917 klaar komt (en nu nog altijd wordt gebruikt), wordt vanaf de Nederlandse grens met grote belangstelling gadegeslagen door de Engelse spionagegroep M 300. De Geallieerden hopen met deze informatie meer te weten te komen van de Duitse troepenbewegingen achter het front in Noord-Frankrijk. De grote spionageketens lopen, volgens een in 1952 verschenen artikelenreeks in de Belgische krant Het Belang van Limburg, evenwel over Hasselt en het noordwesten van Limburg. Daar zijn ook de genoemde 'Rakkers der grenzen' actief. Afgaand op het gelijknamig boek van Vleugels in Turnhout, gaat het hier om een groep vrijgevochten Vlamingen die onbekenden tegen betaling in staat stellen naar het vrije Nederland over te wippen.

In Zeeuws-Vlaanderen maakt heemkundige Van Vooren voornamelijk melding van pogingen van smokkelaars en koeriers om de hoogspanningsgrens te passeren. Naar zijn indruk zijn de Nederlandse grenswachten zelf overigens de grootste illegale handelaren. “Ze gooiden het op een akkoordje met hun Duitse collega's, want zo breed hadden ze het niet.” De meeste slachtoffers zijn al met al “autochtonen, uit de buurt”, is zijn conclusie. Ook bericht hij over 'ramptoeristen' die uit nieuwsgierigheid vanuit andere delen van het land naar het dodenhek langs de grens kwamen kijken.

Hoe stonden de Nederlandse autoriteiten tegenover de brutale grenscontrole door de Duitse bezetters van België? De Wassenaarse amateur-geschiedkundige C. Kramers, oud-consul van Nederland in New York, signaleert, op grond van door hem verricht archief-onderzoek, dat de Nederlandse grenswachten als officiële instructie hadden om grensoverschrijding buiten de erkende doorlaatposten tegen te gaan en te bestraffen. “Maar gezien het levensgevaar waarin zich vluchtende Belgen bevonden, bleef dit achterwege.” Maar er zijn ook veel Duitse, Franse en Russische vluchtelingen. Volgens officiële cijfers zijn het er in november 1918 niet minder dan 10 000 in Nederland. Maar ook meent Kramers dat de Duitse versperring “de Nederlandse autoriteiten niet onwelkom” was. Want “vanwege de smokkel bestond er ook aan Nederlandse zijde behoefte de grens en al het grensverkeer scherp te controleren”.

Deel dit artikel