Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een kind zonder broer of zus is niet ongelukkig

Home

door Iris Pronk

Het kleine gezin is in opmars: vader, moeder en één kind. Moeder vindt zichzelf vaak te oud voor een tweede.

Karina de Roos (28) hoort het haar vriendinnen denken: Komt er echt geen tweede kind? Wat zielig voor je zoontje! Maar daar trekt zij zich niks van aan: haar bijna tweejarige Quint blijft enig kind, wat haar vriendinnen er ook van vinden. Afgelopen zomer heeft haar man zich laten steriliseren.

Dat is voor haar een opluchting, zegt De Roos terwijl haar blondgekuifde zoontje vrolijk rondscharrelt in de kamer. „Voordat Jacco zich liet steriliseren, had ik steeds het gevoel dat ik me tegenover iedereen moest verantwoorden. Nu valt er een last van me af: een tweede kind kán ook niet meer.”

Haar gezin is compleet met man en Quint, zegt De Roos; voor haar is de drie-eenheid goed. Maar de meeste ouders van enige kinderen zouden er liever twee of meer hebben gehad, zo blijkt uit verschillende onderzoeken. Vader, moeder, ’koningskoppel’ (een jongen en een meisje), dat is nog altijd het ideale plaatje.

Vruchtbaarheidsproblemen verstoren dit beeld. Vrouwen krijgen, zoals bekend, hun kinderen steeds later – in Nederland wordt 50 procent pas op haar dertigste voor het eerst moeder, of nog later. Op die leeftijd begint zwangerschap al moeilijk te worden. Is een vrouw tot haar 30ste normaal vruchtbaar, met 35 is ze nog maar half zo vruchtbaar. Met 38 jaar is de kans op een zwangerschap nog maar een kwart van de kansen van een 30-minner.

’Te oud voor een tweede’ – daarmee verklaren de meeste moeders dan ook het uitblijven van meer kinderen, blijkt uit een onderzoek naar Bevolkingstrends van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS).

Maar ook andere redenen worden relatief vaak genoemd: de partner wil geen tweede, werk en meer kinderen zijn moeilijk te combineren, kinderen zijn duur. En er zijn ook heel wat ouders die na hun eerste kind scheiden.

Het kleine gezin lijkt in opmars, al zullen de cijfers dat pas over tien jaar uitwijzen – eerder valt niet te zien of de huidige moeders van enige kinderen het ook echt bij die ene houden. Al decennia lang krijgt zo'n 15 procent van alle vrouwen slechts één kind, soms uit vrije wil, meestal door omstandigheden. „En die omstandigheden doen zich wel steeds vaker voor,” aldus CBS-onderzoekster Liesbeth Steenhof.

Maar dat wil nog niet zeggen dat het één-kind-gezin ook sociaal geaccepteerd is, weet Albertine van Ruitenbeek (42), moeder van een 15-jarige zoon en schrijfster van het zojuist in eigen beheer verschenen boekje ’Enig kind? Enig!!’

„Ik heb de ervaring dat sommige ouders zich bijna schamen als ze zeggen dat zij één kind hebben,” aldus Van Ruitenbeek, die zich na vijf miskramen moest neerleggen bij het feit dat er geen tweede zou komen. Dat was voor haar bepaald niet makkelijk: „Een gezin bestaat, voor mij dan, uit minstens vier personen. Dit voelde niet compleet.”

Des te pijnlijker vond zij de (al dan niet onbedoeld) grove reacties van haar omgeving. Wanneer komt de tweede?, werd haar vaak gevraagd. En dat is vervelend als je zelf nog niet (helemaal) hebt verwerkt dat je zoon geen broertje of zusje krijgt.

Aan de ouders van één kind kleeft in de beeldvorming iets hedonistisch – een enig kind is ’lekker luxe’, zo luidt een gangbare visie. Er zijn immers geld en aandacht in relatieve overvloed, ouders hoeven niet te tobben met ongelijktijdige slaapjes van baby's en peuters, ze kunnen hun volwassen levens met werk en hobby's makkelijker voortzetten dan hun leeftijdgenoten met een groter gezin. De ’keuze’ voor één kind wordt daarom vaak bestempeld tot ’egoïstisch’.

Want voor het enige kind zelf is het zielig om alleen te zijn. Dat is tenminste één van de vooroordelen waarmee het zus- en broerloze kind nog altijd is omringd. Daar zit ie dan, de kleine Remi, in z'n eentje tussen de oude mensen. Hij kan vast moeilijk vrienden maken, mist een broertje of zusje en voelt zich daardoor eenzaam. En hij is ook per definitie verwend, omdat hij alle aandacht van zijn ouders krijgt.

Maar klopt dit steeds weer opduikende beeld wel? Nee, zegt psychologe Toni Falbo, hoogleraar aan de universiteit van Texas en dé internationale expert op het gebied van het ’only child’. Enige kinderen zijn niet eenzamer, ongelukkiger, egoïstischer of onaangepaster dan andere kinderen. Al vinden sommige enige kinderen het wel zwaar dat ze – eenmaal volwassen - de zorg voor hun bejaarde ouders met niemand kunnen delen. En al kent Falbo één Amerikaans onderzoek uit 2004 waaruit zou blijken dat kleuters zonder broers en zusjes minder sociale vaardigheden hebben dan kleuters mét.

„Maar ik heb heel wat studies gedaan in de afgelopen jaren,” aldus Falbo, „En daaruit komt steeds weer dat enige kinderen gelijk zijn aan anderen op het gebied van persoonlijkheid, sociale vaardigheden en huwelijk.” Wel groeien enige kinderen relatief vaak op met één ouder, en lopen ze schade op door de scheiding van hun ouders. Maar dat overkomt kinderen met broers en zusjes óók.

Falbo ontdekt nog iets anders: omdat enige kinderen meer aandacht krijgen, hebben ze een hogere zelfwaardering dan anderen. En daardoor bereiken ze later meer in de maatschappij: „Enige kinderen durven vaker af te wijken van de groepsnorm en hebben betere banen dan kinderen met broers en zussen.”

Die grotere aandacht voor het enig kind heeft ook een keerzijde, zegt klinisch psycholoog Jacqueline van Swet, auteur van het onlangs verschenen boek ‘Enig kind’: “Kinderen hebben soms baat bij wat wel ‘liefdevolle verwaarlozing’ wordt genoemd; bij iets minder aandacht, zodat ze hun eigen gang kunnen gaan en hun eigen fouten kunnen maken.”

En natuurlijk kunnen kinderen ook veel van broertjes en zusjes leren: ruzie maken bijvoorbeeld, en delen. Een gezin is een soort ‘minisamenleving’, aldus Van Swet, waarin kinderen met sociale omgangsvormen veilig kunnen experimenteren. Maar veel ouders zijn zich ervan bewust dat hun enige kind op dit gebied achterstand zou kunnen oplopen en compenseren het gebrek aan broers en zussen. Van Swet: ,,Ze gaan bijvoorbeeld met andere gezinnen op vakantie, onderhouden contact met neefjes en nichtjes en nodigen veel kinderen thuis uit.”

Enige kinderen kunnen juist béter delen – ook voor die hypothese valt volgens de klinisch psychologe veel te zeggen: “In gezinnen met meer kinderen is vaak veel jaloezie. Enige kinderen hebben de onttroning niet meegemaakt, het verlies van de exclusieve aandacht van de ouders bij de komst van een broer of zus. En daardoor zijn ze minder bezitterig.”

Sommige ouders blijven twijfelen. Door de sociale druk, maar ook omdat ze zich – ondanks de optimistische onderzoeksresultaten – blijven afvragen of ze hun kind niet tekort doen.

Jessica bijvoorbeeld: „Ze zal straks ook bij vriendinnetjes zien dat zij wel broers en zussen hebben.” Jesscica besluit misschien nog tot een tweede – als dat haar gegeven is. Karina de Roos houdt het bij Quint – omdat haar gezin zo ‘af’ is en omdat zij destijds een nare kraamtijd heeft gehad. „Mijn man en ik zeggen wel eens tegen elkaar: fijn hè, dat die babytijd voorbij is.”

En Albertine Ruitenbeek heeft onlangs een website gelanceerd (www.kleingezin.nl), om haar eigen verhaal te vertellen en om vooroordelen te bestrijden. Eén hoekje van die site is voor haar zoon Christopher, die niet erg lijkt te tobben: „Je hebt nooit gezeur over wie tv mag kijken of van wie wat is. Het is absoluut niet eenzaam zonder broertje of zusje. Ik heb veel vrienden en speel tennis. (...) Verder heb ik genoeg te doen om me niet eenzaam te voelen. Soms is het juist lekker om alleen te zijn.”


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

Door een profiel aan te maken ga je akkoord met de gebruiksvoorwaarden en geef je aan het privacy statement en het cookiebeleid te hebben gelezen.

Deel dit artikel