Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een gezond instinct voor eigen volk

home

Martien Pennings

Een zondag in 1998. Ik voerde, na mijn joggings-rondjes in een Amsterdams park, mijn wekelijkse gesprek met een gezelschap oudere heren dat daar op een vaste tijd en plek lichte oefeningen doet. Het ging al gauw over allochtonen, zoals altijd in bepaalde buurten van Amsterdam. Plotseling mengde zich een voorbijganger in het gesprek, een geblokte en besnorde vijftiger met de uitstraling van een sergeant-majoor.

Aan de lijn hield hij een enorme zwarte hond met slierten kwijl rond de bek. Terwijl ik aan 'Black Dogs' van Ian McEwan moest denken - hoofdstelling: grote, zwarte, verwilderde nazi-honden zullen Europa opnieuw bezoeken - en het beest voortdurend grommend aan de riem rukte, begon zijn baas ons een monoloog in het gezicht te schreeuwen, waarin hij vertelde dat al die buitenlanders vergast of anders wel met vlammenwerpers gedood moesten worden. Hij koos mij tot voornaamste mikpunt van zijn agressie, misschien omdat de anderen hem al kenden, of misschien omdat ik probeerde er af en toe een paar woorden tussen te krijgen. Dat lukte nauwelijks, want de man was zo uitzinnig van haat, dat ik telkens niet verder kwam dan: “Ik begrijp je haat, maar ...” Ik begreep helemaal niks, schreeuwde hij dan. Want wat ik in zijn woorden beluisterde was helemaal geen haat, maar liefde, bulderde hij zeker drie keer en hij meende het serieus. En als ik dacht dat hij een racist was, dan moest ik maar eens aan de andere heren hier vragen met wat voor vrouw hij getrouwd was. Nou, die was toevallig pikzwart. De andere heren, die bij de rest van zijn betoog gegeneerd hadden gekeken, knikten opgelucht van ja-dat-klopt. Later vroeg ik mij af of ik nu een manifestatie had gezien van de stelling van Jacques de Kadt dat het fascisme in oorsprong liefde is.

De minister van grote-steden-beleid en integratie, Rogier van Boxtel, wil de discussie over het minderhedenbeleid vooral 'zakelijk' houden, zo blijkt uit een interview dat Trouw op 1 december afdrukte. Mij lijkt dat, precies bij dit onderwerp, niet goed mogelijk en ook niet gewenst. En als het dan zakelijk moet, dan is het goed de zaken even op een rijtje te zetten. Dat we weten dat we het over hetzelfde hebben.

We hebben het hier over cultuur, over mensen, en dus over verstand én gevoel, over het rationele én het irrationele. Want anders vrees ik dat 'zakelijk' de nieuwe dooddoener wordt waarmee de discussie over dit onderwerp onderdrukt zal worden.

Thomas Mann was iemand die met elke dendriet van zijn intellect de oergrond had gepeild vanwaaruit oorlog en fascisme in West-Europa groeiden. Hij, die voor en in de Eerste Wereldoorlog zelf met verbaal vuur had gespeeld, waarschuwde later voor het auf den Hund kommen van bepaalde ideeën. Wij vertalen dat met 'aan lager wal geraken', maar volgens mijn privé-etymologie wordt hier verwezen naar stof dat opwaait in uw huis, op de vacht van uw hond komt en aldus, voor ieder zichtbaar, de straat op wordt gedragen. De waarschuwing is duidelijk: wees onbevreesd in uw analyses, en schuw de doortastende maatregelen niet, maar let in godsnaam op uw woorden, want zij zweven door de lucht en komen op de zwarte honden terecht. Ja, in zoverre mag de discussie van mij wel zakelijk blijven.

Vanwege dat stof is het misschien verstandiger als ik u niet via een selectie anecdotes duidelijk maak hoe ik aan mijn begrijpen van - niet: 'begrip voor' - generaliserende vreemdelingenhaat kom. Bewoners van achterstandswijken en mensen die beroepsmatig veel met allochtonen in aanraking komen, zitten namelijk vol anecdotes en ze ervaren zonder uitzondering de multicultuur als problematisch en vaak als bedreigend. Sommige van die mensen, fatsoenlijk en intelligent voor zover ik weet, vertrouwen mij zelfs toe dat zij betwijfelen of zij nog wel vrij zijn van racisme. Dat is ernstig en ik moet u bekennen dat ook ik mij niet meer honderd procent voel. Als ik bijvoorbeeld 's avonds in het halfdonker op straat een groepje jonge mannen zie lopen en ik kan, ondanks Nacht und Nebel, op tweehonderd meter afstand, puur op grond van de motoriek van die mensen vaststellen dat het Marokkanen van een bepaald soort zijn, ben ik dan een racist?

Marxist ben ik genoeg geweest om de sociaal-economische factor zwaar te laten wegen bij de beoordeling van gedrag van mensen. Ik ben historicus van mijn oude ambacht en anti-fascist genoeg om de gedachte te mijden dat dingen in het bloed zitten, want voor je het weet stroomt dat vocht over je schoenen de bodem in. Maar toch: zou het niet kunnen dat bepaalde culturen uit landen ver hier vandaan in sommige opzichten toch ietsje teveel anders zijn om vertegenwoordigers ervan hier in zeer grote aantallen succesvol te integreren? Ben je xenofoob als je dat vraagt? Daar komt bij dat er een paar specifieke omstandigheden zijn, die opname in het bestaande sociaal-culturele weefsel welhaast onmogelijk maken. Mensen met enige kennis van de Amerikaanse geschiedenis hebben al vijftien jaar geleden geprobeerd op die omstandigheden te wijzen. Wanneer namelijk getto's ontstaan, met daarin grote etnisch homogene groepen met eenzelfde religieuze achtergrond (de islam bijvoorbeeld), met een relatief zeer grote werkloosheid en met weinig aandeel in de sociaal-culturele hoofdstroom, dan kunnen die groepen komen tot een ideologie waarin de autochtone cultuur als minderwaardig wordt voorgesteld. De eigen groep wordt daar dan als superieur tegenover geplaatst en beschreven als slachtoffer van die autochtone cultuur. Het via fraude en andere misdaad benadelen van die hoofdcultuur kan dan als positief gaan gelden. Dit mechanisme werkt al vele decennia in de woonwagensubcultuur. Verpakt in veelkleurige ideologieën is het ook in de Turkse, Marokkaanse en Surinaamse subculturen krachtig aanwezig.

Ik spiegel mij graag aan Jaques de Kadt. Hij was een scherpzinnig man en iemand met morele moed. Hij durfde harde waarheden onder ogen te zien en ze daarna ook publiekelijk te verkondigen. Jaques de Kadt heeft, in de jaren dat Hitler in Duitsland zijn macht verwierf, een boek geschreven dat pas na 1945 werd gepubliceerd, onder de titel 'Het Fascisme en de Nieuwe Vrijheid'. Dat boek was het lievelingsboek van Joop den Uyl. De voornaamste stelling in dat boek luidt dat de maatschappij een onderbuik heeft, dat het verstandig is goed te luisteren als het daar rommelt en dan op tijd medicatie toe te dienen op basis van accurate diagnose. De Kadt stelt dat het fascisme de geperverteerde vorm was van een oorspronkelijk gezonde en positieve reactie op maatschappelijke ziekte, dus eigenlijk dat het fascisme voortkwam uit liefde. Het in de kiem positieve van het fascisme, echter, raakte volgens De Kadt al snel geperverteerd, mede doordat de elite zich hoogneuzig afwendde van het plebs, dan wel zich encanailleerde met precies de verkeerde tendenzen in de volksbeweging.

De analyse van De Kadt leert dat een zekere hardheid nodig is om een ontsporende maatschappij in de rails te houden, want het kwaad is ook hard. In Trouw citeerde Bas den Hond een paar jaar geleden een Amerikaanse politieman inzake het gegeven dat in Amerika elke drie ... vier dagen een wetshandhaver in het harnas sterft: “De FBI-studie heeft ook beschrijvingen verzameld van agenten die omkwamen. Vriendelijke mensen waren dat, volgens de overlevende collega's, misschien net iets meer dan een ander bereid het goede in de mens te zien ....” Men ziet hoe hier heel natuurlijk een conformerende selectie plaatsvindt: ietsje meer Uebermenschen-bloed en u overleeft.

Van Ernst Nolte's klassieke pil 'Der Faschismus in seiner Epoche' - hoofdstelling: die nazi-honden komen nooit meer in dezelfde gedaante terug - is me één ding vooral bijgebleven, namelijk Nolte's observatie dat in de Duitse steden van de jaren dertig de knokploegen van de nazi's zoveel sneller en meedogenlozer toesloegen dan die van de sociaal-democraten en zelfs van de communisten. Fatsoen en intelligentie zijn inderdaad per definitie in het nadeel tegenover gewetenloze ploertigheid, want hoe manifest het kwaad ook is, een redelijk wezen met een geweten verliest zich maar al te gauw in genuanceerde overwegingen, zelfs over het fascisme. Voor die handicap moet iemand eens een compensatie bedenken. Anders winnen wij, de goeien, de strijd nooit.

Cultuur is iets dat nauw luistert. Jonge kinderen, voorzover nog niet verpest door hun ouders, hebben van nature geen enkele neiging tot racisme, maar de groepsvorming, volgens kleine verschillen in de kenmerken van kleding en gedrag, komt al vroeg op gang. Alleen al dit gegeven zou beleidsmakers voorzichtig moeten maken ten aanzien van de mogelijkheid grote aantallen mensen van vreemde culturen te integreren in sociale weefsels die delicaat zijn - en dan ook grotendeels al aan flarden zijn gegaan.

Toen Van Kooten en De Bie een jaar geleden stopten als duo, werd gesuggereerd dat de twee wellicht het contact met hun publiek hadden verloren wegens verregaande politieke correctheid. Dat zou kunnen kloppen. Neem bijvoorbeeld die act waarin ze, gehuld in witte dokterjassen, Nederlandse cultuur liepen te onderwijzen in een schoolklasje van allochtonen van het type ooit neergezet door Van Kooten zelf: slimme gastarbeidertjes vol vriendelijkheid en deemoed. De door de twee cultuurdokters gedoceerde Nederlandse cultuur bleek voornamelijk te bestaan uit het beheersen van het lied 'Boer daar ligt een kip in het water'. Later hebben ze nog eens een nummer gehad waarin een Nette Nederlandse Man met een Frans klinkende naam plotseling zijn villa werd uitgezet door de asielzoekerspolitie. Die politie was helemaal tot aan de Hugenoten teruggegaan om on-Nederlandse elementen te traceren en uit te zetten. Wat beide komieken in hun parodie vergaten, was dat de Hugenoten indertijd tot een geestelijke voorhoede in Europa behoorden en dat de vergelijking met, bijvoorbeeld, jonge werkloze mannen van de Antillen, Berbermeisjes uit Marokko of boeren uit Turks Anatolië niet opgaat. Het Koot-en-Bie-cultuurparadigma lijkt op dit punt inderdaad toe aan vervanging.

Op het gymnasium kreeg ik ooit de vele nuances in betekenis van het werkwoord colere, waarvan 'cultuur' is afgeleid, samengevat in drie kernen: 1. bewonen, 2. bebouwen 3. vereren. Deze onovertroffen definitie van cultuur omvat in zijn beknoptheid demografie, materiële cultuur, plus moraal en religie. Ik beperk mij tot de derde betekenis, de betekenis dus waarvan Odysseus rept als hij aanspoelt op het strand van dat eiland waar koningsdochter Nausikaü hem zal vinden. Odysseus vraagt zich dan bevreesd af waar hij is aangeland en of de mensen die daar wonen wel in dezelfde dingen geloven als hij. Men ziet hier hoe oud het inzicht is dat in Nederland de laatste jaren vernieuwd werd, namelijk dat cultuur te maken heeft met iets dat uitstijgt boven boer-kip-niveau, met moraal namelijk, en dat culturen zeer kunnen verschillen in hun opvatting daarover.

Het meest fundamentele over moraal is door de onvermijdelijke Nietzsche gezegd en valt samen te vatten in de gedachte dat moraal zich beweegt tussen het vermogen zichzelf pijn te doen en het vermogen een ander pijn te doen. Anders gezegd: tussen zelfverloochenend christendom en zelfhandhavende Uebermenschlichkeit. Als redelijk mens - in principe voor het leven en tegen voortijdige dood, tegen oorlog en voor vrede, tegen haat en voor liefde, tegen wreedheid en voor empathie - ben ik geneigd het midden tussen die twee polen te kiezen.

Het positieve van de bevrijdingsbeweging die begon in de jaren zestig, was dat een nieuwe inhoud werd gegeven aan twee begrippen: vrijheid en solidariteit. Willekeur van autoriteiten was niet meer vanzelfsprekend. De Tolerante Maatschappij zoals wij die nu in enigszins geperverteerde vorm kennen, is oorspronkelijk bevochten op de geest van de jaren dertig door ons baby-boomers, de generatie die nu als de grijze muizen uit carrièreland worden verketterd. Ik wil geen té grote woorden gebruiken, maar die Nieuwe Vrijheid en die Nieuwe Solidariteit lijken mij Essentiële Waarden in onze Open en Democratische Samenleving.

Natuurlijk waren en zijn er uitwassen. Sommige daarvan hebben te maken met onze gedooghouding tegenover aspecten van allochtone culturen in Nederland. Zoals een weerbare demokratie soms aan krachten, die de vernietiging wensen van de demokratie, een paar demokratische rechten moet ontzeggen, zo moet een tolerante cultuur onverdraagzaam zijn tegenover intolerantie. Wie echter kritiek heeft op aspecten van allochtone cultuur in Nederland, kan er verzekerd van zijn dat de discussie verder uitsluitend nog zal gaan over de vraag of de criticus een racist is. Het is de folklore van half-intellectuelen, van onvolwassenen, van 'klompendansen tegen racisme' zoals Jan Mulder het treffend omschreef. Nadenkend over de vraag wat de achtergrond is van die opgeblazen verontwaardiging over dat vermeende racisme, kom ik - afgezien van de oprechte angst voor geesten die uit de fles en ideeën die op de hond kunnen komen - tot vier elementen. Er zit, om te beginnen, bij sommigen een element van dwarsheid, van non-conformisme-tot-elke-prijs in dat 'anti-racisme'. Als jij een bezwaar formuleert tegen aspecten van allochtone culturen, blijven zij jou aankijken zonder met de ogen te knipperen, alsof ze alert standhouden tegen een groot gevaar waarvan jij een exponent bent.

Ten derde is 'anti-racisme', net als 'God', voor velen een middel zich beter te voelen dan een ander. Het is zelfverheffing. Als de nieuwe burgemeester van Tilburg gefotografeerd wordt in zijn nieuwe dienstauto en ik zie dat de chauffeuze een hoofdoek draagt, vrees ik dat het een bewuste keuze is en dat deze man, behalve als succesvol, ook nog graag als ruimdenkend te boek staat.

Ten vierde. De andere kant van het verlangen tot het dragen van de witte morele hoed, is de angst om als racist gebrandmerkt te worden. Het was meen ik in de lente van 1997, dat naar aanleiding van afpersing op scholen door Marokkanen, op de tv een man werd ondervraagd die het landelijk overzicht had over de wandaden van Marokkaanse jongens. Drie, vier keer moest de interviewer hem de vraag stellen of we niet inderdaad moesten spreken van een Marrokaans probleem. En ja, aarzelend, via allerlei tussenformuleringen, kwam hij daar tenslotte toch uit. Het was een zware bevalling en tekenend voor de angst van functionarissen om hun mond open te doen.

Mijn Surinaamse buurvrouw van vijftig plus, zo'n fatsoenlijke en vriendelijke vrouw met een hoedje, die ik 's zondagsmorgens veel in Amsterdam-Oost op tramhaltes zie staan, want dan gaan ze naar de kerk, zei me laatst: “Jullie zijn je tradities kwijt.” En met 'jullie' bedoelde ze ook zichzelf, want ze is al dertig jaar in Nederland. Ze zei het aan het slot van een gesprek waarin wij het hadden over haar psychische en lichamelijke toestand. Die is niet goed meer, sinds ze twee jaar geleden door drie jonge Marokkaanse mannen in haar eigen portiek grondig in elkaar geslagen is. Ik ben trouwens blij dat haar zoon weer weg is uit haar huis. Hij had een vulgaire BMW en was dan ook drugsdealer. 's Nachts hield hij soms schreeuwdialogen vanaf zijn balkon met kopers beneden op straat. Wel eens 's nachts wakker gehouden door hard pratende Surinaamse Creolen? Daar ben je de volgende dag nog lang racist van.

Een paar jaar geleden had ik een briefwisseling met een Nederlandse journalist. Hij had in Het Parool een column geschreven waarin mooie gevoelens voorkwamen over het moslimgeloof in Nederland en waarin hij Betsy Udink hekelde vanwege haar boek over Saoedi-Arabië, het land waar de massamoordenaar Idi Amin (ex-Oeganda) luxe-asiel heeft gekregen. Udink doet in 'Achter Mekka' (1990) verslag van wat zij heeft begrepen van dat islamitisch koninkrijk in de drie jaar dat zij er gewoond heeft als diplomatenvrouw.

Wat Udink schreef was nog heel gematigd, vergeleken met wat bijvoorbeeld Terre des Hommes over Saoedi-Arabië meldt. En wat zo'n organisatie weet, is natuurlijk weer een fractie van de gruwelen die zich in werkelijkheid achter het voorhang van zo'n despotie afspelen.

VERVOLG OP PAGINA 18 VERVOLG VAN PAGINA 17

En steeds weer slaagt zo'n regime erin halvegaren voor zijn karretje van de desinformatie te spannen en de indruk te verspreiden dat het best meevalt. Die Parool-journalist, echter, heeft wel iets van een intellectueel. Dus was ik verwonderd over zijn naïviteit.

De verklaring bleek te liggen in zijn angst voor een racist gehouden te worden. Hij schreef mij dat hij, net als Gerrit Komrij, verdacht was geweest de auteur te zijn van het anti-moslim-boek dat later geproduceerd bleek door een Pakistaanse kermisklant die zich Rasoel noemde. In dat boek beweert deze Rasoel dat er een samenzwering van moslims bestaat om de Nederlandse natie te ondermijnen om vervolgens hier de macht over te nemen. Onzin natuurlijk. Hoewel: Pakistan is een land van terroristische huichelreligie (wat heb je soms lelijke woorden nodig om in de buurt van de lelijkheid van de werkelijkheid te komen), van geweld en corruptie, een land waar de acteur die in zo'n vulgaire film uit India de schurk Salman Rushdie speelt, door een fundamentalistische menigte gelyncht dreigt te worden. Maar toch is de opluchting van deze Nederlandse journalist voorstelbaar, toen bewezen was dat hij niks te maken had met dat paranoïde anti-islamisme van die rare Rasoel.

Van de bijzondere rites en gebruiken onder bepaalde minderheidsgroepen hebben de fatsoenlijke vertegenwoordigers nog het meeste last. Zij worden erop aangekeken. Zij zijn ook degenen die vrijelijk mogen zeggen wat een Hollander tot racist maakt. Iwan Brave, een in Nederland gevormde journalist van Surinaamse bloede, beschrijft wekelijks in de Volkskrant zijn belevenissen in Suriname, alwaar hij sinds een paar jaar weer woonachtig is. Hij schetste zeer onlangs een staaltje van Bouterse-terreur in de straten van Paramaribo: een politie-agent die van louter willekeur het gelaat van een zwerver bloedend beukt. Brave zit op een terras als hij het ziet, en hoort in zijn omgeving zeggen: 'Typisch Suriname'. Zo hoorde ik ook een Surinaamse jeugdleidster op de tv uitleggen dat Surinaamse gezinnen vaak vaderloos zijn en dat zulks een oorzaak zou kunnen zijn van het tomeloze gebrek aan fatsoen dat de jeugd uit die gezinnen vaak kenmerkt. Ze haalde er niet eens het koloniale verleden bij om het te verontschuldigen. En in Het Parool werd de goedwillende Turkse voorzitter geciteerd van een Amsterdams-Turkse voetbalclub die nogal veel negatief in het nieuws is geweest: “Een Turk en agressie, dat hoort bij elkaar”, zegt de man. Ik wist dat al jaren, uit ervaring en uit gesprekken met Koerden en Turken, maar ik mag het eigenlijk niet zeggen. Zelfs tijdens een discussie in de Balie was het vorig jaar nog voorbehouden aan native speakers om te melden dat de Turkse cultuur in de hoofdstroom gewelddadig is.

Het beleid in Nederland, zegt Van Boxtel, is de feitelijke acceptatie van de immigratie. In de praktijk vertaalt dat zich onder andere in de politiek van de gezinshereniging, een eufemisme dat suggereert dat door het noodlot lange tijd van elkaar gescheiden gezinsleden elkaar weer in de armen mogen sluiten in het gastvrije Nederland. In werkelijkheid gaat het om hier wonende allochtonen die per se een partner wensen te zoeken in het moederland, bijvoorbeeld Turkije of Marokko. Vaak gaat het daarbij niet alleen om uithuwelijking, op zich een praktijk die wat mij betreft justitieel vervolgd mag worden, maar bovendien om daaraan gekoppelde financiële transacties. Zo wordt de prijs van een Berbermeisje dat uitgehuwelijkt wordt aan een in Nederland wonende Marokkaan, beïnvloed zowel door de westerse 'rijkdom' van zo'n man als door het feit dat het meisje niet alleen een man krijgt, maar ook een visum voor Nederland. Gezinshereniging is dus in veel gevallen een mooi woord voor mensenhandel. Er is nog een reden op te houden met dat soort mooipraterij: het gebruik van eufemismen is een kenmerk van gruwelregimes.

Nu is er door de Nederlandse wetgever een beperking ingebouwd in die partnerkeuze. Een hier wonende allochtoon, die per se een partner uit het moederland wil halen, moet werk hebben en een bepaald inkomen om daarvoor toestemming te krijgen. Dat zou echter slechts in schijn beperkend moeten wezen, want het officiële beleid in Nederland is dat allochtonen bij voorrang aan werk geholpen moeten worden. Niemand is blijkbaar bang dat het theoretische voorrangsbeleid inderdaad slaagt, want dan hebben we het perpetuum mobile uitgevonden met als motor de perfecte synergie die dan tussen arbeid en instroom zal ontstaan.

Trouw schrijft: “Van Boxtel kan zich voorstellen dat zijn zakelijke benadering, waarin hij ook de voordelen van de immigratie onderkent, slecht kan vallen bij laag opgeleide autochtonen in oude wijken die in de 'buitenlanders' concurrenten om werk en huisvesting zien.”

De volgende dag (2 december jl.) probeerde Trouw in het hoofdredactioneel commentaar de richting aan te wijzen waarin die voordelen van voortgaande immigratie gezocht moeten worden: “de verrijking van onze cultuur, de bijdrage aan de arbeidsmarkt en de versterking van het draagvlak onder de verzorgingsstaat. Bij voortgaande vergrijzing zou van dat draagvlak weinig overblijven zonder een immigratie-overschot.”

Waar precies zou de commentator die culturele verrijking waarnemen? En nu graag de couscous er even buiten laten, net als dat spiegeltjes-en-kraaltjes-argument dat het allemaal zo kleurrijk is geworden. De Marokkaanse meisjes aan de kassa bij Albert Heijn? Akkoord. Maar verder? Op het gebied van milieubewustzijn wellicht? Of op godsdienstig terrein misschien? Want daar leert de reëel bestaande islam ons iets dat wij, vooral door de verderfelijke protestantse invloed, allang weer vergeten waren, namelijk dat er autoriteiten bestaan, molla's, ayatolla's en andere oelewappa's, die precies weten wat God gezegd heeft en wat God bedoelt.

Van die bijdrage aan de arbeidsmarkt geloof ik weinig. Voor zover ik weet is de werkloosheid onder allochtonen nog steeds buiten proportie. Dat zal, dunkt mij, zo blijven, want er is een voortgaande uitstoot van grote aantallen plaatsen met eenvoudige arbeid, die door geringere aantallen plaatsen met complexe arbeid worden vervangen. Ik heb nog geen bericht gekregen dat de gemiddelde opleidingsgraad van allochtonen zodanig aan het stijgen is dat ze daarin inpasbaar worden. Sterker nog: dermate grote aantallen allochtone kinderen beginnen in het kleuteronderwijs nog steeds met een grote taalachterstand, dat Van Boxtel, zo gaf hij toe, slechts geld heeft om dit probleem marginaal te bestrijden. Hoe ik dan moet geloven dat de 'versterking van het draagvlak onder de verzorgingsstaat' door immigratie wordt versterkt, is mij een raadsel. Of zijn er plannen grote aantallen Marokkaanse en Antilliaanse jongens op te leiden tot bejaardenverzorger en ziekenbroeder? In de groente- en fruitteelt willen zij in elk geval niet werken, want daar zetten we illegalen in. En de bewering dat allochtonen geen concurrenten zouden zijn van autochtonen bij werk en huisvesting, is een belediging van het gezonde verstand. In de lagere regionen van de arbeidsmarkt en in de sfeer van het kleine ondernemerschap is die concurrentie evident en groot. Van Boxtel echter vindt het zelfs 'moreel onjuist' dat laag opgeleide autochtonen zulks geloven en bewijst weer eens dat taal-inflatie vooral door de politiek veroorzaakt wordt. Van Boxtel: “Moreel onjuist, maar voorstelbaar. Zij worden dagelijks geconfronteerd met een andere cultuur, met rites en gebruiken die ze niet begrijpen en soms als bedreigend ervaren. Nogmaals, ik vind hun houding moreel verwerpelijk ...”

'Rites en gebruiken', wat zou Van Boxtel daarmee bedoelen? De vrouwenonderdrukking? En moet ik die gaan begrijpen? Het kenmerkende van de grootste minderheidscultuur in Nederland, zou ik zeggen, is nu juist dat daarin de rites en gebruiken erg binnenshuis gehouden worden. Die mensen zien ons Hollanders vaak niet eens staan en als het vrouwen zijn, mógen ze het niet eens. Of zou ik bij 'rites' moeten denken aan die Surinamers die met bonkende geluidsinstallaties in dure auto's door de stad rijden? Begrijpen deed ik door dat verschijnsel, al jaren voordat de recente rapporten uitkwamen, dat er zeer veel misdaad school in onze Suriname-connectie, want de types in die auto's hadden hun geld duidelijk niet verdiend in het hoger management.

Neen, niet de lager opgeleiden in de oude wijken moeten iets begrijpen, maar de hoogopgeleide mijnheer Van Boxtel. Namelijk dit: wanneer allochtonen volgens justitiële cijfers vijfmaal zo vaak in Nederlandse gevangenissen vertoeven als op grond van hun aandeel in de bevolking normaal zou zijn en je hebt in een wijk tachtig procent allochtonen, dan is de kans erg groot dat je daar regelmatig personen tegenkomt die je ervan zou kunnen verdenken aanhangers te zijn van criminele rites en gebruiken.

De al genoemde Trouw-commentator meent dat door de nota Van Boxtel ('Kansen krijgen, kansen pakken') het debat kan worden gehaald 'uit de sfeer van xenofobie en groezelig chauvinisme'. Mijn idee. En voeg er vooral ook de sfeer van de homo-haat aan toe. Maar ik vraag me wel af in welke kringen de commentator dat ongezonde etnocentrisme waarneemt. Ik zie het onder Surinamers, wat niet vreemd is, want het hele Zuid-Amerikaanse continent is krachtig rasbewust. Hoe het nationale bewustzijn onder Turken ontwikkeld is, wist elke laagopgeleide bewoner van een oude stadswijk in Nederland al jaren en nu, na een aantal publicaties uit onverdachte bron, weten de meeste opiniemakers het ook. Antisemitisme is natuurlijk een zeer beladen woord, maar zowel onder Turken als onder Arabieren in West-Europa is een anti-Joods sentiment krachtig aanwezig. Dat komt van al die schotelantennes, waar trouwens ook de pro-Saddam-Hoessein-gevoelens gevoed worden. Waarachtig, Trouw-commentator, mijnheer Van Boxtel, vergis u niet in het volk, maar vooral niet in de volken.

Op donderdag 3 december 1998 liepen we door de Leidsestraat in Amsterdam, al thans ik liep, want sinds mijn driejarige dochter de zitplaats op mijn nek heeft ontdekt, wandelt ze zelf nog weinig. Ze had haar rode hoedje op en neuriede. Het was een middag met lekker prikkelende winterlucht en ouderwetse sinterklaassfeer met al die winkelende mensen. Ik voelde mij Hollander. In een zijstraat kocht ik patat voor mijn kind in een tent met het opschrift 'Vlaamse friet', waar een allochtoon achter de toonbank bleek te staan. Zelfs mijn Amsterdams-straatwijze oog kon niet meteen schatten waar ter wereld hij vandaan kwam, maar we begrepen elkaar zonder woorden. Gezond instinct, zeg ik altijd maar, herkent eigen volk meteen. De patat voor Isabelle was gratis. Verder lopend bedacht ik dat dit land, Nederland, een land vol onrechtvaardigheden en gektes is, maar niettemin het beste land ter wereld. Ik wil dat dat zo blijft, want mijn kind moet erin opgroeien. Wanneer ik ooit letterlijk in het geweer zou moeten komen om in dit land te handhaven waaraan ik trouw wil blijven, is het al te laat. Ik ben niet van het lieveheersbeestje, maar oorlog is de ultieme nederlaag.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.

Deel dit artikel

Advertentie

Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang tot Trouw.nl.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.