Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een Duitse moeder hebben is iets bijzonders

Home

Frank Dam

Frank Dam en zijn moeder Hilde, Hoek van Holland 1955. © cc

Ze waren mooi, verzorgd, ’n tikje streng en bakten Kuchen, maar hadden ook te stellen met vijandigheid. Een Duitse moeder hebben is iets bijzonders, vindt journalist en illustrator Frank Dam. Hij vertelt over zijn eigen moeder en sprak met andere kinderen van Duitse moeders.

Mijn moeder, Hilde Kozlowski, kwam uit Berlijn. In 1947 verhuisde ze met haar dochtertje naar Hoek van Holland. Ze had in Berlijn mijn Nederlandse vader ontmoet, die als tolk werkte in het Britse leger om naar eigen zeggen ‘die moffen een lesje te leren’. Hij kwam een paar jaar later terug naar Nederland met mijn moeder als ‘oorlogsbuit’ naar Hoek van Holland.

Lees verder na de advertentie

Het enige wat zij op school over Nederland had geleerd, was dat men er kaas at, op houten schoenen liep en tulpen verbouwde. Duitsers waren in die jaren onder de meeste Nederlanders zacht gezegd niet populair. Mijn moeder werd in ons dorp min of meer geaccepteerd, maar ik heb nooit gemerkt dat ze leed onder haar gedoogstatus.

Ze was niet alleen mooi, maar ook vriendelijk en gastvrij. Ze kon lekker koken en bakte iedere zaterdag een grote taart -wel eens twee. Flaumenkuchen, Käsetorte en Streuselkuchen, maar vooral haar Apfeltorte was onovertroffen. Mede daardoor had ik altijd veel vriendjes, die het helemaal niet erg vonden dat mijn moeder een beetje vreemd sprak (Ze kon bijvoorbeeld geen ‘ui’ zeggen, dat klonk als ‘oi’) zolang ze maar iedere week appeltaart bakte. De buren kwamen regelmatig bij ons op visite. Er was vaak zoveel taart dat ze nog een stuk mee naar huis kregen. Dat was mijn moeders kleine, persoonlijke, en onbewuste aandeel aan de Wiedergutmachung.

Het woord ‘mof’ vond ik altijd naar klinken. Daar werd niet mijn moeder mee bedoeld, maar de Duitsers in het algemeen. Aan het eind van de jaren vijftig kwamen de eerste Duitse toeristen weer naar Nederland. In onze straat zag je veel bordjes met: ‘Zimmer Frei’. Ze brachten ook hun kinderen mee; jongens in korte Lederhosen met vreemde namen als Ulli, Wolfgang, Reinhardt.

Aardige kinderen, ook. Wanneer ze zich voorstelden gaven ze een hand en maakten een lichte buiging. Dat was ik niet gewend. Hier stak je gewoon je hand op en zei: ‘Hoi’. Toch was het vreemd voor mij om dorpsgenoten te horen te zeggen: ‘Daar komen de moffen weer.’ Waar ik bij stond.

Vijandelijke omgeving

Mijn moeder was een trotse, strenge en hartelijke vrouw. In mijn ontmoetingen met andere kinderen van Duitse moeders merkte ik opvallende overeenkomsten. Allereerst de taal, die in onze jeugd en ook later, andere ruimtes schiep. De rituelen rond Kerst, de kinderliedjes, de klassieke gedichten. Duitse moeders bleken in staat bij elke gelegenheid een gedicht of uitdrukking op te zeggen.

Ik vatte het plan op een aantal van deze kinderen te ‘verzamelen’ en sprak met onder anderen Cherry Duyns, Hans Sleutelaar, Boudewijn Paans, Xaviera Hollander, Laura Starink, Liselore Gerritsen, Hans Maarten van den Brink en Barbara Mounier. Bij de meeste geïnterviewden speelde de oorlog in hun jeugd maar ook later nog een grote rol. Duitsland lag in puin, dat maakte een vertrek naar een nieuw bestaan begrijpelijk. Toch was voor hun moeders een verhuizing naar een onbekende en - naar uiteindelijk bleek - vaak vijandige omgeving een grote stap.

Confrontatie

Wij, hun Nederlandse kinderen werden op school regelmatig geconfronteerd met verhalen over wreedheden van Duitsers, ‘de moffen’, wat weer leidde tot schuldgevoelens, schaamte en ongemak. Veel huwelijken strandden. Het huwelijk tussen mijn ouders hield stand, maar goed was het niet.

Als de oorlog ter sprake kwam veranderde mijn moeders stem. Haar familiealbumpje koesterde ze met foto’s van soldaten, haar neven, broers en ooms van wie de meeste, inclusief haar eerste echtgenoot ‘gevallen’ waren. Dood. Als kind vroeg ik mij dan altijd af: kun je zo hard vallen dat je er aan dood gaat?

Mutti und ich

'Dag mijn zondagsjongen'

Cherry Duyns en zijn moeder Hildegard, Wuppertal 1956. © RV

“Op de slingerklok aan de wand bij mijn Duitse grootouders stond een afbeelding en tekst uit de opera ‘Lohengrin’:

‘Nie sollst du mich befragen,
noch Wissens Sorge tragen,
woher ich kam der Fahrt,
noch wie mein Nam’ und Art’.

Wat je in het kort kunt vertalen als: vraag me nooit naar mijn naam en afkomst. Dat gedicht sprak me erg aan omdat ik altijd vermeed te zeggen dat ik een Duitse moeder had. Daar kon je beter niet voor uitkomen.

Mysterieshow

Mijn moeder kwam uit Wuppertal. Ze heeft mijn vader tijdens de oorlog ontmoet toen hij voor de Arbeitseinsatz in Duitsland moest werken. Hij was 19, zij 21, kinderen nog. Hij werkte in een fabriek waar hij bommen moest maken. Van beroep was hij goochelaar en jongleur, dus die stond daar spoedig te jongleren met allerlei gereedschap. ‘Wat moet dat?’ zei de opzichter. ‘Ik ben varieté-artiest’, antwoordde mijn vader. ‘Dan mag je hier varieté gaan doen.’ En zo gebeurde het. In een gelegenheid waar hij een keer optrad, zat mijn moeder in het publiek, en zo hebben ze elkaar ontmoet.

Zij had een natuurlijk talent en binnen de kortste keren kon ze haast net zo goed goochelen als hij. Ze was een mooie vrouw om te zien en daarbij waanzinnig muzikaal, en zo werden zij het varieté-echtpaar ‘Montagne en Yvonne’. Ze hadden koffers waarop stond ‘Paris, London, Prag’, allemaal steden waar ze nooit geweest waren!

Weer een buitenlander

Ik ben in 1944 in Wuppertal geboren. Mijn moeder was na de bevalling in het ziekenhuis met bed en kind op de gang gezet. Een Duitse vrouw mocht niet zwanger worden van een buitenlander. In 1945 zijn mijn ouders naar Nederland gekomen. Ze traden op als illusionisten met een goochelnummer in hun eigen ‘mysterieshow’.

De omstandigheid dat hij in Duitsland had gewerkt en vervolgens met een Duitse vrouw terugkwam, zorgde ervoor dat hun huwelijk niet goed ging. In de zomer van 1951 nam mijn moeder mij mee naar Duitsland. Vanuit zomers Haarlem kwamen we ’s avonds aan in Wuppertal. Er was nauwelijks straatverlichting, overal ruïnes. We zijn in het donker naar het huis van haar ouders gelopen en daar heb ik anderhalf jaar met mijn moeder gewoond. Van een kennis leerde ik wat Duits en na een half jaar werd ik naar de Volksschule gebracht.

Ook daar was ik weer de buitenlander; ditmaal een kaaskop. Als we soldaatje speelden in de Trümmern - geen indiaantje of cowboytje maar de Duitse troepen tegen de geallieerden - en ik moest altijd Tommy zijn, de Engelsman die dan altijd verloor, haha. ‘Hau ab Mensch! ‘Du bist Tommy.’ Dat was niet jofel.

Nooit meer naar huis

In 1953, ik was 9 jaar, nam mijn vader mij mee voor de kerstvakantie. Mijn speelgoed lag nog in Duitsland. We woonden bij mijn oma, mijn vader lag op bed te roken en ik vroeg: wanneer ga ik weer naar huis? En hij zei: ‘Nooit meer’. Toen was ik ineens weer een Duitser in Nederland. Ik sprak nauwelijks nog Nederlands. Ik zei geen ‘au’ maar ‘auwa’ en ‘walm’ werd ‘Qualm’.

Mijn vader hoopte dat mijn moeder wel mee zou komen, maar voor haar was er te veel gebeurd. Dus zij zat ineens zonder kind in Duitsland en moest op een fabriek werken. Later vertelde ze me dat ze heel verdrietig was dat ik niet bij haar was; het werd haar zelfs kwalijk genomen.

Lange tijd wilde ik niks met Duitsland te maken hebben. Wanneer gevraagd werd waar ik geboren was, zei ik: ‘Haarlem’. Pas jaren later mocht ik in de grote vakantie naar mijn moeder. Zij deed haar best het me naar de zin te maken maar ze was inmiddels met een andere man en dat had toch iets ongemakkelijks. Over de oorlog praatte ze niet graag. Dan kreeg ze een wat afwezige blik in haar ogen; ze vond dat confronterend en onaangenaam. Alles wat op televisie over de oorlog of over geweld werd getoond, zette ze onmiddellijk af.

Curieus

Wat ik aan mijn moeder en mijn achtergrond heb overgehouden, is een grote belangstelling voor de Duitse cultuur: muziek, literatuur, schilderkunst, het is allemaal op de een of andere manier zo vertrouwd. En de taal zo vanzelfsprekend. Als ik over de grens kom, spreek ik ineens vloeiend Duits.

Ik denk dat mijn moeder best trots op mij was. Ze zag op afstand hoe ik mij ontwikkelde. Toen mijn roman ‘De Zondagsjongen’ uitkwam vond ze die pijnlijk om te lezen. Later eindigde elk afscheid met ‘Dag, mijn zondagsjongen.’

Toen ik aan het einde van haar leven haar kamertje in het verzorgingshuis in Wuppertal binnenkwam en naar haar keek, dacht ik: dit is een stervende vrouw. Er gebeurde iets heel curieus. Ze had haar ogen dicht, ik stond over haar bed geleund en ineens deed ze haar ogen open en zei: ‘Wie bent u?’ - in het Nederlands. Ik was stomverbaasd en ik zei: ’Cherry’. ‘Ach, Cherry … dag, mijn zondagsjongen.’

'Ze had iets zwierigs, iets elegants'

Hans Sleutelaar en zijn moeder Emmie, 1943.
© RV

“De foto met mijn moeder is onderweg in de trein genomen tijdens de oorlogsjaren. Ik werd door haar bij een boerenfamilie ondergebracht in de buurt van Culemborg. Ze was zo’n typisch jonge Duitse vrouw, ze had iets zwierigs, iets elegants. Mijn moeder kwam uit een boerenfamilie die van de paardenhandel leefde. Op de spaarzame foto’s uit die tijd staat mijn moeder als een vrolijk jong meisje, omringd door vriendinnen.

Mijn vader was musicus. Hij had begin jaren dertig in Berlijn zijn studie dwarsfluit voltooid maar er was geen werk voor een jonge, klassiek geschoolde muzikant. Toen kwam eind jaren twintig vanuit Amerika de jazz aanwaaien, hij nam les bij een zwarte jazzmusicus, Coleman Hawkins. Hij kreeg meer werk en ontmoette tijdens een tournee in Hamburg mijn moeder, die op het station een kiosk beheerde.

'Ze spreekt natuurlijk de taal!'

In 1933 was de Machtsübernahme. Mijn vader had wel in de gaten dat het in Duitsland fout ging met al die hakenkruisvlaggen. Naar Nederland verhuizen was achteraf gezien voor haar een grote stap: een vreemd land, een vreemde taal, en een ongewisse tijd. Het was crisis, dus weinig of geen werk voor muzikanten. In Rotterdam ging ze in de horeca werken. Ze was gründlich, betrouwbaar, dus dat ging goed. Van mijn vaders broers leerde ze Nederlands. Haar Duitse accent viel eigenlijk wel mee.

Ik ben in 1935 in Rotterdam geboren. Op het moment van de Duitse inval werkte ze als buffetjuffrouw in het Grand Hotel in Scheveningen. Mijn vader wilde zich als musicus niet bij de ‘Kultuurkamer’ aansluiten en om wat bij te verdienen verhuurden zij af en toe een kamer. Op een zeker moment is zij gaan werken voor de Duitsers. Als kind begreep ik dat wel: ‘Ze spreekt natuurlijk de taal!’

Wel bevriend

Het huwelijk strandde. Mijn ouders zijn in 1943 gescheiden, ze bleven wel bevriend en mijn vader bleef in het huis wonen. In Culemborg werkte zij in een Duitse officiersmess, waar ze de Duitse officier Heinrich Schmiesing leerde kennen. Tegen mij was hij altijd erg aardig, hij beloofde me zelfs een Märklintrein. De moeder van een vriendje vond het maar een vreemde toestand: ‘Daar komen moeilijkheden van Hansje, dat je moeder het zo goed met de bezetter kan vinden, dat weet de hele buurt’.

In de zomer van 1944 zijn mijn moeder en ik naar Duitsland gereisd en tijdens de hongerwinter logeerden we bij mijn moeders familie op het platteland. Tot het einde van de oorlog zijn we daar gebleven . Toen moesten we repatriëren naar Nederland, waar we formeel thuis hoorden. In Rotterdam werd ik bij mijn grootmoeder ondergebracht.

Deutschfreundlich

De buren hadden de relatie met die Duitse officier met lede ogen aangezien en gaven haar na de bevrijding aan als ‘deutschfreundlich’. Ze werd vrij snel opgepakt voor collaboratie, een half jaar zat ze in een vrouwenkamp bij Gouda. Ik heb haar daar ook opgezocht. Ze had een schoon geweten en was erg pragmatisch. ‘Ik ben te oud om te huilen’, zei ze. De officier, ‘Herr Schmiesing’ was weer terug naar Duitsland en dat betekende het einde van de relatie met mijn moeder.

Na de oorlog was er grote woningnood in Rotterdam, mijn moeder begon een pension. Dat was haar sterke, zeg maar ‘Duitse’ kant: ze was erg schoon en haar gasten kregen goed te bikken. ‘Meine Herren’ zei ze dan in haar koeterwaals: ‘zoepstantiële kost.’

Duitse gevoel

Mijn moeder had ‘Pruisische’ opvoedingsmethodes maar kon ook verrassend soepel zijn. Ik was een notoire spijbelaar en als ik niet naar school wilde, schreef ze een briefje. Een keer kwam ik thuis van school en rook een gaslucht: ze had de gaskraan opengedraaid en een van de pensiongasten had haar op tijd gevonden. Die zelfmoordpoging heeft ze nooit uitgesproken en is altijd een raadsel gebleven.

Haar laatste jaren woonde ze in Rotterdam-Alexanderpolder. Op een avond ging de telefoon: ‘Hans! Ik ga dood!’ Ze had te horen gekregen dat ze ongeneeslijk ziek was. Een dag lag ze in het ziekenhuis en overleed kort daarna. Ze was 68 jaar.

Duitse vrouwen hebben iets sterks, iets Oost-Europees. Wat ik van mijn moeder heb meegekregen is een zekere flinkheid, altijd flink blijven. En iets grootsteeds. Toch heb ik niet zo dat ‘Duitse gevoel’. Ik kreeg laatst nog een mailtje van een Duitse neef, maar dat heb ik laten gaan.”

In de aanloop naar Moederdag organiseert het Genootschap Nederland-Duitsland op 10 mei een avond rond het thema Duitse moeders. Kijk op de website van het Goethe Instituut Amsterdam voor meer informatie.

Deel dit artikel