Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een bijzondere vondst en een 18de-eeuwse Stuif-es-in voor zingende Leidse weesjes

Home

HARO HIELKEMA

Alsof ze op Schateiland zaten en de vondst van hun leven in handen kregen - zo voelden Sander den Haan en Peter Kann zich, toen ze uit het Gemeentearchief van Leiden een stoffig bundeltje muziekpapier opdiepten en voorzichtig openspreidden.

Den Haan had het ontdekt. Net afgestudeerd aan de rijksarchiefschool was hij begonnen het eeuwenoude archief van het Heilige Geest- of Arme Wees- en Kinderhuis in Leiden te ordenen. In de zeventig meter lange papierwinkel werd zijn oog getrokken door de 'Portefeuille met muziek voor het Paaschfeest gecomponeerd door C. F. Ruppe 1797 en verdere muziek'. Die 'verdere muziek' was één manuscript, 'Kerstmuziek 1796', qua omvang en bezetting veel interessanter dan de rest van de portefeuille.

Een leek zou de schouders ophalen. Maar Den Haan werd afwisselend heet en koud van die papierbundel en haalde Peter Kann erbij. Ze hadden muziek in handen die tweehonderd jaar verborgen was gebleven, afkomstig van Christian Friedrich Ruppe nog wel - een belangrijke exponent van het 18e-eeuwse muziekleven in Nederland - en bovendien speciaal gecomponeerd voor een weeshuiskoor in Leiden.

Het zal wel een stukje 'zang met piano' zijn, dacht componist en musicus Kann eerst. “Maar het was materiaal voor driestemmig koor plus solisten en een orkestpartij voor koper- en houtblazers, strijkers en een paukenslager. Het is maar éé keer uitgevoerd, op 27 december 1796 in de Hooglandsekerk in Leiden. Daarna is het in de archieven van het Weeshuis beland en nooit meer ingekeken.”

De opwinding bij het tweetal was groot. Maar het gemeentearchief in Leiden heeft geen piano; Peter Kann moest wachten tot hij fotokopieën had en de losse partijen tot één partituur kon samenvoegen. “Ik heb alles snel met potlood op een pagina gezet. Het was zo spannend om te horen hoe het klonk: voor het eerst na tweehonderd jaar. In mijn huiskamer, met Sander en mijn vriendin, hebben we naar enkele delen zitten luisteren.”

Een 'blinde vlek' in de muziekgeschiedenis blootleggen is voor een archivaris een hoogtepunt in zijn werk. Maar voor Den Haan en Kann was er meer aan de hand dan de (her)ontdekking van zomaar een muziekstuk. Den Haan: “We hadden al snel in de gaten dat het een compositie was voor een van de eerste gemengde jongerenkoren in Nederland. Achteraf was het zelfs het eerste in heel West-Europa. Dat klonk fantastisch, maar het was nog maar een vermoeden. We hebben deskundigen op het gebied van oude muziek geraadpleegd, maar die liepen niet zo warm. We moesten verder zoeken.”

De speurtocht van de twee leidde onder meer naar een laaiend enthousiaste recensie in de Leidsche Courant van het concert in de Hooglandsekerk en naar achtergronden van het Zangcollege, het wezenkoor uit het Heilige Geesthuis. “Samenzang stelde in die tijd niet veel voor”, zegt Kann. “In de kerk werd gezongen op hele noten en het liefst loeihard. Men haalde ongeveer om de noot adem. Het was van een schrikbarend niveau. Het is daarom opvallend, dat in het gereformeerde weeshuis vanaf pakweg 1776 zangonderricht werd gegeven. Incidenteel werd er zelfs ook door de wezen opgetreden. Kennelijk klonk dat wel aardig, want in 1796 besloten de regenten van het weeshuis een koor op te richten. Met een zangmeester die aan de opvoeding van de wezen muzikale vorming moest toevoegen. Zo'n koor was uniek, of anders tenminste zeldzaam, in de achttiende eeuw.”

Het is hoogst opmerkelijk dat regenten oog hadden voor het nut van ontspanning bij weeskinderen, zegt Den Haan. In de meeste weeshuizen heerste in die tijd een streng regime, discipline kreeg alle aandacht. Zingen voor je plezier was volgens de archivaris iets bijzonders - en zeker in een gemengd koor. “Jongens en meisjes werden angstvallig uit elkaar gehouden; de oprichting van het Zangcollege in 1796 heeft, denk ik, veel te maken met de komst van de Fransen naar ons land en met het verlichte denken over verheffing van het volk.”

Een kinderhuiskoor bestond nergens in Nederland (de beroemde weeshuiskoren uit Venetië bestonden alleen uit meisjes). Zangonderwijs was alleen iets voor rijkeluiskinderen. Den Haan en Kann hebben zich erover verbaasd dat de kinderen van het Zangcollege mogelijk muzieknoten konden lezen. “Als het meezat, konden meisjes lezen en schrijven. Jongens kregen ook rekenen en als ze heel goed waren, een beetje wiskunde. Maar muziekonderwijs was iets bijzonders. Misschien hebben de kinderen in het weeshuis hun partij uit het hoofd geleerd; de muziek lag - ook in die tijd - goed in het gehoor.”

De kinderen hadden er lol in, blijkt uit het archief. Ze waren vrijwillig lid van het koor. Als ze niet trouw naar de repetities kwamen (in het begin drie keer per week), werden ze van de ledenlijst geschrapt. Véél informatie over de ongeveer dertig kinderen in het koor is er niet. Ze kwamen uit de eenvoudige burgerij en misschien wel uit de onderste lagen van de maatschappij. Hun leeftijd varieerde van 15 tot 25 jaar. Hun namen komen nog steeds voor in het telefoonboek van Leiden, zoals Viele, Tasseron en Koppeschaar.

De eerste zangmeester was ene Duville, maar zijn relatie met het koor duurde slechts enkele maanden. Ruppe werd zijn opvolger, de kapelmeester aan de universiteit, een Duitser van geboorte, die tot een van de bekendste componisten van de Republiek uitgroeide. “Het moet een soort muzikale revolutie zijn geweest dat hij voor het koor ging componeren. In de gereformeerde gemeenschap werd heel anders tegen muziek aangekeken dan in de katholieke wereld. Het was bijna ondenkbaar dat er in de kerk iets anders werd gezongen dan psalmen, zeker op zon- en feestdagen. De regenten van het weeshuis in Leiden wilden dat het koor een paascantate van Ruppe op tweede paasdag uitvoerde, maar na een heftig dispuut ging dat toch mooi niet door. Het werd uiteindelijk de derde paasdag.”

Ook Ruppes kerstcantate werd niet op een kerkelijke feestdag uitgevoerd, maar - omlijst door toespraken - op de (witte) derde kerstdag. De elite van de stad moet de kerk hebben bevolkt. Maar ook de weeskinderen die niet op het Zangcollege zaten, waren aanwezig. “Het moet voor die kinderen uit het koor heel erg spannend geweest zijn, zo'n concert. Hoe lang hadden ze gerepeteerd: nog geen jaar. Daar stonden ze voor een groot publiek en met musici in het orkest die normaal in Den Haag voor prinsen en prinsessen optraden. En met moderne aangename muziek, heel anders dan die saaie psalmen die ze gewend waren. Als je beseft dat het kinderen waren, die steeds op hun lage plaats in de samenleving gewezen werden...Ik denk dat ze niet wisten wat ze meemaakten: er werd naar hen gelúísterd!”, zegt Den Haan.

Het boekje dat hij onlangs met Peter Kann over hun vondst schreef, heet dan ook 'Zucht om zich te oefenen in de lieflijke Zangkunst' (Uitgeverij Canaletto, Alphen aan den Rijn). “Zucht dus. Geen tucht. Ze hadden er echt plezier in. Het was voor hen wat in mijn jeugd 'Stuif-es-in' was. Als je daarin kwam, had je je grote ideaal bereikt.”

De commentaren waren achteraf enthousiast, al troffen Den Haan en Kann in de archieven ook een anoniem commentaar aan van iemand die weinig op had met het moderne gedoe in het weeshuis. Hij zal niet de enige geweest zijn die het maar geld- en energieverspilling vond. Overigens kostten de zangactiviteiten het weeshuis niets extra's: daarvoor werd de opbrengst van de concerten gebruikt.

Het eerste optreden was wat dat betreft ruimschoots voldoende; na het salaris voor Ruppe en het orkest en na betaling van warme chocola en tulband bleef er zelfs nog wat geld over. Dat was een paar jaar later niet meer zo. De zegeningen van de Franse bezetter bleken minder groot, de groeiende armoede temperde de belangstelling voor de concerten en het zingen, en in 1802 werd het Zangcollege opgeheven.

Peter Kann heeft de partituur van Ruppes muziek bewerkt en is nu op zoek naar een uitgever. Vorig jaar zette het Utrechtse muziekgezelschap Musica ad Rhenum de weeshuiswerken op cd. De rechten van de cantates berusten nog steeds bij de stichting Heilige Geest- of Arme Wees- en Kinderhuis in Leiden. Kann: “Het is prachtig, als de werken van Ruppe worden uitgevoerd. Maar onze grootste activiteit is het boekje. Het koor krijgt daarin de bijzondere plaats die het verdient. Daar staan de weeshuiskoren uit Italië en Engeland bij in de schaduw.”

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie