Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Een ander Arabisch geluid

Home

BELINDA VAN DE GRAAF

Het Amsterdamse Eye Filminstituut laat films zien van steeds succesvollere Arabische filmmaaksters. Sommigen zijn ooit zelf uitgehuwelijkt.

In Noord-Afrika en het Midden-Oosten staan steeds meer vrouwelijke filmmakers op die niet alleen in de regio, maar internationaal succes boeken. Het Eye Filminstituut werpt licht op deze ontwikkeling, door hun werk te laten zien en het onontgonnen terrein waarop ze zich als pioniers bewegen.

Zo belanden we in een beautysalon in Beiroet, waar regisseuse Nadine Labaki (40) zelf de rol speelt van Layale, een vrouw met een getrouwde vriend. In 'Caramel' vormt de schoonheidssalon een prikkelende afspiegeling van de hedendaagse samenleving in de Libanese hoofdstad. Met een handvol kleurrijke vrouwen maakt Labaki - zeg maar de Libanese Penélope Cruz - actuele thema's als homoseksualiteit, overspel en huwelijksdwang bespreekbaar.

Karamel is in de film overigens niet om op te eten, maar verwijst naar het stroperige goedje dat in de salon wordt gebruikt om te suikerwaxen. De vaak pijnlijke methode om het lichaam van haar te ontdoen, staat voor de kwellingen die vrouwen dagelijks doorstaan. Labaki koos daarbij heel slim voor het genre van de romantische komedie. Via de lach bespreekt ze taboes. Haar debuutfilm werd prompt als Libanese afvaardiging naar de Oscars gestuurd.

Labaki maakte ook een tweede succesvolle film, 'Where do we go now?', over vrouwen die op inventieve wijze ageren tegen de religieuze oorlog waarin hun mannen opnieuw dreigen te belanden. Ze is een van de gezichtsbepalende regisseuses in de regio. Vanuit haar geboorteland Libanon kwam ze in Frankrijk terecht, waarma ze opgeleid en wel terugkeerde naar haar thuisland om verhalen te vertellen. Zo stelde het Filmfestival van Cannes haar in de gelegenheid om in Parijs haar eerste film te ontwikkelen, waarna zowel 'Caramel' als 'Where do we go now?' in Cannes in première ging.

Zo blijkt Frankrijk, en de welwillende houding van de Fransen om in nieuwe, veelbelovende filmmakers te investeren en om risico's te nemen, voor veel regisseuses uit de regio een belangrijke springplank. Dima El Horr (42), ook uit Libanon, vond in Frankrijk een coproducent voor haar debuut 'Everyday is a holiday', over drie vrouwen die per bus op pad gaan om hun mannen in de gevangenis te bezoeken, en onderweg in een landschap vol granaten en vluchtelingen terechtkomen. "In Libanon is geen infrastructuur en geen overheidssteun voor film", aldus El Horr in een interview. "Een 100 procent Libanese film maken is vrijwel onmogelijk, we zijn aangewezen op het buitenland."

Lees verder na de advertentie

Uitgehuwelijkt

Zo is de film waarmee het Eye-programma 'Where do we go now? - Arabische vrouwen achter de camera' opent, gemaakt door de eerste vrouwelijke filmmaker uit Jemen. 'I am Nojoon, age ten, and divorced' is het relaas van een tienjarig meisje dat wordt uitgehuwelijkt aan een volwassen man. Het drama, waarin Nojoon naar de lokale rechtbank gaat om de scheiding aan te vragen, is gebaseerd op het waargebeurde verhaal. Regisseuse Khadija Al-Salami (48) voert ons in haar speelfilmdebuut een onbekende wereld binnen waar mannen met dolken op de buik het straatbeeld bepalen, en waar de helft van de meisjes voor hun 18de wordt verkocht aan dezelfde dolkdragers.

Voor El-Salami, geboren in een arme wijk in Sana'a in Jemen, was het van levensbelang om de film te maken. Ze werd zelf op 11-jarige leeftijd uitgehuwelijkt en verkracht door haar volwassen echtgenoot. Ze wist te ontsnappen en emplooi te vinden als kindpresentatrice van een jeugdprogramma bij een lokaal tv-station. Daarmee verdiende ze het geld om in de ochtend naar school te kunnen. Op haar 16de verwierf ze een beurs om in Washington D.C. te gaan studeren. Ook El-Salami kwam uiteindelijk in Parijs terecht, als directeur van de ambassade van Jemen en als documentairemaakster. Vanwege haar werk als bruggenbouwster tussen Frankrijk en Jemen kreeg ze van Chirac de légion d'honneur.

"Een speelfilm maken in Jemen, over het thema kindbruiden, was een grote uitdaging", liet El-Salami in een interview weten. "Er waren veel veiligheidsproblemen, we werden vaak weggestuurd, en de generator om stroom op te wekken was op een dag verdwenen." Om een vergunning te krijgen, moest ze over het onderwerp van haar film liegen tegen het ministerie van justitie.

"Het is een wereld vol tegenstrijdigheden", zegt Ludmila Cvikova, die eerder voor het Filmfestival van Rotterdam over de aardbol vloog, en de afgelopen vier jaar films programmeeerde tussen de futuristische wolkenkrabbers in Doha, de hoofdstad van Qatar. Als gastcurator van Eye stelde ze het programma samen over de opkomst van Arabische filmmaaksters, bewust van het feit dat de Maghreb en het Midden-Oosten erg verschillen. In Egypte, Marokko en Tunesië is sprake van een filmcultuur, in de conservatievere golfstaten niet of nauwelijks.

"Ik denk wel dat vrouwen in het Midden-Oosten bewuster worden", aldus Cvikova, "en ik zie ook dat ze steeds betere functies bekleden. Het aantal echtscheidingen in Qatar is hoog. Maar er is altijd die paradox. In Qatar wordt scholing gestimuleerd. Tegelijkertijd mogen vrouwen niet zonder vader of broer op pad."

Volgens Cvikova is een korte film als 'Al Hamani' daarom zo bijzonder, gemaakt door de enige Qatarese regisseuse in het programma, Amal Al-Muftah. Een film die op straat werd gemaakt, over oude Iraniërs die op de grootste soek van Doha met kruiwagens boodschappen van winkelende mensen vervoeren. De kruiers verdienen te weinig om met pensioen te kunnen, of een ticket terug naar Iran te kopen. "Het is een prachtig miniatuurtje dat helemaal door Al-Muftah is gemaakt", vertelt Cvikova, "het camerawerk, de montage, alles. Wat mij betreft een sterk voorbeeld van een selfmade woman, in een omgeving waar film vaak wordt gezien als het werk van de duivel, vooral door de oudere generatie."

Dat er in Tunesië midden jaren negentig al een vrouw was die internationaal doorbrak met een speelfilm, Moufida Tlatli met het ook in Nederland succesvolle 'Les Silences du Palais', is volgens de Nederlands-Tunesische filmcriticus Hassouna Mansouri te verklaren uit het relatief liberale klimaat. "In de jaren zestig waren er al ciné-clubs in Tunis, en in de jaren zeventig waren er al goede vrouwelijke filmmakers actief", aldus Mansouri.

"Maar het belangrijkste is dat jonge vrouwen, en dat geldt vooral voor de afgelopen twintig jaar, meer en meer in het buitenland zijn gaan studeren, en met de kennis en het vrijzinnige gedachtengoed uit het Westen, vooral Frankrijk, aan de slag zijn gegaan. In 2011 is daar een revolutie overheen gekomen, die zich vanuit Tunesië over de Arabische wereld heeft verspreid, en die ongetwijfeld een groot bewustzijn van de eigen kracht heeft losgemaakt."

'Where do we go now? - Arabische vrouwen achter de camera' toont t/m 21 juni 19 speelfilms en 9 korte films van vrouwelijke regisseurs uit Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Op 9 juni is in het Eye in Amsterdam een debat met vijf gezichtsbepalende regisseuses uit de regio, onder leiding van Viola Shafik, auteur van het boek 'Arab Cinema: History and Cultural Identity'.

Via de lach bespreekt Nadine Labaki taboes. Haar debuutfilm werd als Libanese afvaardiging naar de Oscars gestuurd.

Deel dit artikel