Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dromen over de Olympische Spelen

Home

Bart Zuidervaart

De Tweede Kamer debatteert vandaag over het kabinetsbesluit om de missie in Uruzgan te verlengen tot eind 2010. De 38.000 Afghanen in Nederland staan langs de zijlijn. Vier Afghanen over de missie, de taliban en hun toekomst, aan de hand van vijf stellingen.

De Tweede Kamer moet de verlenging van de Uruzgan-missie blokkeren

Fahim Ziai: „Ja. Ik zie het als bedrog van de Nederlandse regering richting het volk. De missie werd destijds verkocht als een opbouwklus. Helaas. Het bleek puur vechten. Een verlenging gaat ten koste van zowel de Afghaanse burger als de Nederlandse militair.”

Qader Shafiq: „De Kamerleden moeten niet onverschillig naar de meerderheid van de Nederlandse bevolking kijken. De burger voelt zich bedrogen. Wat is er tot nu toe gebeurd? Het imago van Nederland in Afghanistan is verslechterd. Ook de Hollanders hebben burgerslachtoffers gemaakt en daarnaast zijn twaalf eigen militairen omgekomen. Dit is niet te vergelijken met de ISAF-missie in het noorden. Daar werden wel scholen gebouwd, daar werden wel resultaten geboekt. Nadat Jaap de Hoop Scheffer secretaris-generaal werd van de Navo, haalde hij Europese landen over zich aan te sluiten bij de vechtmissie Enduring Freedom van de Amerikanen. Daar ging het fout. In Uruzgan is het alleen maar vechten. De taliban waren in 2002 toch weg, werd ons verteld? Waarom zijn ze nu zo sterk? De missie voortzetten zou een historische fout zijn.”

Farshad Bashir: „De missie heeft een averechts werking; de militairen zijn onderdeel van het probleem geworden. Als er een burgerslachtoffer valt, maken de taliban daar onmiddellijk misbruik van. De taliban in Uruzgan zijn nu meer een reactie op de Westerse aanwezigheid. Ik stel voor om alle militairen onmiddellijk terug te trekken uit dat gebied en al die honderden miljoenen op een andere manier te investeren in het land. Geef de Afghaanse militairen het vertrouwen dat ze het zelf kunnen.”

Belkes Khoja: „De Afghanen kunnen de problemen niet zelf oplossen, dat is inmiddels wel gebleken. Ik vind het dapper van Nederland dat ze in Uruzgan zijn gestapt en ik vind ook dat ze moeten blijven. Ik begrijp wel dat sommige Afghanen opstandig worden van de Westerse militairen, maar het alternatief is erger. Ik ken de mensen, ik ken het land en de cultuur. Vrouwen en kinderen zullen weer onmiddellijk worden onderdrukt.”

De taliban zíjn het Afghaanse volk en daarom niet te verslaan

Bashir: „Vroeger kon je nog zeggen: dit zijn de taliban. Het waren Afghanen die in de jaren tachtig op de vlucht sloegen voor de Russen en in Pakistan in koranscholen belandden. Zo helder is het echter niet meer. Ze krijgen niet alleen steun uit het Midden-Oosten, maar ook uit Indonesië, van Al-Kaida.”

Shafiq: „Het traditionele stammenvolk sluit zich daar graag bij aan. Ze zijn de afgelopen vijf jaar gebombardeerd en vernederd. Hun kinderen zijn gesneuveld onder Westerse clusterbommen. Zij zinnen op wraak.”

Ziai: „Je hebt geen idee hoezeer de Amerikanen gehaat worden. Wij hebben als Unie van Afghaanse Verenigingen meerdere keren tegen de regering gezegd: doe niet met de Amerikanen mee. Afghanistan heeft behoefte aan onderwijzers, daar hebben we in het Noorden goede resultaten mee geboekt. Dat succes moet je laten zien in Uruzgan. Maar daar komt de missie niet aan toe. Nu is het te laat; de oorlog is niet meer te winnen.”

Khoja: „De meelopers zijn binnen enkele dagen op andere gedachten te brengen, als je ze echt spreekt. Nu worden ze door de taliban omgekocht door onwetendheid. Het gesprek met de taliban is onvermijdelijk. Afghanen zijn koppige en trotse mensen. Ze lijken niet te verslaan. Maar vergeet niet dat het nu dertig jaar oorlog is. Mensen hebben genoeg van de schrijnende armoede. Ik heb vertrouwen in die grote meerderheid van de bevolking die het zat is.”

Shafiq: „Het probleem zit met name in Kaboel. De mensen zien de huidige parlementariërs als boeven. Daar zijn gewoon de oude krijgsheren aan de macht en dat maakt de Afghanen woedend. Daar wordt een schijndemocratie opgelegd door een marionettenregering van de Amerikanen. Het zijn de plunderaars van gisteren! Een vanuit het Westen opgeheven vinger wordt in Afghanistan nooit geaccepteerd. Daarom kiezen mensen voor het andere kwaad.”

Afghanistan wordt vermalen in een internationale prestigestrijd

Ziai: „Te veel landen hebben geopolitieke belangen in Afghanistan. Het land ligt veel te strategisch, en dus ongunstig.”

Shafiq: „De bemoeienis begon filantropisch, maar inmiddels is wel duidelijk dat het er niet om gaat het land te helpen. Voor de Amerikanen is het eigenbelang groot: ze willen controle over de grens met Iran en over de rijke stoffen. Vergeet niet dat de opkomende economieën China en India heel vlakbij zijn. Ook dat speelt mee. De oorlog heeft een belangrijk negatief bijeffect: de balans in de regio is verstoord.”

Khoja: „Afghanistan is zeker een prestigeproject geworden, ik zie dat in Nederland om mij heen gebeuren. Zoveel verenigingen en instellingen bemoeien zich met het land. Is dat nodig, vraag ik me dan af. Mensen gaan twee keer op bezoek en noemen zich gelijk expert. Hulp aan Afghanistan staat blijkbaar goed op het cv. Natuurlijk valt Amerika veel te verwijten, maar het land heeft wel de eerste stap gezet om de arme mensen daar uit de handen van de taliban te verdrijven. Daar ben ik ze zeer dankbaar voor. Ik ben sindsdien drie keer naar Kaboel teruggeweest. Dat had anders nooit gekund.”

Shafiq: „De grote aandacht voor mijn land gaat ten koste van de internationale rechtsorde. Ik schaam mij als Afghaanse Nederlander als ik op tv de mensen in Congo, Darfur en Somalië honger zie lijden. Ik sta op de lijst in de watten gelegde volkeren. Ik schaam mij daarvoor. Het geld is voor militaire doeleinden en het volk, gebukt onder oorlogstrauma’s, lijdt honger. Ik schaam mij echt.”

Bashir: „In de jaren tachtig vielen de Russen binnen en financierde het Westen de tegenstand van de moedjahedien. Toen kwamen de taliban, en ook zij krijgen hulp vanuit het buitenland. Afghanen willen rust.”

De Navo moet nog mimimaal tien jaar in Afghanistan blijven

Bashir: „Ik vind van niet. Het gevaar is dat er dan nog tien jaar wordt gestreden met aanhangers van de taliban en de echte ellende daarna begint. Wat er gebeurt als het Westen zich vandaag nog terugtrekt? Dat wordt een bende.”

Ziai: „Dan komen er nieuwe bloedbaden, zoals in 1992.”

Shafiq: „De krijgsheren die nu in democratische kledij lopen, zullen hun ware gezicht weer tonen. Eigenlijk is Afghanistan een land van oorlogsexperimenten. Het wordt weer bijltjesdag, de zoveelste.”

Khoja: „Tien jaar lijkt me nog te kort. Een oorlog van dertig jaar is niet zomaar op te lossen. Laatst zag ik een Tweede Kamerlid, tegenstander van de missie, aan de minister vragen: ’wat is er nu bereikt na een jaar’? Dat vond ik zo kinderachtig. Alsof er snel resultaten kunnen worden geboekt. Zoiets vergt geduld.”

Shafiq: „De Navo zal dan wel het hele land moeten bezetten, en niet slechts gedeelten. Dus moeten er 200.000 militairen komen, en niet 40.000 zoals nu.”

Ziai: „De gehele operatie zou formeel onder de vlag van de Verenigde Naties moeten vallen. De Navo wordt toch als een verlengstuk van de Amerikanen gezien. Eigenlijk zou je de taliban drie of vier provincies moeten geven, om ze te kunnen isoleren. Dan zijn ze ook makkelijker te bestrijden. In de andere gebieden is dan geen oorlog, en dat betekent ook geen onnodige slachtoffers. Dat is ook wat waard.”

Over vijf jaar woon ik weer in Afghanistan

Ziai: „Zeker niet. Misschien over vijftig jaar dat het mogelijk is. Ik ben teleurgesteld in alle landen die proberen Afghanistan veilig te krijgen. Ik hoop volgend jaar voor het eerst weer even terug te gaan naar mijn geboortestreek. Ik heb veel contact met de Afghanen daar, en die vragen mij: ’jij woont in het Westen. Waarom bezorgen jullie ons deze regering’? Er is mij onlangs een baan als adviseur aangeboden op het Afghaanse ministerie van financiën. Maar zolang dit marionettenkabinet er zit, kan ik daar niet werken.”

Bashir: „Ik hoop dat ik over tien jaar kan, dat het land dan voldoende vooruit is gegaan. Ik kan best over straat, dat is geen probleem. Maar mijn vriendin zal in sommige gebieden in een boerka moeten lopen. Afgelopen zomer ben ik in Herat geweest, in het westen van Afghanistan. Daar zijn nu alleen Afghaanse militairen gelegerd. Ik voelde me de hele week niet veilig en ben het huis niet uit geweest. De militairen waren mij te opdringerig aanwezig.”

Khoja: „Mijn man is Nederlander en mijn leven is hier. Diep in mijn hart wil ik wel terug, maar ik heb de energie niet meer om opnieuw iets op te bouwen. Ik heb wel gesolliciteerd naar een baan bij de overheid waarvoor ik steeds zal worden uitgezonden naar Afghanistan. Dat lijkt me wel wat.”

Shafiq: „Als kind, begin jaren tachtig, praatte ik met mijn vrienden over Olympische Spelen in Afghanistan. We zagen allerlei obstakels. Kaboel had maar één stadion, en de ligging was verkeerd. Maar het leek ons fantastisch. Dat ik dit allemaal vertel, is ook een soort voorbereiding voor het teruggaan. Nu droom ik dat ik mezelf op de Afghaanse televisie zie presenteren, als een soort Peter van Ingen. Dan hoor ik mezelf praten over gemengd zwemmen, dat soort dingen. Maar teruggaan is voorlopig onmogelijk.”

Deel dit artikel