Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Drees wilde komst Indische Nederlanders tegengaan

Home

HANS GOSLINGA

In 1968 predikte de Britse nationalist Enoch Powell dat als gevolg van de immigratie van kleurlingen de straten in Engeland zouden veranderen in 'rivers of blood'. Een jaar later schreef een Britse journaliste onder de kop 'Waar kleur geen probleem is' dat Nederland had aangetoond dat het mogelijk was gekleurde mensen op een humane en fatsoenlijke wijze in een overwegend blanke gemeenschap te integreren.

Zij refereerde aan de opvang van de ongeveer 300 000 Indische Nederlanders tussen het eind van de jaren veertig en het begin van de jaren zestig. Deze prestatie - de immigratie voltrok zich in de wederopbouwperiode, toen woningen en werk schaars waren - trok destijds al over de grenzen de aandacht en bevestigde het imago van Nederland als een tolerant land.

In 'Poortwachters over immigranten' laat de antropoloog John Schuster zien dat dit beeld de werkelijkheid iets te rooskleurig voorstelde. Maar wat wel klopte was dat er tussen Engeland en Nederland frappante verschillen bestonden in het immigratiebeleid en het nationale debat over dit vraagstuk.

In Engeland was de immigratie destijds al, naar het woord van de Labour-politicus Richard Crossman, 'the hottest potato in politics'. In dat licht is het boek van Schuster voor ons op dit moment van groot belang. In de afgelopen jaren is ook in Nederland de immigratie een van de heetste aardappelen in de politiek geworden. Sinds de liberale leider Bolkestein aan het begin van de jaren negentig het taboe doorbrak met zijn waarschuwingen voor het gevaar van de islamitische cultuur voor onze westerse beschaving, is het vraagstuk onderwerp van politiek debat en inzet van verkiezingsstrijd geworden. Het is de vraag of we daarmee op de goede weg zijn.

Schuster toont dat de Nederlandse regering in de jaren vijftig actief probeerde een gunstig klimaat te scheppen voor de komst van de Indische Nederlanders. In een radiotoespraak in 1953, toen de woningnood nog erg groot was, riep premier Drees de Nederlandse bevolking op ermee in te stemmen dat deze mensen bij de verdeling van de schaarse woonruimte en banen voorrang zouden krijgen. Hij erkende dat deze voorrangsbehandeling weerstanden kon oproepen, maar hij deed een beroep op het breedgedragen idee van Nederland als een tolerante natie, die altijd een open oog had gehad voor de nood van anderen.

Vijf jaar later, toen Soekarno de laatste tienduizenden Nederlandse staatsburgers het land uitzette, sprak minister Klompé van maatschappelijk werk in dezelfde trant over de radio de samenleving toe. In het parlement verzette alleen de CPN zich tegen de voorrang aan de immigranten bij de woonruimteverdeling. De communisten plaatsten zich daarmee buiten de nationale consensus.

Volgens Schuster heeft dit streven naar consensus Indische Nederlanders niet van alledaagse discriminatie gevrijwaard. Hun komst is echter nooit onderwerp geworden van politieke strijd en heeft evenmin geleid tot pogingen van partijen of individuele politici uit de weerstanden electorale munt te slaan, zoals aan de overkant van de Noordzee wel gebeurde.

In 1958 deden zich in Engeland voor het eerst ernstige rassenrellen voor. De vechtpartijen tussen Haagse en Indo-jongeren in datzelfde jaar vielen daarbij in het niet, zoals racisme en discriminatie hier ook veel minder de kans kregen. Was Nederland dan zoveel roomser dan de paus? Schuster bevestigt het succesverhaal van de integratie van de Indische Nederlanders, maar hij laat zien dat de achterkant van het beleid van de opeenvolgende kabinetten-Drees veel minder fraai was.

Die kabinetten hebben steeds gepoogd de immigratie van Indische Nederlanders te voorkomen en te bemoeilijken dan wel te beperken. Deze mensen zouden zich niet aan de Nederlandse cultuur kunnen aanpassen. Ze zouden zich hier 'doodongelukkig voelen'. Daarmee doelden de Nederlandse ambtenaren vooral op de Indo-Europeanen, die in Indië waren geboren en Nederland niet kenden.

Het beleid was er derhalve op gericht voor de overgrote meerderheid van deze groep (ongeveer 200 000 mensen) een oplossing in Indonesië te vinden. Dat gold vooral voor, zoals de katholieke minister Van Thiel van maatschappelijk werk hen betitelde, de 'kleine Indo-Europeanen', zij die behoorden tot de verpauperde klassen van de Indische Nederlanders. Vooral door hun woongedrag, dat volgens de Dienst maatschappelijke zorg van het departement van binnenlandse zaken 'ruïneuze gevolgen' zou hebben voor de woonruimte die ze betrokken, zouden zij zich hier niet kunnen aanpassen.

Tegenwoordig gelden de Indische Nederlanders als de voorbeeldigste naoorlogse immigranten, dat wil zeggen dat zij zich het beste aan de Nederlandse cultuur hebben aangepast. Achteraf is het dan ook onvoorstelbaar, constateert Schuster, dat de overheid destijds zo krachtig heeft gepoogd hen te weren omdat ze zich niet zouden kunnen aanpassen. Een vraag, van grote betekenis voor het huidige immigratiedebat, is of de integratie van de Indische Nederlanders net zo soepel was verlopen als de politiek hen destijds, zoals in Engeland gebeurde, openlijk tot 'probleem' had verklaard. Dat kan nu niet meer worden bewezen, maar we beschikken intussen over de ervaringen met de immigratie van Surinamers en Antillianen, die wel publiekelijk tot probleem werden verklaard.

De Surinaamse immigranten zijn van meet af aan in verband gebracht met criminaliteit. Het gedrag van een 'vrij gering aantal lastposten' in Amsterdam bracht de immigratie vanuit dit toenmalige rijksdeel in 1958 voor het eerst op de agenda van het kabinet. Premier Drees vroeg zich in dat beraad af of Nederland de vrije toegang van Surinamers tot ons land niet eenzijdig zou kunnen beperken. Net als in het geval van de Indische Nederlanders was dat onmogelijk, althans niet zonder instemming van de rijksdelen zelf en het risico internationaal van discriminatie te worden beschuldigd.

Opvallend genoeg hadden de Antillianen, die de laatste jaren in de criminele hoek worden geduwd, destijds een goede naam. Premier Marijnen stelde in 1965 zelfs voor op grote schaal Antilliaanse arbeidskrachten te werven.

Hoewel het overduidelijk was dat beperking van de toelating van Surinamers en Antillianen onmogelijk was, is de hun immigratie vanaf het begin van de jaren zeventig toch gepolitiseerd. In 1971 verscheen met de Nederlandse Volksunie voor het eerst na de oorlog een racistische partij op het toneel met leuzen als 'Den Haag moet blank en veilig blijven'. Maar de rol van deze beweging bleef marginaal.

Schuster wijst bovendien op een blijvend wezenlijk verschil met Engeland. Hoewel ook Nederlandse politici de immigratie beschreven in termen als 'een wassende stroom' (deze oceanische metafoor is volgens de auteur veel effectiever dan het noemen van getallen, omdat die zich lenen voor tegenspraak), werd het verschijnsel niet in verband gebracht met de ondergang van natie en volk. De zorgen richtten zich veel meer op de problemen bij de integratie, de positie van de migranten zelf en het draagvlak onder de autochtonen. Op basis daarvan bleef de nationale consensus tot aan het begin van de jaren negentig redelijk overeind. Bolkestein heeft die consensus in 1991 met zijn waarschuwing voor de bedreiging van de islamitische cultuur doorbroken. Het nieuwe is dat hij daarmee deze immigranten buiten de nationale en culturele identiteit heeft geplaatst. De conclusie van Schuster is dan ook dat Nederland wel is veranderd in een multi-etnische samenleving, maar nog lang geen multi-etnische natie is.


Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden

Deel dit artikel