Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

DORP VAN MYTHEN EN VERHALEN

Home

RUUT VERHOEVEN

De rooms-katholieke kerk in Veenhuizen valt direct op door zijn omvang. Zelfs wanneer alle 651 inwoners van het Drentse dorp 's zondags ter kerke zouden gaan, blijven er nog banken onbezet. De katholieke gemeenschap ter plaatse telt echter nog maar 27 leden. De van rijkswege aangestelde pastoor preekt meestal voor lege banken. Een gordijn dat de ruimte halveert, kan de leegheid niet verbloemen.

Hoe anders moet dat geweest zijn halverwege de vorige eeuw, toen meer dan 10 000 mensen woonden en werkten in de dwangkolonie Veenhuizen. Zwervers, landlopers, vagebonden, wezen en bedelaars bevolkten er de drie door de Maatschappij van Weldadigheid gebouwde gestichten. Een sociaal vangnet voor deze onderkant van de samenleving in de vorm van uitkeringen bestond nog niet. In ruil voor onderdak en eten moesten deze 'lieden zonder eer', zoals een Kamerlid uit die tijd hen noemde, werken op het land of in de fabriek én naar de kerk. Zelfs de heidenen onder de armoedzaaiers hadden slechts de keuze: naar de hervormde of naar de r.k.-kerk.

Ook toen de dwangkolonie al lang was veranderd in een gevangenissencomplex, waar echte criminelen de plaats hadden ingenomen van de zwervers, bedelaars en uitvreters, bestond in Veenhuizen nog lange tijd de verplichting ter kerke te gaan. Het luisteren naar Gods woord werd pas beperkt nadat eind jaren zestig, begin jaren zeventig van deze eeuw het aantal ontsnappingen en pogingen daartoe schrikbarend was toegenomen.

Daarmee verdween het vertrouwde beeld op de zondagochtend, dat schrijfster Mariët Meester zich herinnert uit haar kindertijd, toen ze opgroeide in Veenhuizen: het 'gewone' kerkvolk in de banken naast de gedetineerden. Van Meester verscheen deze week haar boek 'De eerste zonde', dat zich geheel afspeelt in het zo bijzondere Drentse koloniedorp. “Je kon ze bijna aanraken”, vertelt Meester, dochter van de hoofdonderwijzer op de school met de bijbel. “Nergens was de afstand tussen gedetineerden en burgers zo klein als in Veenhuizen. Ik herinner me gevangenen dan ook niet als moordenaars of verkrachters, maar als gewone mensen in donkerbruine pakken die voor de inwoners van Veenhuizen het gras maaiden, de ramen lapten en de tuin onderhielden.”

Veenhuizen is sinds de bemoeienis van generaal Johannes van den Bosch in 1823, die met zijn Maatschappij van Weldadigheid iets probeerde te doen aan de schrijnende armoede in Nederland na het vertrek van de Fransen, altijd een bijzonder dorp gebleven. Het plan om de 'verpleegden' zoals de landlopers, bedelaars en vagebonden genoemd werden, 'op te beuren en tot eene hoogere beschaving, verlichting en werkdadigheid op te leiden', mislukte uiteindelijk, enerzijds door geldgebrek, anderzijds door gebrek aan werklust bij de tewerkgestelden. Het waren veelal de uitvreters die zich naar Veenhuizen lieten brengen. Volledig zelfvoorzienend is de kolonie dan ook nooit geweest.

In 1859 nam het ministerie van binnenlandse zaken de gestichten over van de noodlijdende Maatschappij van weldadigheid. Ruim 25 jaar later ontfermde Justitie zich over Veenhuizen en werd de dwangkolonie langzaam maar zeker een strafkolonie. De gestichten werden rijkswerkinrichtingen. Duidelijk zichtbaar werd dat sinds de eerste wereldoorlog, toen Veenhuizen gebruikt werd om overvolle gevangenissen elders te ontlasten. De Drentse kolonie kreeg achtereenvolgens te maken met Belgische gedetineerden en vluchtelingen, smokkelaars, dienstweigeraars, joodse vluchtelingen uit Duitsland, Nederlandse en Duitse oorlogsmisdadigers na de tweede wereldoorlog, Indië-deserteurs en overtreders van de Wegenverkeerswet.

In ruim een eeuw tijd werd Veenhuizen van rijkswerkinrichting tot een complex van gevangenissen. Tegenwoordig bestaat het uit drie grote inrichtingen: Esserheem (240 gedetineerden) en Norgerhaven (348) voor langgestraften, en Groot Bankenbosch (312), een halfopen inrichting voor kortgestraften en zelfmelders. Vanaf de allereerste bedelaar in 1823 is er altijd een gemeenschapsregime geweest, dat wil zeggen: gezamenlijk eten, werken en recreëren. Extreem vluchtgevaarlijke gedetineerden komen er niet in. Hoe populair Veenhuizen is onder de gevangenen bleek onlangs uit een enquête in Elsevier, waar Norgerhaven en Esserheem met stip op één en twee stonden.

Spectaculaire ontsnappingspogingen met helikopters zoals donderdag in de Geerhorst in Sittard kent Veenhuizen dan ook niet. Wel herinnert Mariët Meester, die zelf nooit een gevangenis van binnen gezien heeft, zich een incident op het voetbalveld. “Mijn broer stond met een aantal anderen naar een wedstrijd te kijken, toen plotseling een gedetineerde het veld op kwam rennen, achternagezeten door een gestichtswacht, tot grote hilariteit van het publiek. Een gedetineerde is er ook een keertje tussenuit geknepen met de boevenbus, waarmee ze altijd vervoerd worden. Onderweg zijn diverse gevangenen uitgestapt, omdat ze hun vrijlating niet wilden vertragen.”

Meester weet niet zeker of ze dit laatste incident zelf heeft meegemaakt. “Veenhuizen is het dorp van de mythen en verhalen. Je hoort er zoveel, dat je op een gegeven moment niet meer weet of je het van horen zeggen hebt of dat het uit eigen ervaring is.”

Net als haar dorpsgenoten woonde de schrijfster op korte afstand van de drie gevangenissen. Justitie had indertijd gezorgd voor personeelswoningen naast of in de buurt van de complexen. Wie bewaarder was, had zelfs geen keus: hij moest zo'n woning betrekken en er weer uit als hij met pensioen ging, ontslag nam of ontslagen werd. “Ik herinner me van toen ik een jaar of zes was, een vriendinnetje wier vader plotseling overleed. Zij moest toen met haar moeder weg uit Veenhuizen. Verschrikkelijk vond ik dat.”

Niet alleen het lagere personeel, ook de directeur moest in Veenhuizen wonen. Die kreeg dan wel een 'aangepaste' woning, want voor elke rang was er een ander type woning. Dat varieerde van een klein rijtjeshuis tot een gigantische villa met riante tuin. En wie een nieuw behang nodig had, moest genoegen nemen met het op die rang afgestemde motiefje.

Het wonen in Veenhuizen had ook voordelen. Zo genoten inwoners bepaalde emolumenten. Gedetineerden knapten klusjes van huishoudelijke aard op, de toegang tot het zwembad was gratis, kinderen gingen met de boevenbus naar school of kregen een kaart om naar de middelbare school in Assen te gaan. Daarnaast zorgde Justitie ervoor dat het terrein goed bewaakt werd. Inwoners konden zich vrij bewegen, buitenstaanders moesten zich legitimeren.

“Ik heb me altijd heel veilig gevoeld in Veenhuizen”, zegt Meester. “Ik beschouwde het dorp zelfs als een klein paradijs. Ik had 3 000 hectare veld en bos als speelterrein. Criminelen lieten het wel uit hun hoofd om bij ons in te breken met zoveel gestichtswachten in de buurt. In sommige opzichten waren wij boven de wet verheven. De Wegenverkeerswet gold hier bijvoorbeeld niet. Mijn broers reden op hun zestiende al auto. Als mijn vader kerkkrantjes moest bezorgen, liet hij mijn broer achter het stuur zitten.”

Die tijd van 'anarchie' is inmiddels voorbij. Justitie besloot zich te concentreren op zijn kerntaak, het beheren van de gevangenissen, en alle overige taken en gebouwen af te stoten. Veenhuizen moet een normaal dorp worden. Gevangenispersoneel hoeft niet langer een dienstwoning te betrekken, anderen mogen zich vrij in Veenhuizen vestigen. De huizen zijn inmiddels verkocht aan de bewoners. De bordjes 'verboden toegang' in het dorp zijn per 1 januari van dit jaar verwijderd. De infrastructuur is overgedragen aan de gemeente Norg, waartoe Veenhuizen behoort. Op 9 december zullen de laatste juridische hobbels genomen zijn.

“En dan mogen de burgers vanaf 1 januari volgend jaar ook rioolrechten en onroerende-zaakbelasting gaan betalen”, gniffelt waarnemend burgemeester Jan Lonink. Het oud-Kamerlid van de PvdA heeft van commissaris der koningin, Relus ter Beek, begin vorig jaar opdracht gekregen de toekomstplannen voor Veenhuizen uit te werken. Het idee om het gevangenismuseum uit te laten groeien tot een nationaal museum is al bijna werkelijkheid. Het huidige werkgesticht van Esserheem wordt daartoe benut.

Maar Lonink wil meer. “Drenten zijn niet zo ambitieus, maar ik zet hoger in. Zo probeer ik hier een instituut voor rechtsvraagstukken op poten te zetten, analoog aan Nijenrode en Clingendael. Dat zou in dit gebied prima passen. Huisvesting mag geen probleem zijn, nu Justitie zoveel panden wil afstoten.” Ook voor de toeristische sector ziet Lonink mogelijkheden. “Veenhuizen ligt temidden van zeer uitzonderlijke natuurgebieden als het Fochteloërveen, heeft een bijzondere stedebouwkundige inrichting en telt 120 rijksmonumenten. Er moet ruimte zijn voor hotelaccommodatie en restaurants.”

De onderhandelingen over de vrijkomende panden van Justitie verlopen niet altijd even soepel. “Het probleem is”, zegt Lonink, “dat je met vier onderhandelingspartners te maken hebt: Justitie, dat aangeeft welke gebouwen het kwijt wil; de Rijksgebouwendienst, die gaat over de architectonische eisen waaraan de panden moeten voldoen, valt onder Vrom; Domeinen, onderdeel van Financiën, bepaalt de prijs; en dan heb je nog te maken met het ministerie van landbouw als het gaat over het landschap.”

Lonink vindt dat er momenteel wel schot zit in de ontwikkelingen. “De mensen in de gemeente hebben het hart op de juiste plek, de provincie trekt er hard aan om het culturele erfgoed te bewaren en ook het rijk wil zich inzetten voor de ontwikkelingen in dit gebied.”

De gemeente Norg, die per 1 januari samengaat met Roden en Peize in Noordenveld, heeft het oude bestemmingsplan uit 1938 inmiddels vervangen door het concept voor een nieuw, waarbij behoud van het culturele erfgoed en ruimte voor nieuwe ontwikkelingen hand in hand gaan. Alle bewoners hebben het beeldkwaliteitsplan 'De trots van Veenhuizen' in de brievenbus gehad, waarin vrij nauwkeurig staat aangegeven wat ze in de toekomst wel en niet mogen veranderen aan hun woning en/of tuin. De gemeente heeft daarmee ook de angst van de Veenhuizers voor het 'Orvelte-syndroom' weggenomen. In die plaats mogen inwoners niets aan hun huizen doen, teneinde het openluchtmuseum in stand te houden. Norg heeft zich dankzij het nieuwe bestemmingsplan met succes verzet tegen het predikaat 'beschermd dorpsgezicht'.

Sinds Justitie de gemeente Norg ruimte heeft gegeven mee te denken over de toekomst van Veenhuizen, zijn ook de inwoners van de voormalige justitiekolonie wakker geworden. “Ze weten ons goed te vinden”, vertelt Lonink. “We hebben veel reacties gehad op het concept-bestemmingsplan. Vooral van boeren die niet blij zijn met het plan om de lanen te herbeplanten. Vroeger bepaalde Justitie wat er met het dorp gebeurde en had Norg niets in te brengen. Met als voordeel dat we wel de lusten, maar niet de lasten van Veenhuizen hadden. We kregen wel geld uit het Gemeentefonds op grond van het aantal inwoners, inclusief de 900 gedetineerden, en het aantal hectares oppervlakte, maar hoefden het niet uit te geven. En nu Justitie Veenhuizen afstoot, krijgen we nog een zak geld mee voor onderhoud, zo'n vier miljoen gulden.”

Deel dit artikel