Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dit past niet bij ons schuldgevoel

Home

door Hans Vervoort

Op een kerkhof in Surabaya ontdekte schrijver Hans Vervoort de graven van acht kinderen uit één gezin. Ze stierven allen op dezelfde dag, 29 oktober 1945. Dat was midden in de Bersiap-tijd: de zes maanden na de Japanse capitulatie, waarin fanatieke jonge Indonesiërs een bloedbad aanrichtten onder duizenden (Indo-)Europeanen. In Nederland kreeg deze dramatische episode nauwelijks bekendheid. „Bij zoveel spijt over wat wij zelf hebben aangericht, past niet het beeld van de jonge Indonesiërs die met kapmes en speren duizenden vrouwen en kinderen doodden in een orgie van fanatiek geweld en soms uit pure roofzucht.”

Het oorlogsgravenkerkhof Kembang Kuning in Surabaya is indrukwekkend. Duizenden witte kruisen van slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog staan keurig in lange rijen naast elkaar. Als je er langs loopt, hergroeperen ze zich in steeds andere wiskundige patronen van diagonalen en loodlijnen. Centraal staat het gedenkteken voor (’Ik val aan, volg mij’) Karel Doorman en de vele matrozen die deden wat hij vroeg.

Helemaal vooraan liggen de kinderen. Hun kruisen zijn kleiner dan van de volwassenen – die van de meisjes eindigen in een bloempatroon. Jongens en meisjes liggen gelukkig wel bij en door elkaar.

Mijn broertje ligt op rij BBB, nummer 22. Hij stierf, zes jaar oud, in 1944 in kamp Ambawara 6, en ik heb maar één herinnering aan hem. Hij zat rechtop in het bed van het ziekenzaaltje, een vrolijk en druk kind, en vertelde opgewonden dat hij die dag iets raars had beleefd: hij moest niezen en lachen tegelijk! „En, wat deed je?”, vroeg ik gespannen. Ik was zijn jongere broertje, ik had nog veel te leren. Wat hij antwoordde is uit mijn geheugen gewist, ik moet het doen met dit ene beeld.

Hij ligt nu alweer bijna zestig jaar op Kembang Kuning, maar hij wordt geen dag ouder. Ik heb hem bezocht in 1974 en onlangs opnieuw, dertig jaar later. Beide keren viel me op hoeveel kinderen Engelenburg er in zijn omgeving lagen – acht in totaal, vijf meisjes en drie jongens, in leeftijd variërend van drie tot elf jaar. Allen overleden op 29 oktober 1945. In de Bersiap-tijd dus: de gewelddadige periode van zes maanden die volgde op de capitulatie van Japan op 15 augustus 1945 en het twee dagen later uitroepen van de Republik Indonesia door de nationalistische leiders Soekarno en Hatta.

De Engelse bevrijders van Nederlands-Indië hadden maar een deel van Java en de andere eilanden onder controle, en de kersverse regering van de nieuwe republiek had te weinig middelen om de orde te handhaven. In dit machtsvacuüm oefenden groepen pemoeda’s – fanatieke jonge Indonesiërs – een terreurbewind uit dat veel slachtoffers maakte onder de zojuist bevrijde Hollanders en Indische Nederlanders. Schattingen lopen tot 20.000 slachtoffers.

Het leidde uiteindelijk tot de grote uittocht van de Indische gemeenschap naar het onbekende vaderland aan de Noordzee. Bij de Nederlanders bestond weinig interesse voor oorlogsgebeurtenissen die overzee hadden plaatsgevonden. In de loop van de tijd is dat wel wat veranderd. Inmiddels wordt jaarlijks op 15 augustus herdacht dat 100.000 Nederlanders de oorlog in Japanse interneringskampen hebben doorgebracht, en over de politionele acties is veel gepubliceerd. Maar de Bersiap-tijd die daartussen lag, is in Nederland niet bekend, terwijl dat voor de Indische groep juist de ergste van alle was.

’Waarom wordt daar nooit over geschreven’, vroeg ik mij vaak af.

De oorzaak kan eigenlijk alleen zijn dat het idee van gewelddadige Indonesiërs niet past in het schuldbewuste beeld dat we in de afgelopen vijftig jaar hebben geschapen van onze koloniale tijd. Wij Nederlanders overheersten daar drie eeuwen lang een vreedzaam en dociel volk en toen het zijn vrijheid opeiste, stuurden we er een leger van 100.000 man op af en noemden het een ’politionele actie’. Bij zoveel spijt over wat wij zelf hebben aangericht, past niet het beeld van de jonge pemoeda’s die – altijd groepsgewijs – met kapmes en speren duizenden (Indo)-Europese vrouwen en kinderen doodden in een orgie van fanatiek geweld en soms uit pure roofzucht. Die zes maanden waarin de machtsverdeling anders lag en meteen tot misbruik leidde, past niet in het plaatje van onze koloniale schuld.

En zo liggen de Engelenburgs en alle andere bersiap-slachtoffers al zestig jaar te wachten op het schrijven van hun geschiedenis.

Daar, op de begraafplaats Kembang Kuning beloofde ik mijn broertje dat ik het drama van zijn kerkhofbuurtjes dit keer echt zou achterhalen. Na mijn vorige bezoek, in 1974, had ik dat ook geprobeerd, maar kwam toen nergens.

Nu – met internet als vraagbaak – zou het allicht beter gaan. Toch werd het een lange zoektocht. Geen van de honderden Engelenburg-hits die Google opleverde, leidde tot iets. Het slachtoffer-register van de Oorlogsgravenstichting gaf een kleine aanwijzing: de Engelenburgs waren overleden in Ngadireso, een piepklein dorpje in de bergen van Oost-Java. Maar ’Ngadireso’ liet op internet geen lampje branden. Een brief aan de Oorlogsgravenstichting leverde nieuws op: de Engelenburgs woonden destijds in Toempang, een ander dorpje bij Malang, en waren naar Ngadireso gevoerd, en daar om het leven gebracht. En alhoewel die informatie uiteindelijk niet bleek te kloppen, gaf ze toch de doorbraak. In een artikel van de historicus H. Bussemaker dat ik op internet vond, werd Toempang genoemd als de plaats waar 39 Bersiap-moorden hadden plaatsgevonden. Namen wist hij niet, maar het was een begin.

Het googelen van ’Toempang’ in combinatie met ’oktober 1945’ bracht me op de genealogische website van de familie Moormann. In die familie was een vrouw van vijftig jaar in oktober 1945 in Toempang overleden. Zo jong dood en precies in die maand? Op de bonnefooi mailde ik de webmaster of mevrouw Moormann misschien een van de Toempang-slachtoffers was. Per omgaande berichtte hij dat het hier Geertruida (Riep) Moormann-Vlaanderen betrof, die samen met haar zoontje Clemens (11) inderdaad door pemoeda’s om het leven was gebracht.

Via hem kwam ik in contact met Ineke Moormann, de jongste dochter, die – destijds vijftien jaar – bij toeval het bloedbad was ontlopen. En plotseling vielen alle stukjes op hun plaats, want Ineke vertelde me dat zij op dat moment in Malang was met een zekere Roos Engelenburg, die toen dertien was en haar hele familie verloor bij de onlusten.

Roos Engelenburg! Zij was het negende kind, de oudste. En zij leefde nog.

Met behulp van Ineke Moormann en Roos Engelenburg, nu 76 en 74 jaar oud, heb ik de laatste jaren en dagen van hun vermoorde familieleden kunnen reconstrueren. Makkelijk ging hun dat niet af, en Roos moest na enige tijd zelfs stoppen met vertellen, omdat de herinneringen haar te veel werden.

Hier is hun verhaal.

Malang is een van de mooiste plaatsen van Indonesië en van oudsher het centrum van een vruchtbaar gebied. Boven Malang, in de aanloop van de hoogste berg van Java, de 3600 meter hoge Semeru, liggen enkele bergdorpjes te midden van sawa’s en plantages. Tumpang ligt het laagst, op zo’n 600 meter boven de zeespiegel. Vanuit Malang ging voor de oorlog enkele keren per dag een stoomtram naar dit plaatsje, een tocht van twintig kilometer. Wilde je van Tumpang verder de heuvels in, naar successievelijk Watesbelung, Ngadireso of Poncokusumo (op 900 meter hoogte), dan nam je een dokar, een paard-en-wagen om dan onder het geklikklak van de paardenhoeven, de soms steile weg naar boven te gaan. De plaatsjes lagen zo’n vijf kilometer uit elkaar aan de weg die naar boven liep.

In Watesbelung woonde in 1942 de familie Moormann in een groot stenen huis. „Het was heerlijk daar, heel mooi en vredig”, zegt Ineke, „We woonden aan een kleine rivier en achter ons huis tot aan de bergen waren allemaal sawa’s. Mijn vader en mijn oudste broer Sam hadden overal wat grond die ze bebouwden. De plantages in de buurt bestonden het meest uit koffie, thee, suiker, kapok, sinaasappelen, ananas, bananen. Niet allemaal van ons, hoor! Ook Indonesiërs hadden hier grond voor bebouwing, en niet te vergeten rijst- en maïsvelden. Wij Moormannen zaten vooral in de suiker.”

Vader Moormann en Marie (Riep) Vlaanderen trouwden in 1914 en kregen samen twaalf kinderen, van wie er in 1942 nog elf leven – vier dochters en zeven zoons. De oudste zoons helpen mee in de plantage. Het is altijd druk in huis.

De oorlog maakt een abrupt eind aan het ritme van het plantersbestaan. De twee oudste zoons, Sam en Alex, worden begin 1942 opgeroepen voor respectievelijk het leger en de marine. Alex, die eerder een priesterstudie afbrak, wordt hospik op een van de schepen van Karel Doorman. Postuum werd hij onderscheiden voor zijn zelfopoffering: hij stond zijn reddingsvest af toen zijn schip getorpedeerd werd en zonk. Sam kwam als krijgsgevangene in Burma en Japan terecht, hij overleefde het.

Vader Moormann en de jongere zoons komen in Japanse burgerinterneringskampen terecht, zoals uiteindelijk alle (Indo-)Europese mannen van zeventien tot zestig jaar. Voor de vrouwen en kinderen geldt dat totoks (volbloed Europeanen) ook al snel opgesloten worden. Alleen de Indo-Europese vrouwen en hun kinderen mogen buiten het kamp blijven wonen in hun eigen huizen. Ze moeten zich in leven houden met geïmproviseerde handeltjes nu de mannelijke kostverdieners weg zijn.

Als volbloed Hollandse zou Riep Moormann-Vlaanderen eigenlijk geïnterneerd moeten worden, maar de Japanners laten haar met rust. De reden is vermoedelijk dat zij in het dorp een belangrijke rol vervult. Ineke: „Mijn moeder was geliefd in de buurt. Ze was zoiets als een verpleegkundige en beheerde het medicamentendepot. Ze ging er altijd op uit, ook in de nacht, om mensen te verzorgen of doden af te leggen. Daar gaf ze zelfs haar laatste witte laken voor weg.”

Op de foto’s in Ineke’s familiealbum staat Riep als een stevige, kordate moeder en huisvrouw. Maar naarmate de oorlog vordert, merken de dochters dat moeders krachten beginnen te slinken. Ineke: „In haar jeugd had mijn moeder een zware longontsteking gehad, en ze moest leven met nog maar één long. De plantages lagen natuurlijk stil zonder vader en mijn broers, er was gebrek aan voedsel en je kon merken dat moeder ten einde raad was en zich beroerd voelde. Ten slotte stuurde ze mijn oudere zussen weg, omdat er in Watesbelung niet genoeg eten te krijgen was. Jo werkte in de verpleging in Toempang en Trees bij oma Van Deuning. Daar heeft ze heel goed leren koken.”

Oma Van Deuning woont in het hoger gelegen plaatsje Ngadireso. Ze is een jaar of zestig en kan hulp goed gebruiken. Voor de oorlog waren de jongens Moormann bevriend met oma’s Indonesische pleegzoon Appi, maar die gedraagt zich de laatste tijd nogal anti-Nederlands. De Japanse bezetters stimuleren het nationalisme, mits de leiders zich achter Japan scharen. Talloze jongereren sluiten zich aan bij paramilitaire groepen. Ook Appi is geradicaliseerd. Hij draait wel bij als de oorlog afgelopen is, hoopt oma.

In het grote huis in Watesbelung blijft Riep nu over met de jongste dochter Ineke en nakomertje Clemens, roepnaam Clem. Hij is bijna elf. Tiener Ineke haalt de emmers water uit de rivier, houdt de tuin schoon, en kookt als moeder daarvoor te zwak is. Even verderop ligt het enige andere stenen huis van het dorp waar een Javaanse heer van adel woont. Zijn volledige naam is veel langer maar hij laat zich Atema noemen. Hij heeft een zwak voor de Moormanns en helpt waar hij kan. Riep verkoopt hem af en toe een meubelstuk, zodat ze weer wat geld heeft voor voedsel.

Veel contact met andere Indische Nederlanders in de buurt heeft Riep niet. Eigenlijk alleen met Oma Van Deuning en de Engelenburgs, die ook in Ngadireso wonen.

Opa Engelenburg heeft enkele sawa’s en op een heuvel een sinaasappelplantage. Hij woont in het huis bovenaan de heuvel met zijn tweede, jonge vrouw Annie en hun dochtertje Felicienne (3) en zoontje Robbie (6). De oudste zoon Lothar uit zijn eerste huwelijk woont met zijn vrouw Miene beneden aan de heuvel. Ze hebben zeven kinderen. Roos is met haar dertien jaar de oudste.

„We woonden naast het bos en speelden met elkaar”, zegt Roos zestig jaar later, „Er waren geen andere kinderen in de buurt om mee te spelen. We vermaakten ons met de honden, geiten, kippen. We hadden een heel gelukkige jeugd.”

Vader Lothar Engelenburg wordt in het begin van de oorlog opgeroepen voor het leger en belandt als krijgsgevangen sergeant van het Knil op Sumatra, waar hij in 1944 door de Japanners wordt omgebracht. De Engelenburgs horen dit natuurlijk pas na de bevrijding. Net als de Moormanns moeten ook zij sappelen om de oorlog door te komen, maar dankzij opa’s inspanningen op het land is er toch enig inkomen.

Eindelijk, in 1945, eindigt de oorlog. Het Japanse leger capituleert op 15 augustus 1945. Even lijkt het erop dat de goede tijden zullen terugkeren. Bij de Engelenburgs hopen ze dat vader Lothar spoedig thuis zal komen. Bij de Moormanns vindt de gezinshereniging al vrij snel plaats: vader en de jongere zoons keren op eigen houtje uit de kampen terug en ook de dochters komen thuis. De mannen maken plannen om de plantages te herstellen. Natuurlijk hebben ze gehoord van de onafhankelijkheidsverklaring en de oprichting van de republiek, maar door hun verblijf in de interneringskampen hebben ze weinig gezien van de groei van het nationalisme bij de Indonesische jeugd.

Al snel verandert de situatie. Na de onafhankelijkheidsverklaring steekt Soekarno enkele radioredevoeringen af waarin hij oproept om het land te bevrijden van de Hollanders. ’Bersiap!’ (’Wees paraat!’) is de kreet van de dag.

De 44-jarige leider behoort zelf tot de al wat oudere, tot compromissen bereide nationalisten. Het is de bedoeling van zijn regering dat overal plaatselijke Komités Nasional Indonesia opgericht worden die orde en gezag in de republiek zullen handhaven. In die comités nemen vooral wat oudere, gematigde nationalisten plaats. Hun beleid bevalt de ongeduldige jongeren niet.

Groepjes pemoeda’s (jongeren) stropen het land af en waarschuwen hun landgenoten dat er niets geleverd mag worden aan de blanken. Gewapend met bamboesperen en klewangs posten ze voor de huizen van de (Indo-)Europeanen. Het Merdeka (’Vrijheid!’) is niet van de lucht. Ook in Watesbelung en de andere bergdorpen slaat de revolutie aan. Van soto-verkoper Bienki dacht het dorp altijd dat hij geestelijk niet helemaal in orde was. Hij ontpopt zich als een echte hater van het Hollandse gezag. Ook Appi, de Indonesische pleegzoon van oma Van Deuning, voegt zich bij de groep pemoeda’s die de bergdorpen terroriseert.

De sfeer in het land wordt met de dag dreigender. De Engelse overwinnaars beseffen dat zij in een wespennest terecht zijn gekomen. Veel geïnterneerde Europeanen, vooral vrouwen en kinderen, wachten in de burgerkampen nog op evacuatie, maar dat is in deze situatie te riskant. De Engelse legercommandant vindt een oplossing: hij geeft de gecapituleerde Japanse bewakers opdracht om hun bevrijde gevangenen nu te beschermen tegen de pemoeda’s. Dat scheelt, maar de Indo-Europeanen die buiten de kampen op het platteland wonen, zijn er niet mee geholpen. Zij worden nu het voornaamste mikpunt.

„Ze stonden ’s avonds voor het huis en ze riepen: Bunuh orang belanda!”, zegt Ineke. Doodt de blanken! „Ze maakten lawaai met van alles, om je ’s nachts wakker te houden. Angst en nog eens angst, dat overheerste alles.”

In Ngadireso besluit opa Engelenburg in overleg met moeder Miene dat Roos, die al dertien jaar is, voor haar veiligheid beter naar Malang kan vertrekken. De jongere kinderen zullen ze niet zo gauw iets doen, maar Roos kan gevaar lopen bij de opgewonden pemoeda’s. Roos gehoorzaamt gedwee.

Ook vader Sam Moormann is niet gerust en stuurt zijn dochters naar Malang, waar de situatie vermoedelijk stabieler is. Ook de jongste dochter, Ineke, vertrekt ditmaal. Ze is net vijftien en ze krijgt een baantje in de keuken van het Malangse ziekenhuis. Daar ziet ze Roos Engelenburg; ze kennen elkaar van de nonnenschool.

Het idee dat in Malang de situatie stabiel is, blijkt niet te kloppen. Japanners bewaken in opdracht van de Engelse overwinnaar het met prikkeldraad omgeven hospitaalterrein. Zij gaan op 1 oktober de strijd aan met pemoeda’s als die het ziekenhuis beginnen te beschieten. Het verplegend personeel woont in een dienstwoning die voor het ziekenhuis ligt, direct in het schootsveld. Drie dagen en nachten duurt het gevecht en Ineke en Roos brengen die tijd in doodsangst door, terwijl de kogels in de muren van het huis slaan en ze het dreigende geschreeuw van de pemoeda’s horen. De Japanners houden lang stand, maar geven zich ten slotte toch over als het aantal gewonden oploopt. Het Indonesische leger neemt het ziekenhuis in, de sfeer is gespannen en onvriendelijk, maar zij laten toe dat de gewonden verzorgd worden. Ook Ineke en Roos – eigenlijk keukenhulp – worden ingezet om wonden te verbinden en doden af te leggen. Zelfs de gangen van het ziekenhuis liggen vol bloedende slachtoffers. Het is een gruwelijke ervaring voor de meisjes.

Op 10 oktober kondigt het Malangse opperbestuur een officiële boycot van de (Indo-)Europese gemeenschap af.

Niemand mag hun meer iets verkopen, in de stad worden water en licht afgesloten, taxi’s en betjak-rijders mogen hen niet langer meenemen. Hun doden moeten ze zelf naar het kerkhof dragen en eigenhandig begraven.

In Watesbelung zorgen Bienki en zijn kornuiten ervoor dat deze regels naar de letter gevolgd worden. En dit is pas het begin. Op 17 oktober wordt een algeheel arrestatiebevel voor alle Indo-Europese mannen en jongens van boven de veertien uitgevaardigd. Vader Moormann en de zojuist teruggekeerde zoons worden afgevoerd naar de gevangenis in Malang. Ook Opa Engelenburg komt er terecht. Zijn jonge vrouw en zijn schoondochter blijven met de acht kinderen onbeschermd achter.

In Watesbelung voelt Riep Moormann zich onveilig in het grote huis, nu de mannen weggehaald zijn. Dit hoorde Ineke later van de Indonesische buren, die meeleefden maar weinig konden doen: alle hulp aan de belanda’s werd gezien als verraad. Gelukkig voor Riep is er een logee, Tineke Boogaard, Ineke’s beste vriendin van de nonnenschool. Tineke was een weeskind en in haar pleeggezin zwanger geraakt van de oudste zoon. Het kind was dood geboren en Riep had zich over haar ontfermd.

Tineke speelt met Clem en probeert met Riep iets te bedenken voor zijn verjaardag. Op 24 oktober zal hij elf worden en alhoewel hij natuurlijk geen cadeaus verwacht, zullen ze proberen er iets van te maken. Maar het loopt anders.

In de grote stad Surabaya, anderhalf uur rijden van Malang, stijgt de spanning tussen de bevolking en de Engelse troepen, gevechten breken daar uit. Via de radio slaat de volkswoede over naar de pemoeda’s in Malang en de bergdorpen. Riep en de twee kinderen krijgen nu van het groepje pemoeda’s bevel dat ze permanent binnenshuis moeten blijven. Ze mogen geen water meer uit de rivier halen. Gelukkig is de regentijd net begonnen, dat helpt, maar de honger wordt na enige tijd ondraaglijk.

Bang wachten Riep en de kinderen hun lot af.

En dan slaat ineens de vlam in de pan.

Ineke: „Wat ik weet heb ik van de heer Eliasar gehoord, onze Indonesische buurman, die allang is overleden. De pemoeda’s zijn met z’n zevenen de dorpen afgegaan. Broertje Clem was tegen het verbod in op straat toen ze kwamen. Hij werd naar ons huis meegesleurd en daar begonnen ze met hun kapmessen. Moeder is nog om hulp gaan roepen bij meneer Eliasar. Ze kwam met flinke kapwonden aan hoofd en nek bij hem, hij woonde vijf minuten verderop. Hij heeft haar zo goed het kon geholpen met de wonden en haar toen teruggestuurd naar huis. Ja, wat wil je, hij was doodsbang dat ze zijn gezin wat zouden aandoen. Indonesiërs die de blanken hielpen waren ook niet veilig! Moeder is in grote paniek zo goed en kwaad als het kon teruggestrompeld. Andere bewoners uit de buurt hebben mij later verteld dat mijn broertje Clem en Tineke Boogaard toen nog leefden, al waren ze al wel toegetakeld. Ze zijn in de schuilkelder gegooid die we achter het huis hadden gegraven en daar aan hun lot overgelaten. En zo doodgegaan. Niemand uit de omgeving durfde iets te doen. De pemoeda’s hebben in het huis alles kort en klein geslagen en het ten slotte in brand gestoken. Daarna gingen ze naar Ngadireso, waar de Engelenburgs woonden.’’

Het duurde lang voor Roos Engelenburg kon beschrijven wat daar gebeurde. Dit is de tekst die zij mij stuurde.

,,Wat er op de 29ste oktober 1945 zich heeft afgespeeld ben ik te weten gekomen door het verhaal van ons kindermeisje dat ik in 1991 in Ngadireso heb ontmoet.

Mijn moeder was op het moment dat de kinderen werden vermoord niet aanwezig. Ze was met ons kindermeisje de potten en pannen aan het wassen bij de bron (een goed kwartier lopen van ons huis).

Toen ze terugkwam zag ze wat er gebeurd was. Ons kindermeisje is heel hard weggerend en heeft zich een week schuilgehouden.

Daarna hebben ze mijn moeder vermoord.

Van mensen in ons dorp heb ik vernomen dat een van de moordenaars zich later van het leven heeft beroofd.

Enkele kilometers verder bij ons vandaan woonde een vrouw die wij Oma Deuning noemden. Zij is door haar pleegzoon vermoord.’’

Oma Van Deuning (63) werd niet getjingtjangd maar opgehangen. Misschien was dit bedoeld als een mildere dood.

De dodentocht is niet beperkt gebleven tot de veertien slachtoffers uit dit relaas. In totaal zijn door pemoeda’s in de boven elkaar gelegen bergdorpen Tumpang, Watesbelung, Ngadireso en Poncokusumo 39 mensen omgebracht, voornamelijk vrouwen en kinderen. De Oorlogsgravenstichting draaide de namenlijst keurig voor me uit toen ik de vier bergdorpjes noemde en vroeg wie daar in oktober 1945 waren omgekomen.

In 1948 groef de Opsporingsdienst Overledenen de lijken op, dankzij de aanwijzingen van Eliasar, die met zijn zoons 28 slachtoffers had begraven. Hij vond dat zijn christenplicht en hij heeft die daad duur moeten bekopen. Verdacht van ’antirepublikeinse gezindheid’ werd hij opgepakt en ruim drie maanden opgesloten in de kazerne te Toempang. Toen hij terugkeerde naar Watesbelung bleek zijn huis gerampokt.

Het staat keurig genoteerd in een politierapport uit 1948, toen Malang weer onder Nederlands gezag stond. Er werden toen ook enkele Indonesische getuigen gehoord, en in de politiedossiers staan verschillende lijstjes met namen van de mogelijke daders. Daaronder een zekere ’Bini – 40 jaar – sotoverkoper’. Arrestaties hebben niet plaatsgehad, het was te lang geleden.

De lichamen van alle 39 slachtoffers zijn in 1948 herbegraven op Kembang Kuning, waar zij nu al tientallen jaren bij elkaar liggen. Maar regels zijn regels en zo komt het dat ik op Kembang Kuning wel acht kinderen Engelenburg zag, maar niet hun twee moeders. Die liggen verderop, in het volwassenengedeelte. Riep Moormann, haar zoontje Clem en Tineke Boogaard liggen wel naast elkaar. Zij zijn de regels ontsnapt.

De Bersiap-tijd duurde van oktober 1945 tot maart 1946. In die korte tijd verdwenen op Java en de andere eilanden 20.000 Hollanders en Indische Nederlanders, merendeels vrouwen en kinderen. Slechts 4000 dode lichamen werden teruggevonden.

Deel dit artikel