Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dinosaurussen van de tweede feministische golf

Home

Marjan Agerbeek

Wat voor sommigen begin jaren tachtig het einde van de tweede feministische golf betekende, was voor anderen het hoogtepunt: de institutionalisering van het feminisme. Wat is er van al die organisaties terechtgekomen? Het maandblad 'Opzij' lijkt als enige te groeien en bloeien. Maar een groot deel van de lezeressen is niet feministisch meer.

Op de Nieuwe Herengracht in Amsterdam staat een van de 25 klassieke vrouwenhuizen die Nederland nog rijk is. Het is een goed onderhouden monumentaal pand, met een enorme tuin. Negen vrouwenorganisaties houden er kantoor, zoals de Steungroep arbeidsongeschikte vrouwen en de Stichting Vrouwen voor Vrede Amsterdam. Daarnaast worden zalen verhuurd voor vergaderingen en symposia. Er komen 17 000 bezoekers per jaar. Dat is heel wat minder dan in de hoogtijden van de tweede feministische golf in de jaren zeventig: toen kwamen er 10 000 bezoeksters per maand.

Mannen waren in die tijd niet welkom, maar dat is veranderd. Het Vrouwenhuis heeft sinds 1998 een mannentoilet. ,,Een mijlpaal', vertelt directeur Liesbeth Mostert. Het Vrouwenhuis wil af van het imago uit het verleden, toen radicale praatgroepen zoals Femsoc, Socfem en De Bonte Was elkaar in de haren vlogen en het beheer van het gebouw naar hun hand zetten. Het Vrouwenhuis wil een gewoon bedrijf zijn dat faciliteiten biedt aan organisaties die zich eet emancipatie bezighouden.

Maar dat is niet altijd eenvoudig. Mostert: ,,Laatst kwam er een vrouw binnen die direct doorliep naar mijn kantoor. Ze ging naast me zitten en vroeg: 'Hoe is het nu?' Het bleek dat ze in de jaren zeventig een paar maanden intensief het Vrouwenhuis had bezocht en nog steeds het gevoel had dat het een beetje van haar was. Zo zijn er allerlei verwachtingen. Dat de koffie een kwartje kost bijvoorbeeld. En ze hebben het idee dat ik nieuw ben, terwijl ik hier al 20 jaar werk. Die jaren zeventig-generatie is, hoe zal ik het zeggen, nogal op zichzelf gericht.'

Wat is er nog over van de vrouwenbeweging uit de jaren zeventig? Een snelle blik in de telefoongidsen van de vier grote steden en Nijmegen, Maas-tricht en Groningen leert dat er in acht plaatsen 109 vrouwengroepen, -instanties en -bedrijven zijn. Amsterdam heeft er met 34 de meeste, snel gevolgd door Utrecht, Rotterdam en Den Haag die ieder iets boven de twintig zitten. Ze bestaan dus nog in behoorlijke aantallen, de vrouwengezondheidscentra, de belangengroepen en de vrouwenopvanghuizen. Er zijn zelfs nog twee vrouwencafés: een in Amsterdam en een in Groningen.

Toch hebben deze dinosaurussen uit de jaren zeventig weinig van de levendigheid die velen zich uit die tijd herinneren. Er is sindsdien dan ook wel het een en ander gebeurd, zo beschrijft hoogleraar vrouwenstudies Joyce Outshoorn in het artikel 'Op zoek naar de vrouwenbeweging van de jaren negentig', dat deel uitmaakt van de bundel 'Emancipatie en subcultuur'. Veel feministische activiteiten zijn in de jaren tachtig geinstitutionaliseerd en geprofessionaliseerd. Er ontstonden provinciale emancipatiebureaus en landelijke steunpunten die zich, anders dan de actiegroepen waar zij uit voortkwamen, richtten op officiële politieke kanalen. Spandoeken en handtekeningenlijsten werden ingeruild voor symposia en lobbywerk.

In de jaren negentig zijn deze organisaties flink uitgedund. Omdat zij zich hadden overgegeven aan subsidiestromen waren ze gevoelig voor politiek ingrijpen. Fusie- en bezuinigingsoperaties, ingezet door de economische teruggang, gingen hen niet voorbij. Dat is goed te zien aan de Vrouwenagenda die het feministisch maandblad Opzij jaarlijks uitbrengt: de adressenlijst met vrouwenorganisaties is in de loop der jaren steeds korter geworden.

De vrouwenbeweging kreeg in die jaren nog meer te verduren. De Emancipatieraad, die bij de oprichting in 1981 werd gezien als de definitieve politieke erkenning van het feminisme, sneuvelde in 1997 net als veel andere adviesraden, als gevolg van de ontmanteling van het maatschappelijk middenveld. Daarvoor in de plaats kwam het expertisecentrum E-quality, dat landelijke vrouwenorganisaties en de overheid adviseert. Het centrum organiseert cursussen en congressen en brengt rapporten uit.

Veel van de landelijke organisaties hebben in de loop van de jaren negentig hun landelijke karakter verloren. Decentralisatie bij de rijksoverheid dwong hen zich te organiseren op lokaal niveau. Of ze verdwenen helemaal. De gelijkheidsideologie van Paars maakte korte metten met het zogeheten doelgroepenbeleid: de belangen van vrouwen en minderheden moesten voortaan in het algemene beleid een plaats krijgen. Mainstreaming heet dat in Haags jargon.

Wat bleef er over? Uit de telefoonboeksteekproef is op te maken dat ruim een kwart van de onder 'vrouwen' vermelde instellingen zich in algemene zin op vrouwen richt, zoals het Vrouwenhuis Amsterdam. Iets minder dan een kwart vormen de organisaties die zich met gezondheid en welzijn bezighouden, zoals het Vrouwengezondheidscentrum in Den Haag of de Stichting Vrouwenzelfhulporganisatie in Utrecht. Nog eens twintig procent van de instellingen is gericht op vluchtelingen- en migrantenvrouwen. Slechts tien procent houdt zich bezig met belangenbehartiging. Het Utrechtse Komité vrouwen in de bijstand en de Vrouwenrechtswinkel in Rotterdam zijn daar voorbeelden van.

De redactie van het maandblad Opzij trok dit voorjaar het land in om te bezien wat er nog over is van de vrouwenbeweging. Conclusie: er zijn enorme regionale verschillen. In Overijssel en Rotterdam trof Opzij een bloeiend vrouwenleven aan, terwijl in Tilburg de recentste emancipatienota uit 1992 stamt. Oorzaak van de verschillen is te vinden in het provinciaal en gemeentelijk beleid. De vrouwenbeweging blijkt alleen te kunnen floreren als er openbare bestuurders zijn met visie en geld om daaraan gestalte te geven.

Hoofdredactrice Cisca Dresselhuys van Opzij is niet verbaasd. ,,De betrokkenheid bij vrouwenonderwerpen is niet vanzelfsprekend meer. Dat is logisch, want er is al veel bereikt.' Maar op individueel niveau wordt nog steeds hard aan de vrouwenzaak gewerkt, aldus Dresselhuys. ,,Overal, ook op departementen, zitten geëmancipeerde vrouwen die hun goede werk doen. Ze bekleden hoge functies en hebben oog voor de positie van vrouwen.'

Opzij is een van de bekendste voorbeelden van geïnstitutionaliseerd feminisme. Het blad werd in 1972 opgericht door politica Hedy d'Ancona en de in 1998 overleden journaliste Wim Hora Adema. Tot 1981 draaide het op vrijwilligers, daarna was er geld voor een betaalde hoofdredactrice: Cisca Dresselhuys.

Anders dan veel andere instituten met wortels in de tweede feministische golf, gaat het Opzij goed. De oplage ligt rond de 80 000 en is de afgelopen jaren gestegen. Opzij slaagt er in nieuwe lezers aan zich te binden die niet direct in de vrouwenbeweging zijn geïnteresseerd, denkt Dresselhuys. ,,Men beschouwt Opzij nu als een algemeen opinieblad voor vrouwen. We trekken dan ook veel vrouwen tussen de 35 en 45 die de Elle en de Cosmo niet meer leuk vinden. Zij willen lezen over politiek én over carrière maken en dat vinden ze in Opzij.'

De samenstelling van het lezerspubliek blijkt uit het lezersonderzoek dat Opzij met regelmaat laat uitvoeren. In 1999 gaf de helft van de lezers aan Opzij niet speciaal vanwege het feminisme te lezen, maar omdat men het gewoon een goed blad vindt. Het aantal lezers dat bij verkiezingen altijd op een vrouw stemt is dan ook teruggelopen, van 72 procent in 1982 tot 66 procent in 1997. Opvallender nog is de teruggang van lezers die lid zijn van een of andere vrouwengroep. Dat percentage zakte van 34 tot 16 procent.

,,Het clubbladgevoel is er niet meer zo', concludeert Dresselhuys. ,,De vrouwen die Opzij lezen omdat ze ergens bij willen horen zijn er nog wel, maar ze vergrijzen, ze behoren tot de oudere generatie.'

Om een breed lezerspubliek aan te spreken heeft Opzij in 1974 al de ondertitel 'radikaal-feministisch maandblad' veranderd in 'feministisch maandblad'. Dresselhuys: ,,We hebben uitgezocht of we het woord 'feministisch' ook moesten schrappen. Maar toen bleek dat niemand zich eraan stoort, hebben we het laten staan. En dat moet zo blijven.'

Deel dit artikel