Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Diepten ondermijnden de kooi

Home

Léon Hanssen

Deelnemers aan de Dag van de Filosofie, zaterdag in Tilburg, bespreken het thema ’het rationele beest’. Vandaag: Léon Hanssen.

Onze cultuur heeft een dubbel gezicht. Enerzijds is zij geobsedeerd door idealen van rationaliteit en intellectualisme, anderzijds put zij haar krachten uit het diepst van haar onderbuik. Krachten die vaak vernietigend van karakter zijn en dus haaks staan op het ideaal van verlichting.

De Russische romanschrijver Fjodor M. Dostojevski greep in zijn ’Aantekeningen uit het ondergrondse’ (1864) naar het symbool van het Crystal Palace, het uit ijzer en glas opgetrokken hoofdpaviljoen van de wereldtentoonstelling van 1851 in Londen.

Voor de Rus stond dit Kristallen Paleis model voor de glazen kooi van de vooruitgang. De westerse mens was naar zijn mening volledig onbewust van de verschrikkelijke diepte van de wereld onder die kooi.

Hoe schitterend gezien van Dostojevski! Want kennen we niet allemaal zo’n glazen kooi, zo’n misleidend mooi symbool?

Ik ken er een uit eigen waarneming. Laat ik u meenemen naar een industriestadje in het verre zuiden van Nederland. Midden in deze plaats stond, vlak naast een oude romaanse kerk, een groot glazen gebouw met de naam ’Het Glaspaleis’. Doorzichtig als het was, lichtgevend zelfs, trok het de blikken van alle mensen naar zich toe.

De architect had in de vroege jaren dertig, de tijd van de grote depressie, een warenhuis geschapen dat niets minder was dan een gestapelde markt. Zes dunne betonnen vloeren dansten op kolommen in de vorm van paddestoelen. Daaromheen: heldere glaswanden in stalen kozijnen. Dankzij de pilaarconstructie waren ze schaduwloos geworden, vederlicht.

Van buitenaf was het mogelijk diep in het gebouw naar binnen te kijken: het personeel achter de toonbanken, het monsterende publiek, de uitgestalde waar, de etalagepoppen in gekke houdingen. Aan het warenhuis ontsteeg nog een penthouse van twee lagen, dat in al zijn frivoliteit de volmaaktheid bevestigde van het geheel. Het was een creatie als de opbouw van een trans-Atlantisch schip. Hier woonde, naar verluidt, de baas van het bedrijf, een handelaar in textiel. Bij mooi weer had hij uitzicht tot over de Duitse grens.

Het Glaspaleis, en trouwens heel het oppervlak van het stadje en de omliggende agrarische gebieden, was ondergraven door een labyrint van mijngangen. In zijn ontwerp had de architect daar rekening mee gehouden. Het gebouw deinde als het ware op een funderende grondplaat. De onderliggende laag drijfzand bood geen steun aan heipalen, nog minder het stelsel van mijngangen dat zich weer dááronder bevond.

Het mijnbedrijf bezat een onontkoombare aanwezigheid in de regio. Wat er bovengronds van te zien was, bleek van een huiveringwekkende lelijkheid. De gapende koeltorens, de raderende schachtbokken, de raamloze wasserijen, de desolate kolenbergen: ze spraken de taal van een oerangst, wanneer je er gevoelig voor was.

De mijn trok letterlijk een scheur in de wand.

In het ziekenhuis maakten de mijnwerkers een onuitwisbare indruk met hun silicosegehijg. Ellendig traag schuifelden de kompels naar hun wachtkamerstoel, om op het puntje daarvan onafgebroken naar adem te happen.

Vooruitgang eist zijn tol.

Het Glaspaleis en het mijnbedrijf spiegelden elkaar in vele opzichten. Toen het warenhuis in de jaren zestig verhuisde naar een splinternieuw winkelcentrum en het Glaspaleis verweesd achterliet, tekende het zijn eigen vonnis. Kort hierna kondigde minister van economische zaken Joop den Uyl de sluiting van de mijnen aan: de vooravond van grote economische en sociale malaise.

Het stralende Glaspaleis en de daarin gespiegelde duistere onderwereld van de mijnen zouden, nadat ik vanuit Zuid-Limburg in Amsterdam geschiedenis was gaan studeren, de leidraad van mijn visie op cultuurgeschiedenis gaan vormen. In een aantal studies kwam ik tot de conclusie dat de vooruitgang van onze cultuur zich slechts heeft laten realiseren ten koste van veel wrok, melancholie en maskerade. Het is waar: onder de glazen kooi bevindt zich een huiveringwekkende diepte.

In een glazen kooi zijn mensen volledig controleerbaar. De moderne democratie vraagt haar burgers voortdurend zich aan te passen en kameleongedrag te vertonen. Pas dàn ontstaat er ruimte iets van je eigen ik te redden. De januskop van de moderniteit dwong me tot het introduceren van een culturele spelnotie, waarin de twee gezichten afzonderlijk zichtbaar zijn en tegelijk met elkaar inwisselbaar worden: de verlichte stolp van het Glaspaleis en het duistere gat van de mijn.

In mijn portefeuille bewaar ik twee historische foto’s van mijn grootvaders, die me bij tijd en wijle tot inspiratie dienen. Mijn opa van vaderskant is te zien als de opzichter van een zogenaamde ‘lampenboet’, het magazijn met carbidlampen waarmee de mijnwerkers de mijn afdaalden. De andere grootvader poseert als de chauffeur van een antieke vrachtwagen met massief rubberen banden. Waar mogelijk in Nederland werkte hij mee aan de aanleg van bruggen, polders en dijken. Deze mensen droegen bij aan de voltrekking van het dagelijks herhaalde, collectieve wilsbesluit om Nederland deel te laten hebben aan de vooruitgang. We moeten optimistisch durven zijn, zo vat ik hun opdracht samen: het symbool van het Glaspaleis dient te worden gekoesterd. Maar zoals ik hen kende, wisten zij van de verschrikkelijke diepte onder de kooi.

Dr. Léon Hanssen is senior onderzoeker bij de faculteit geesteswetenschappen van de Universiteit van Tilburg. Onlangs verscheen zijn ’Een misverstand om in te geloven. De poëzie van M. Vasalis’ (Athenaeum-Polak & Van Gennep).

Deel dit artikel