Dichtende despoten

home

MENNO WIGMAN

Nu eens een gedicht, dan weer grof geweld. Hoe goed is de poëzie van tirannen eigenlijk?

NB: Onderstaand essay is ingetrokken door Menno Wigman. Het gedicht dat het uitgangspunt vormde voor het essay is waarschijnlijk abusievelijk aan Adolf Hitler toegeschreven. Zie hier voor meer uitleg.

Het is geen heilig gedicht. Het is ook geen verdorven gedicht. De titel heeft zonder twijfel iets belerends, maar verder is het hiernaast afgedrukte 'Denk daaraan!' een tamelijk onschuldig en inwisselbaar gedicht zoals er in de twintigste eeuw talloze zijn geschreven.

Het opent met een beeld waarbij elk wezen met een hart zich wel iets kan voorstellen: 'Als je moeder oud is geworden / en jij ook wat ouder bent'. Natuurlijk, allicht, ooit komt de dag waarop je moeder oud zal zijn en waarop alles wat haar vroeger zo licht afging nu een opgave is geworden. Haar 'lieve, trouwe ogen' kijken niet meer als vroeger de wereld in en haar 'moe geworden' voeten kunnen haar amper nog dragen. Als die dag eenmaal is aangebroken, stelt de dichter, reik je moeder dan een arm 'en leid haar met blij gemoed - / want het uur komt, dat je huilend / haar voor 't laatst begeleiden moet!'

Duidelijk. Punt gemaakt. Toch twijfelde de dichter of zijn woorden wel genoeg poëtische boorkracht hadden. Dus voegde hij voor alle zekerheid nog eens acht regels aan zijn 'Muttigedicht' toe:

Vraagt ze iets, geef dan ook antwoord,

vraagt ze nog iets, word niet moe!

Vraagt ze nog wat, spreek haar

niet te ruw, maar rustig toe!

Kan zij niet meer alles volgen,

leg dan alles uit, bedaagd;

want het bittere uur zal komen

dat haar mond je niets meer vraagt!

Het is, ik zei het al, een gedicht uit duizenden. Misschien heeft al die moederliefde iets dwangmatigs, misschien krijgen de vermaningen gaandeweg iets drammerigs, maar dit hadden de woorden van zo'n beetje elke zoon in Europa kunnen zijn.

Ze zijn van Adolf Hitler. Verbeeld ik het me of viel die slagregen van uitroeptekens me al eerder op? Hitler schreef zijn gedicht in 1923, maar liefst zestien jaar na de dood van zijn door ziektes geplaagde moeder. Als jonge knaap al droeg hij dag in dag uit een portret van zijn moeder in zijn binnenzak.

Het kan haast niet anders of we bekijken dit gedicht nu met een wat ongemakkelijke blik. En wie weet ook met een zekere bevreemding: hoe kan een man die zo godsgruwelijk op dit continent heeft huisgehouden zulke 'roerende' woorden aan zijn Mutti hebben gewijd? Doorvoelde hij ook hij wat hij schreef? En kwam al die onvoorwaardelijke moederliefde misschien niet voort uit de gedachte dat uitgerekend zij degene was die het leven aan de latere Führer van het Derde Rijk heeft geschonken?

Lastige vragen. Nog lastiger wordt het als blijkt dat Hitler lang niet de enige despoot was die zich wel eens aan poëzie heeft overgegeven. Sterker: in 'Bloemen van het kwaad' brengt Paul Damen poëzie van maar liefst dertig dichtende dictators bijeen. Daaronder

heel wat bloedbeladen namen. We lezen poëzie van keizer Nero, van Dzjengis Khan, van Ivan de Verschrikkelijke, Napoleon, Stalin en Hitler. Noemde de schrijver van 'Mein Kampf' zich in zijn paspoort onveranderlijk 'Schriftsteller' (schrijver), ook Mussolini droomde in zijn jeugd van een leven in de letteren. Zelfs Nicolae Ceausescu, Pol Pot, Idi Amin, Ruhollah Khomeini, Saddam Hoessein en Moeammar Kadhafi voeren in dit boek nog één keer het hoogste woord. Aan het eind van de bundel treffen we een handvol bizarre, bloedzuchtige gedichten van Karadzic aan, de enige nog levende bloedjas van dit addergebroed.

Allemaal dichters dus - al was het maar voor de duur van één enkel gedicht. "De ene dag een gedicht, de andere genocide", stelt Damen laconiek. Het is nog waar ook. Maar waarom gaven al die despoten zich in hemelsnaam aan de dichtkunst over?

Misschien is het niet eens zo vreemd om het hier even over de herkomst van het woord 'dichten' te hebben. Dat stamt namelijk af van het Latijnse dictare: 'met nadruk zeggen' alsook 'opstellen' of 'voorschrijven'. En geloof het of niet, zowel 'dichter' als 'dictator' stammen van hetzelfde Latijnse woord: 'zeggen waar het op staat' of 'met het woord dwingen'. Anders dan we zouden kunnen denken werd poëzie in de Oudheid vaak gezien als een vorm van politiek bedrijven. Hoogstwaarschijnlijk waren de allereerste dichters priesters die magische spreuken uitten om de werkelijkheid te bezweren en de dingen naar hun hand te zetten.

Met deze kennis begrijpen we misschien ook beter waarom Charles Baudelaire halverwege de negentiende eeuw beweerde: "Grootheid onder de mensen valt alleen aan te treffen bij de dichter, de priester en de soldaat. De man die bezingt, de man die zegent, de man die offert en zichzelf opoffert. De rest is geboren voor de zweep."

Nu zullen we Baudelaire niet, nooit afvallen - le prince des poètes leverde zelfs de titel voor dit boek - maar de hamvraag blijft natuurlijk: zijn al deze dictators ook goede dichters? Hebben al die levens van ongekende weelde en volstrekte willekeur sommige potentaten daadwerkelijk tot grote poëtische hoogten opgezweept?

De eerste tekst die mij trof lijkt pure hekserij. Hij is van de hand van Erzsebet Bathory (1560-1614), de Hongaarse 'bloedgravin' die op haar kasteel ruim zevenhonderd jonge meisjes naar een andere wereld heeft geholpen:

Zegen, God, zegen, God, Erzsébet Báthory met

een goede gezondheid.

Wolkje, stuur, stuur dan negenennegentig katten,

dit vraag ik u, want u bent de heer der katten,

dat u erheen gaat en hen beveelt zich te verzamelen,

vanwaar ze ook afkomstig zijn, zelfs van achter de bergen,

achter de zeeën en de wateren daar nog achter,

om te komen, deze negenennegentig katten, en dan er snel

op uit te gaan

om het hart van koning Matthias eruit te bijten,

en het hart van de paltsgraaf, net zoals ook het hart

van Mozes Cziraky,

en laat hen ook het hart van Megyeri de Rode

aan stukken scheuren,

zodat Erzsébet Báthory geen haar gekrenkt wordt!

Heilige Drie-eenheid, voer dit uit!

Geen gedicht dus, maar wel een heuse toverspreuk. De waanzin druipt ervan af en je zou haast denken dat die 'negenennegentig katten' de door en door geperverteerde gravin ook echt hebben bijgestaan. Volgens de overlevering droeg Bathory deze bezwering altijd bij zich en kwam de tekst pas boven water tijdens een grootscheeps proces vanwege haar krankzinnige moordpraktijken. Een ander geschrift heeft de bloedgravin niet nagelaten.

Nog een tekst die mij trof. Hij werd op 28 april 1945 in de portefeuille van Benito Mussolini aangetroffen, nadat hij samen met zijn maîtresse Clara Petacci op zijn kop was opgehangen. Misschien, dat zou best eens kunnen, is het slechts de aanzet tot een gedicht. Toch weten deze laatste woorden van Mussolini me ergens te raken:

Variaties

voor Clara Petacci

zo, als een wolk,

zo wil ik een ochtend

plotseling ontwaken

vederlicht wakker worden

bevrijd van de metaalslakken

van het materiële

me vlakbij voelend

bij alles wat lief is,

de geest bevrijd

op weg naar onsterfelijke oevers.

En toch: Petrarca zou het galanter hebben verwoord en wellicht kleuren die gruwelijke beelden van een als een varken bungelende Mussolini mijn waardering voor dit gedicht.

Iemand die zeker niet onverdienstelijk dichtte was Elisabeth I (1536-1603), de dochter van Henry VIII. 'When I Was Fair and Young' heet haar sterkste gedicht.

Toen ik nog jong en knap was, bleef geluk mij trouw;

er waren velen die mij wilden als hun vrouw,

zet ze haar klaagzang in. En ze eindigt met de verzuchting dat ze wellicht beter af was geweest als ze die stoet mannen die naar haar machtige hand dongen niet had afgewezen.

Dat Elisabeth I een diepe drang tot dichten had blijkt alleen al toen ze als jeune fille zonder pen en papier in Woodstock onder huisarrest was gesteld: één gedicht kraste ze met een diamanten ring in het raam, het andere schreef ze met houtskool op de muur. Quelle tristesse.

Van alle despoten lijkt Sultan Suleyman de Grote (1494-1566) het diepst door de liefde geraakt. De tiende sultan van het Ottomaanse rijk verloor zijn hart aan een wonderschone slavin, Roxanna, en liet voor haar zelfs zijn harem in de steek.

Toen zij overleed schreef Suleyman hartverscheurende gedichten die volgens Damen nog altijd door Turkse meisjes worden geciteerd:

De dag maakte u licht, de zon ging op na uw bevel.

De dag werd donker - u versierde die met sterren.

U combineerde doorns en rozen in uw rozentuin,

liet nachtegalen zingen tot 's morgens vroeg.

In een van de vele vlotte en aanstekelijk geschreven levensbeschrijvingen citeert Damen en passant een gedicht van de grootvader van de Japanse keizer Hirohito. Hoe beknopt ook, het lijkt me een van de sterkste gedichten uit dit bloedige boekwerk:

De zee omringt de wereld, overal zijn wij broeders.

Waarom gaan de wind en de golven dan zo wild tekeer?

Maar ik dwaal af. Bracht de 'goddelijke razernij' van al deze despoten nu wel of geen onvergetelijke poëzie voort? Stelde hun absolute macht over het woord al die alleenheersers ook in staat wereldpoëzie te schrijven?

Ik twijfel. De indringendste poëzie schuilt toch vooral in al die biologerende levens. Dat die stuk voor stuk gloedvol door Damen zijn beschreven valt niet genoeg te prijzen. Damen heeft een titanenwerk verricht en nergens anders ter wereld zult u een boek als dit aantreffen.

Laten we nog één keer teruggaan naar dat merkwaardige moedergedicht van Adolf Hitler. Het is een onmachtige rijmbal, niet meer, niet minder, en het kwam als zoveel jeugdzonden ganz einfach uit een opwelling voort.

En zoals Hitler ooit een gedicht over zijn moeder heeft geschreven, zo wijdde een 16-jarige Stalin ooit een dodelijk ernstig maar al net zo onbeduidend gedicht aan de maan. Hoe graag ik het ook anders had gezien, als deze van bloed vergeven bloemlezing iets duidelijk maakt is het dat een beetje dictator toch echt iets beters heeft te doen dan gedichten schrijven.

Dit is Menno Wigmans woord vooraf van de door Paul Damen samengestelde bundel 'Bloemen van het kwaad', die volgende week verschijnt (Koppernik, 436 blz., euro 19,90)

Menno Wigman (1966) is dichter, vertaler en essayist en voormalig stadsdichter van Amsterdam. Voor zijn bundel 'Zwart als kaviaar' kreeg hij in 2002 de Jan Campertprijs.

Denk daaraan!

Als je moeder oud geworden

en jij ook wat ouder bent,

als wat vroeger haar licht afging

nu tot last zich heeft bekend,

als haar lieve, trouwe ogen

niet meer kijken als voorheen,

als haar voeten, moe geworden,

niet meer dragen, steen en been,

steun haar dan met beide armen

en leid haar met blij gemoed -

want het uur komt, dat je huilend

haar voor 't laatst begeleiden moet!

Vraagt ze iets, geef dan ook antwoord

vraagt ze nog iets, word niet moe!

Vraagt ze nog wat, spreek haar

niet te ruw, maar rustig toe!

Kan zij niet meer alles volgen,

leg dan alles uit, bedaagd;

want het bittere uur zal komen

dat haar mond je niets meer vraagt!

Uit: Bloemen van het kwaad Vertaling Paul Damen

Trouw.nl is vernieuwd. Ter kennismaking mag u nu gratis onze artikelen lezen.

Deel dit artikel

Advertentie