Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De witte pispot die de massa scheidde van de kunstwereld

Home

Henny de Lange

Aan het begin van het nieuwe jaar belicht Trouw werken die een culturele omslag hebben ingeluid. Nu: Het urinoir van Marcel Duchamp.

Een belediging. Als dit kunst moet zijn... De organisatoren van een groepstentoonstelling in 1917 in New York voelden zich niet serieus genomen, toen ze de inzending zagen van de Franse kunstenaar Marcel Duchamp (1887-1968): een urinoir op een sokkel, getiteld ’Fountain’ en gesigneerd met R. Mutt.

De organisatie weigerde de pisbak; dit object was ’by no definition a work of art’. Maar Duchamp liet zich niet uit het veld slaan. In een tijdschrift legde hij uit dat het er niet toe deed of meneer Mutt Fountain met zijn eigen handen had gemaakt. Ieder alledaags voorwerp kan een kunstwerk worden, betoogde hij, als de kunstenaar zegt dat het kunst is en als dusdanig presenteert: op een sokkel of in een lijst, gesigneerd en gedateerd. Met zijn urinoir wilde Duchamp een discussie losmaken over de vraag wanneer iets kunst is.

Wat niemand voor mogelijk hield – Duchamp waarschijnlijk ook niet – gebeurde: de pispot werd wereldberoemd. En Duchamp ging de boeken in als de grondlegger van de conceptuele kunst, een stroming die het concept (idee) achter een kunstwerk belangrijker vindt dan de uitvoering.

Een conceptueel kunstwerk hoeft niet mooi te zijn, het hoeft niet eens tastbaar te zijn. Het kan zelfs gebakken lucht zijn, demonstreerde Saskia Korsten in 2004 in een vinexwijk in aanbouw in Zwolle. Van de commissie beeldende kunst had ze opdracht gekregen een kunstwerk te maken voor deze nieuwe wijk. Het zou door een Italiaanse kunstenaar worden gemaakt in een tent die voor de buitenwereld afgesloten was.

Toen de bewoners mochten komen kijken, zagen ze niets. Totdat een bandje ging lopen met daarop de stem van de Italiaanse ’kunstenaar’ die de verbijsterde bewoners voorhield dat kunst misschien ook wel de kunst van het weglaten is. ’Tot de essentie van het niets overblijft’.

Dat conceptuele kunst nooit echt aangeslagen is bij het grote publiek, zal duidelijk zijn. In de kunstwereld leidden de ideeën van Duchamp echter tot een ommekeer en een nieuwe definitie van kunst. Nederland maakte in 1971 voor het eerst uitgebreid kennis met conceptuele kunst op de tentoonstelling ’Sonsbeek buiten de perken’ in Arnhem. Alles was er daar aan gedaan om het publiek niet te behagen, want schoonheid was taboe voor conceptuele kunstenaars, die wilden breken met de traditionele beeldende kunst. Hun werk was vooral bedoeld om te provoceren en de kunst te veranderen. Belangrijke Nederlandse exponenten van deze stroming zijn Jan Dibbets en Ger van Elk, die er nooit een geheim van hebben gemaakt dat het publiek hen koud laat.

Dat alles tot kunst bestempeld kon worden, leidde onder meer tot de opkomst van performances en installaties. Christo maakte furore met het inpakken van grote gebouwen. In de musea kwam je zelfs vuilnis tegen als kunst. Een bekend voorbeeld is de bak met ziekenhuisafval van Damien Hirst, getiteld ’Waste’, die in 1998 werd aangekocht door het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Dezelfde kunstenaar liet een menselijke schedel bedekken met duizenden diamanten om die als kunstwerk te verkopen voor 75 miljoen euro. Twee jaar geleden werd deze schedel, ’For the Love of God’, geëxposeerd in het Rijksmuseum in Amsterdam, wat niet iedereen begreep. Ging het museum niet te veel op de sensatietoer? Volgens directeur Wim Pijbes paste de schedel juist goed in het Rijksmuseum met zijn oude meesters, die in hun vanitasschilderijen schedels afbeeldden als symbool voor sterfelijkheid en angst voor de dood.

Massa’s mensen kwamen naar de schedel kijken, wat nogal uitzonderlijk is bij conceptuele kunst. Meestal wordt deze kunstvorm door het grote publiek gezien als elitair en ondoorgrondelijk. Dat bleek onlangs toen het Museum Kröller-Müller voor 175.000 euro ’La Pièce’ aankocht: een piepklein witgeverfd blokje hout op een rood fluwelen kussen. Dit werk van Ger van Elk geldt als een icoon van de conceptuele kunst.

Van Elk maakte dit provocerende werkje in 1971 op een schip, waarmee hij naar de meest stofvrije plek van de oceaan was gevaren, bij Groenland. Het was bedoeld als commentaar op de hang naar schoonheid en perfectie en op de megalomane kunstwerken die in de land art ontstonden. Trouw maakte melding van de aankoop. „Als dit blokje hout kunst is, ga ik ook wat knutselen, met een mooi verhaal erbij”, smaalde een lezer. Een reactie die illustratief is voor de kloof die is geslagen tussen de massa en de kunstwereld, sinds Duchamp een pisbak tot kunst bestempelde.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel