Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De wiskunde bleef altijd roepen

Home

Edwin Kreulen

Of het nou om meetkunde, schaken of tennis ging: Hans Duistermaat wilde altijd grondig weten hoe iets in elkaar stak.

Een Keltisch waggelschuitje wordt het ook wel genoemd: het langwerpige stuk glas, rond van onder, dat je slechts één kant op kunt draaien. Als je de andere kant probeert, gaat de steen na een paar rondjes toch weer die ene kant op.

Toen Hans Duistermaat van deze steen hoorde, wilde de Utrechtse wiskundige dit verschijnsel meteen onderzoeken. Hij ontdekte dat veel wetenschappers zich al uitgebreid hadden gebogen over de wichelsteen, en het proces ook mathematisch hadden vastgelegd.

Duistermaat vond hun uitleg onbevredigend. Hij sloeg aan het denken en het rekenen. Hij produceerde vellen vol vergelijkingen en ja hoor, uiteindelijk kon hij de wereld vertellen dat het toch allemaal net even iets anders zat.

Hans Duistermaat kon zichzelf ergens in vastbijten. Afleiding, daar hield hij dan niet van. Emailberichten die binnenfloepten waren hem een gruwel: die wilde hij serieus en onderbouwd beantwoorden.

Duistermaat werd geboren middenin de oorlog in Den Haag. Als hij later een vliegtuig hoorde overkomen, dacht hij nog vaak aan de voedseldroppings na de bevrijding. Lang bleef het gezin niet in Den Haag: vader Duistermaat vond een baan in Nederlands-Indië. Hij zou daar later in dienst van de Nederlandse Handelsmaatschappij – een voorloper van de ABN – de administratie controleren van diverse ondernemingen

Het gezin reisde hem achterna en Hans kon er direct naar school, terwijl hij nog geen zes jaar oud was. Hij zou zijn hele leven een vroege leerling blijven: overal de jongste van de klas. Hij begon zijn schooltijd in Jakarta onder de banken, waar hij met het zand kon spelen. Maar al snel zat hij op die banken. Want leergierig, dat was Hans Duistermaat. Of het nou ging om talen, om aardrijkskunde, rekenen of geschiedenis.

Niet dat Hans school leuk vond. Je moest er altijd leren wat de onderwijzer zei. Nu zouden ze zo’n leerling waarschijnlijk hoogbegaafd noemen. Hij was het niet over de hele linie: hij bezat maar weinig muzikaal talent, gym en tekenen waren ook niet aan hem besteed. Popfeitjes en Bekende Nederlanders zouden later tijdens het kennisspel Triviant een hinderpaal voor hem worden.

Vriendjes had Hans wel, maar zijn interesse lag in de boeken. Ook hier speelde wellicht mee dat alle andere kinderen ouder waren. Hans ging als een speer door de lesstof. Doordat Nederlanders vanaf eind 1957 teruggestuurd werden door Soekarno en de scholen in Indonesië daardoor niet meer functioneerden moest hij zijn middelbare school afmaken in Vlaardingen, met zijn broer wonend bij een oom en tante in Schiedam; zijn zus ging naar familie in Amsterdam. Een jaar later kwamen zijn ouders hen achterna. Zijn vader was werkloos geworden en vond na een tijd een baan bij Werkspoor in Utrecht. Ze streken uiteindelijk neer in Den Dolder.

Voor Hans ging de wereld pas echt open toen hij, kort voor zijn zeventiende verjaardag, begon aan de studie wiskunde (en ook nog natuurkunde erbij, zoals toen gebruikelijk was) aan de Utrechtse universiteit. Daar werd het tenminste gewaardeerd als je van zaken echt het naadje van de kous wilde weten. Een van zijn leermeesters werd de wiskundige Hans Freudenthal, naar wie nog steeds het instituut vernoemd is dat zich inzet voor toegankelijk rekenonderwijs. Ironisch genoeg waren de syllabi die Freudenthal schreef voor zijn eigen studenten behoorlijk ingewikkeld. Des te meer plezier had Hans Duistermaat er in.

Het was de tijd van de studenten in stropdas die ook elkaar nog met ’u’ aanspraken, en lid werden van het studentencorps. Duistermaat onderging de ontgroening, maar hield het er niet langer dan een half jaar uit. Hij hield niet van alcohol en die late feestjes dreigden hem af te leiden van zijn studie. Hij bleef wel trouw komen op zijn jaarclub van het corps. Vorig jaar vierden ze hun vijftigjarig bestaan, iedereen leefde toen nog.

Duistermaat rondde de studie, waarvoor zeven jaar stond, in vijf jaar af en schreef in straf tempo een proefschrift. Even had het er nog naar uitgezien dat hij verloren zou gaan voor de wiskunde. Als kind was hij begonnen met schaken; zo rond zijn negende verjaardag versloeg hij voor het eerst zijn vader – die daar niet blij mee was – en nadat hij op zijn zestiende lid was geworden van de Schaakclub Utrecht overwoog hij prof te worden.

De zenuwen speelden hem parten. Hij wilde ook het schaakspel perfect uitvoeren en kon het niet hebben als hij achteraf moest concluderen dat hij voor een foute zet had gekozen. In 1977 zou hij een uitzonderlijke prestatie leveren, toen Anatoli Karpov simultaan kwam spelen: tegen tien schakers tegelijk. Negen clubleden verloren, Duistermaat wist de grote Russische schaker op remise te houden.

Het ging Duistermaat niet om het winnen. Hij wilde alles analyseren en kijken waar het beter had gekund, een houding die hij ook toepaste op de tennissport. „Ik had nog meer gebruik kunnen maken van de korte bal”, wist hij zich maanden na een verloren partij te herinneren.

Een kei werd hij nooit. Dat heb je als je laat begint, en vooral als je vrouw het ook doet. Duistermaat had haar ontmoet op zijn promotiefeest in 1968. Verpleegkundige Saskia, de dochter van een kunstschilder en animatietekenaar uit Bilthoven – hij werkte onder meer mee aan Loeki tussen de reclame door – viel meteen voor de bevlogenheid van Hans. Voor hoe hij zich niet liet afleiden, bijna geëmotioneerd een gesprek volhield. En er vaak weer op terugkwam, waarbij vervolgens bleek dat hij er flink over had doorgedacht.

Ze trouwden al snel en gingen wonen in Odijk, tien kilometer fietsen van de Utrechtse universiteit waar Hans na een intermezzo als lector in Nijmegen in 1974 hoogleraar werd. Dat gaf hen de mogelijkheid om een paar jaar later met hun eerste dochter Kim een prachtig huis aan de rand van het dorp te betrekken, waar ze altijd zouden blijven wonen. Daar werd Maaike geboren, hun tweede dochter.

Vader Duistermaat vond het heerlijk om met zijn dochters actief te zijn, zoals voetballen in de tuin. Maar de wiskunde bleef roepen. Soms kon het gebeuren dat zijn dochter de hele middag een vriendinnetje te spelen had, dat bij het weggaan ook Hans groette, en dat hij dan opkeek: ’was jij hier dan?’ Zoals hij ook een uur gezellig kon zijn op verjaardagsfeestjes, om dan af te dwalen: weer een wiskundig probleem oplossen. Juist in zo’n omgeving ging het plotseling stromen: als ik nou eens díe kant op denk...

Hans Duistermaat was onder de wiskundigen een grote jongen geworden. Vooral zijn gave om op de meest onverwachte plekken te bedenken dat juist de meetkunde van pas kon komen, onderscheidde hem van zijn collega’s.

Toen hij een voordracht hield en zijn latere promovendus Johan Kolk na afloop op hem toestapte en suggereerde ’in een bepaald bijzonder geval zou wat u net zei weleens beter kunnen uitpakken’ antwoordde hij direct ’maar ik ben nu niet geïnteresseerd in speciale gevallen’.

Ook dat was niet arrogant bedoeld en beiden zouden later een dikke band krijgen, collegiaal en vriendschappelijk.

Omdat Duistermaat graag dingen bleef uitleggen, vooral als mensen iets niet begrepen, was hij een geziene docent. Maar voor universitair bestuurswerk was hij ongeschikt. Hij wilde tot het laatst toe alles bespreken, terwijl een bestuurder knopen moet doorhakken. Toen hij al een internationale wetenschappelijke bekendheid was, vroegen collega’s in tijden van dreigende bezuinigingen ’kun jij nou niet eens naar de rector stappen?’ Tevergeefs. Toen hij drie jaar geleden een lintje kreeg, greep hij wel de gelegenheid aan om het kabinet op te roepen jonge onderzoekers niet te laten zwemmen van de ene tijdelijke aanstelling in de andere.

De leeftijd van 65 was voor Duistermaat dé kans om gewoon door te blijven werken, zonder alle bestuurlijke eisen die het hoogleraarschap stelt. Eerst nog een jaar als Akademiehoogleraar – een post voor zwaargewichten die hij vier jaar daarvoor had gekregen – en daarna zonder dienstverband.

Duistermaat bleef doorschaatsen, tennissen en skiën. Vorig jaar hoorde hij dat hij leed aan lymfeklierkanker, maar dan de indolente (niet agressieve) vorm. Een schok, maar het leven ging gewoon verder. Tot hij na de jaarwisseling in het Egyptische Caïro – waar zijn oudste dochter woont en inmiddels ook zijn eerste kleinkind – terugkwam met pijn in zijn been. Het voorvoegsel ’indolent’ was verdwenen. Nog steeds geen paniek, zei de dokter, met een chemokuur is het goed te behandelen.

Begin maart werd Hans Duistermaat opgenomen in het Diaconessenziekenhuis in Utrecht. De chemokuur verzwakte hem en daar kwam een longontsteking overheen, maar het leek te behandelen. Voor het eerst van zijn leven had hij geen zin meer in wiskunde. Lezen bleef hij wel doen: het eerste deel van de Millenniumtrilogie van Stieg Larsson en het door zijn oudere broer meegebrachte Café Mogadishu van Robbert van Lanschot, de tocht door islamitisch Nederland.

In de avond van 18 maart nam zijn vrouw Saskia afscheid van Hans Duistermaat. ’Tot morgen’, zei hij.

Lees verder na de advertentie
(Trouw)

Deel dit artikel