Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De warmte van schrijver Maarten Biesheuvel / Een gelukkige dag

Home

Onno Blom

Schrijver Maarten Biesheuvel woont in dezelfde wijk in Leiden als journalist Onno Blom destijds. De winnaar van de P.C. Hooftprijs zet daar zijn angsten om in briljante korte verhalen.

Maarten Biesheuvel was de eerste schrijver die ik in levende lijve ontmoette. Het achterneefje van Tsjechov woonde met zijn lieve vrouw Eva – die een ongelukkig armpje had en zo krom liep als een hoepel – in een houten huisje om de hoek bij mijn ouders in de Leidse professorenwijk. ’Sunny Home’ heette dat huisje. Een uitstekende naam, omdat het geheel aan het zicht onttrokken was door hoge, ongesnoeide ligusters en bomen en er daarom in de woonkamer geen streep licht naar binnen viel. Al snel kwam ik erachter dat het óók een mooie naam was omdat de schrijver meestal een weinig zonnige kijk op het leven had.

Biesheuvel kon naar verluidt dagenlang in zijn bed blijven liggen omdat hij dacht dat de hemel naar beneden zou komen vallen of, erger nog, dat er helemaal geen hemel bestond en dat de stad Leiden, het houten huisje, Eva, hun twintig poezen en het hondje Kippie – dat ervan hield om de katten van achteren te bestijgen - allemaal verzonnen waren en dat hij verdwaald was in het doolhof van een gruwelijk verhaal. ,,Ik bedoel’’, zo schreef hij in De angstkunstenaar, ,,de angst van het niet meer begrijpen, van het niets meer begrijpen, de angst de zwaartekracht haar geheim te ontfutselen, te snappen wat een bureaublad is, wat een speldenknop en wat wroeging, schuld en pijn. Is er wel iets, zijn wij niet allen gedroomd of misschien iemands herinnering?’’

Toch was angst niet het eerste waar je aan dacht als je Biesheuvel met zijn hondje door de straat zag lopen. Integendeel. Hij wekte meestal een zeer vrolijke, vaak zelfs opgewonden indruk. Zijn ogen twinkelden vriendelijk achter zijn brillenglazen en zijn haar wapperde vrolijk alle kanten op of stond recht overeind als een hanenkam. Hij zag er zelfs niet tegenop om, als mijn moeder een beetje zat te soezen in de tuin, keihard ’boe!’ te roepen door een gat in de heg. ,,Ik ben niet meer somber!’’ riep hij mijn moeder dan vrolijk na, terwijl die uit alle macht probeerde haar hartritme weer onder controle te krijgen.

Bij mijn schoolvriendjes had Biesheuvel een zekere vermaardheid. Als hij in een vrolijke bui was kon er eigenlijk alles gebeuren. Hij kon op straat uitbarsten in een lied van Schumann of voorover op de motorkap van een auto gaan liggen om te horen ’of de cylinders het nog wel deden’. Op een dag waren wij de schrijver op straat tegengekomen. Hij vroeg ons met zijn typerende harde, nasale stem en negentiende-eeuwse plechtstatigheid of wij soms zin hadden in ’een glas ranja’. Dat lieten we ons geen twee keer zeggen. Wij hadden namelijk gehoord dat de schrijver en zijn vrouw een geit hadden, die in de woonkamer zou wonen. ,,Kom maar mee, dan stel ik jullie aan haar voor,’’ zei Biesheuvel.

Inderdaad stond midden in de kamer van Sunny Home een geit. ,,Nou, Nellie’’, mopperde de schrijver tegen het dier, ,,heb je nu al weer in de kamer gepoept*nu, ja, eerst de ranja.’’ Biesheuvel verliet de kamer en kwam na een daverend geraas en gerinkel uit de keuken terug met een paar glazen met roodachtig vocht waar hele vieze vlokken in dreven. ’Proost, jongens!’ Met één teug sloeg hij het glas achterover.

Daarna vervolgde hij onmiddellijk: ,,Willen jullie misschien mijn kamertje zien?’’ Trots wees hij op de enorme webben en draden die boven de trap in slierten naar beneden hingen – ’mooi gemaakt hè?’ - en ging een deur door. In het kleine kamertje stond een kleine tafel vol papieren, boeken, spulletjes en memorabilia en op de houten wand waren foto’s en krantenknipsels met punaises vastgeprikt – allemaal zaken waar hij over had geschreven in het prachtige Reis door mijn kamer. ,,In mijn kamer lijkt het een grote rommel, maar ik handhaaf er een ijzeren orde’’, zei Biesheuvel. ,,Dit tasje is nog van mijn moeder geweest. Sic omnis res habet suam historiam. Jullie zitten toch op het gymnasium? Nou dan.’’

,,Meneer’’, zei mijn ene vriendje bedeesd, ,,schrijft u hier nu uw boeken?’’ ,,Welnéé’, loog Biesheuvel. ,,Daar heb ik toch iemand voor.’’ ,,Wie dan, meneer?’’ ,,Nou, jongelui, dan moeten jullie weer mee naar beneden. Als jullie op de bank gaan zitten en jullie kijken van daaruit stilletjes naar de tafel, misschien waagt hij zich dan heel even onder de lamp.’’ Wij gingen beneden stilletjes op de bank zitten en keken naar de tafel, maar er gebeurde niets. ,,Dáár!’’ riep Biesheuvel plotseling. ,,Zien jullie hem dan niet?’’ Hij raakte helemaal opgewonden. ,,Daar was het kleine mannetje even, die mijn verhalen tikt als ik er niet meer uitkom!’’ De schrijver bulderde van het lachen.

,,Meneer’’, zei mijn andere vriendje, ,,mag ik wellicht even van uw toilet gebruik maken?’’ ,,Dat hebben wij hier niet’’, sprak de schrijver ferm. ,,Ik plas altijd tegen een van de bomen in de tuin, dat moet jij ook maar doen. Daarvan komt de natuur ook tot grote bloei.’’ Zo kon het gebeuren dat Eva Biesheuvel, die net terugkwam van een boodschapje, in haar tuin een jongeman aantrof die over haar plantjes stond te wateren.

Na de ontmoetingen met Biesheuvel zelf volgde de intensieve ontmoeting met zijn werk. Het was alsof hij, als ik de geniale, absurde verhalen uit In de bovenkooi las, zoals ’Brommer op zee’ en ’Tankercleaning’, rechtstreeks tot mij sprak in die ademloze, archaïsche zinnen. Toen ik als student Nederlandse taal- en letterkunde voor een werkcollege een interview met iemand moest doen, vroeg ik dan ook aan Biesheuvel of hij wellicht bereid was mij de eer te verschaffen. De schrijver stemde direct toe, ’al geef ik eigenlijk geen interviews meer.’

Dat werd nog een heel leuk gesprek, al had de schrijver zich er veel uiteindelijk nóg veel zenuwachtiger voor gemaakt dan de jonge interviewer. Een bandapparaat mocht niet aan – ’dan kan ik niet praten’ – en tijdens het vraaggesprek dronk de schrijver eerst een hele pot zwarte koffie en daarna een fles rode wijn. ,,Niet aan Eva vertellen, die vindt dat niet goed.’’ Tussendoor rookte hij – alsof de vrede met de indianen moest worden getekend – achter elkaar door een halve doos sigaren leeg. ,,Lucht dat even op.’’

Toen ik, jaren later, als journalist voor Vrij Nederland bij het echtpaar Biesheuvel langsging voor een interview, tapte de schrijver plotseling uit een heel ander vaatje. Midden in het vraaggesprek sprong hij plotseling op en greep uit de boekenkast een hamer, waarmee hij mij brullend te lijf ging. ,,En nu is het genoeg! Zoveel brutaliteit! Als het me niet bevalt, dan sla ik erop!’’ Eva zei droogjes: ’Hamertje tik.’ Grinnikend was Biesheuvel weer gaan zitten. ,,Eigenlijk ben ik heel vredelievend. Gelieve dit onfortuinlijke voorval niet in de krant te vermelden.’’

De aanleiding voor dat stuk was de publicatie van Biesheuvels laatste reguliere boek, gering van omvang maar met een hele lange titel: Oude geschiedenis van Pa die leefde als een dier want hij schaamde zich nergens voor en was erg practisch. De verschijning van dat boekje was een enorme opluchting, want hij had in de jaren daarvoor – en helaas duurt die situatie tot op de dag van vandaag voort – slechts heel weinig geschreven en wát er uit zijn pen kwam bleef ook heel beperkt van omvang. Toch zitten er juweeltjes bij in dat laatste bundeltje, zoals de miniatuur over de dood van zijn vader, nog geen anderhalve bladzijde, dat zo eindigt: ’Nou ja, Vader was dood, en het gekke was hij leefde niet meer. Een hikje en een snikje en weg was hij. Moeder was er toen nog niet. Ja, en het was een wonder dat wij niet zongen.’

Eva had mij, ’op verzoek van de schrijver’, uitgenodigd voor ’de presentatie’ van het boek met de lange titel. Anders dan gebruikelijk was de presentatie niet op de uitgeverij, in aanwezigheid van een zaal vol zogenaamd belangrijke mensen, maar bij hun thuis. Er zouden wel ’vertegenwoordigers van de uitgeverij en de pers’ worden uitgenodigd, verzekerde Eva mij. Bij aankomst in het Sunny Home bleken die vertegenwoordigers te bestaan uit twee mensen: de uitgever, Annette Portegies van Meulenhoff, en ik. De spreker van de avond was professor doctor Biesheuvel, die met kracht en gevoel, bril op het voorhoofd geschoven, het eerste verhaaltje uit de bundel voorlas, dat eindigde met: ’Et c’etait le jour le plus heureux de ma vie!’(vert: en dat was de gelukkigste dag van mijn leven.)

Zoals het is met veel van de verhalen van Biesheuvel – ze verwonderen en laten je lachen en huilen tegelijk – zo is het vaak gegaan tijdens mijn ontmoetingen met de schrijver. Afgelopen winter, op een van kou krakende avond, kwam hij met zijn vrouw op bezoek om een glas wijn te drinken – ’ééntje kan toch wel, Eva?’ – en gingen bij mij thuis voor de open haard zitten. Maarten had een nette blazer aan, een keurige grijze pantalon, maar ook twee enorme, groene rubber laarzen, die hij trots de lucht instak toen hij ging zitten. ,,Wat vind je van mijn Armani’s?’’ Toen ik even de keuken in was om de glazen te halen, had hij al het beschikbare haardhout tegelijk in de open haard gegooid. Begerig keek hij hoe de vlammen aan het droge hout likten. ,,Zo’’, zei hij, ,,dat zal lekker warm worden.’’

Als het dan één woord moet zijn, dat Maarten Biesheuvel moet typeren, dan is het dat: warmte.

Deel dit artikel