Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De vrijheidsmisvatting

Home

Austin Dacey

In rap tempo slagen islamitische landen erin het debat over de vrijheid van meningsuiting te beknotten – zelfs binnen het instituut dat die vrijheid zou moeten waarborgen: de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties in Genève. De filosoof Austin Dacey woonde een zitting bij in dit ’tragikomische theater aan de Rhône’ en zag dat een open debat over religieuze kwesties al bijna onmogelijk is geworden. „Godslastering is teruggekeerd op het politieke wereldtoneel.”

’Jij hebt valse bescheidenheid naar een transcendent niveau getild”, zei ik tegen David. Wij zaten op een heldere septembermiddag in het Palais des Nations te lunchen in een eetzaal van de Verenigde Naties op de achtste verdieping, met uitzicht over Genève. Ik probeerde David Littman ervan te overtuigen dat hij zijn uitzonderlijke leven voor een deel aan zichzelf, of in ieder geval aan zijn vrouw te danken had. Hij zag alleen de hand van God.

Zojuist had hij zichzelf en de profeet Jesaja in één adem genoemd. In 1961 speelde Littman, 27 jaar, pasgetrouwd en erfgenaam van een aanzienlijk vermogen, een sleutelrol in Operatie Mural, een clandestiene humanitaire actie waarbij 530 Joodse kinderen uit Marokko, via vakanties in Zwitserland, naar Israël konden komen. Met hetzelfde systeem van ’collectieve paspoorten’ werden zij spoedig gevolgd door 100.000 Joden – ditmaal met koninklijke toestemming (na de onafhankelijkheid van 1956 was het voor Marokkaanse Joden verboden het land te verlaten).

Littman vertelde mij en mijn collega’s over een speciale herdenking eerder dit jaar die hij met zijn hele familie en voormalige sleutelfiguren uit de Mossad had bijgewoond in de presidentswoning van Sjimon Peres in Jeruzalem. Hij vertelde ons dat hij vaak dacht dat zijn onwaarschijnlijke rol in dat drama verklaard kon worden vanuit goddelijke voorzienigheid. Misschien had hij, zonder zich ervan bewust te zijn, gehoor gegeven aan Gods roep, net als Jesaja: „Ik antwoordde: Hier ben ik, stuur mij.”

In dit geval gaf Littman gehoor aan de roep van de Mossad, hoewel hij uitlegde dat hij zich destijds niet bewust was van de ware identiteit van zijn partners.

De in Groot-Brittannië geboren historicus David Littman (75) is al sinds 1986 bezig met het werk van de Heer bij de Verenigde Naties in Genève. Soepeltjes voorbijsnellend in zijn onberispelijke, onmodieuze pakken en met zijn krullende witte haar, verstoort hij telkens als hij de sombere, ronde zaal binnenbeent de kabbelende atmosfeer bij de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties. In 1987 veroorzaakte hij het vertrek van de voltallige sovjetdelegatie doordat hij dissident Natan Sharanski liet spreken over de ’refuseniks’, de Russische Joden die tijdens het sovjetregime niet mochten uitreizen.

Op die dag in september droeg David Littman drie aktentassen die uitpuilden van toespraken die hij gegeven had of zou gaan geven voor de raad. Toen hij die middag de heuvel af richting Genève vertrok in een brullende Mustang cabriolet uit 1964, bleken zijn notities op een of andere manier in mijn tas terechtgekomen te zijn. Ik was in Genève om de negende zitting van de VN-Mensenrechtenraad bij te wonen namens het Center for Inquiry, een non-gouvernementele organisatie voor geloofsvrijheid en seculier staatsbestuur. Praten met Littman kan gevaarlijk zijn voor je reputatie bij de VN, ontdekte ik later. Hij is een controversiële figuur, door velen gehekeld en gemeden vanwege zijn uitgesproken verdediging van Israël (geen populaire zaak in VN-kringen) en vanwege zijn omgang met rechtse Europese intellectuelen. De afgelopen jaren was het belangrijkste doelwit van Littman de Organisation of The Islamic Conference (OIC), een orgaan van 57 lidstaten dat zich presenteert als de „collectieve stem van de moslimwereld”.

Mijn collega’s en ik werden die middag voor de lunch uitgenodigd door Littman en Roy Brown, vertegenwoordiger bij de VN voor de Internationale Humanistische Ethische Unie (IHEU). De aanleiding was dat het hun schijnbaar gelukt was de OIC een koekje van eigen deeg te geven. Later hoorde ik dat het overwinningsfeestje waarschijnlijk voorbarig was. Ik hoorde ook wat hun nog te wachten kon staan in toekomstige debatten over religie, politiek en vrijheid van meningsuiting in Europa en daarbuiten.

Wij waren naar de Mensenrechtenraad gekomen om ons aan te sluiten bij de strijd voor het recht om te spreken over religie in het publieke domein. Waarom, zo zou je je kunnen afvragen, zou het recht om te spreken over religie in gevaar zijn, nota bene bij de Mensenrechtenraad? En waarom zouden overtuigde secularisten als ikzelf daarvoor überhaupt campagne willen voeren? Zijn wij niet degenen die juist minder, in plaats van méér gepraat over God willen in het publieke domein?

Het antwoord luidt dat de Mensenrechtenraad het epicentrum is geworden van een beweging die onder het mom van het bestrijden van ’islamofobie’ en ’godslastering’ de vrijheid van meningsuiting wil beknotten. In deze tijden van rellen over cartoons en teddyberen is dit misschien geen verrassing. Maar wat voor sommigen wel een schok kan zijn is dat deze lobby aanzienlijk terrein heeft gewonnen bij de Verenigde Naties – soms zelfs met de zegen van organisaties die zich juist verplicht hebben de universele rechten van de mens te handhaven, waaronder eerst en vooral het recht op vrije meningsuiting.

Sinds 1999 heeft de OIC – met steun van Rusland, China, Cuba en de zogeheten niet-gebonden landen – de strijd tegen de godslastering hoog op de VN-mensenrechtenagenda gezet. De OIC heeft resoluties ingediend die zowel islamofobie afkeuren als oproepen tot inperking van de vrije meningsuiting, onder het mom van respect voor religieuze overtuigingen. Tijdens de achtste zitting van de Mensenrechtenraad in maart 2008 ging de club nog verder door ook de vrije meningsuiting in de raad zélf te beknotten. Het mandaat van de Speciale Rapporteur voor Vrije Meningsuiting werd zo aangepast dat het nu ook omvat: de wereld controleren op ’misbruik’ en op uitingen die godsdiensten beledigen – dit in verband met het uitkomen van Geert Wilders’ film ’Fitna’. Vervolgens publiceerde een regionale vergadering in het Nigeriaanse Abuja eind augustus een verklaring die staten oproept „zich te onthouden van halsstarrig vasthouden aan vrije meningsuiting [*] met absolute minachting voor religieuze gevoelens.” Dit alles ter voorbereiding van de VN-conferentie tegen racisme die in april 2009 in Genève gehouden zal worden, en die een vervolg is op de antiracismeconferentie in Durban in september 2001. Godslastering is teruggekeerd op het politieke wereldtoneel.

Al deze gebeurtenissen zijn onderdeel van een grotere beweging die eropuit is om een systeem van geïslamiseerde mensenrechten af te dwingen. In 1990 namen de OIC-lidstaten hun eigen mensenrechtenverklaring aan, de zogeheten ’Caïro Verklaring van de Mensenrechten in de Islam’. Hoewel het document enkele zinsneden overneemt van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, is het nieuwe ervan dat het deze rechten ondergeschikt maakt aan het islamitisch recht. De Verklaring van Cairo stelt: „Op alle in deze verklaring vastgelegde rechten en vrijheden is de islamitische sharia van toepassing” en „De islamitische sharia is de enige referentiebron voor de uitleg van of toelichting op ieder artikel in deze Verklaring”.

Waar de Universele Verklaring vrijheid van godsdienst en geweten garandeert – waaronder ook het recht op blasfemie, ketterij en afvalligheid – zegt de Verklaring van Caïro: „Het is verboden om enige vorm van dwang uit te oefenen op de mens, of zijn armoede of onwetendheid te gebruiken om hem te bekeren tot een andere godsdienst of tot het atheïsme.” Artikel 22 van de Verklaring van Caïro suggereert dat juist de islam, en niet individuele gelovigen en ongelovigen, bescherming verdient. Er staat:

(a) Iedereen heeft het recht zijn mening vrijelijk te uiten op een wijze die niet in strijd is met de beginselen van de sharia.

(b) Iedereen heeft het recht te verdedigen wat juist is, en te verbreiden wat goed is en te waarschuwen tegen wat verkeerd en zondig is volgens de normen van de islamitische sharia.

(c) Informatie is van wezenlijk belang voor samenlevingen. Informatie mag niet gebruikt of misbruikt worden op een wijze die heilige verplichtingen en de waardigheid van de profeten kan aantasten, morele en ethische waarden kan ondermijnen, of de samenleving kan doen uiteenvallen, corrumperen of schaden, of haar geloof kan verzwakken.

De OIC beweert dat de Verklaring van Caïro een aanvulling is op de Universele Verklaring. Toch bevat deze onmiskenbaar tegengestelde normen. Kennelijk is ’universeel’ voor sommige mensen niet inclusief genoeg.

Toen David Littman en Roy Brown in juni 2008 bij de achtste zitting van de raad probeerden te peilen of men vond dat een dergelijk systeem verenigbaar is met de universele mensenrechten, werden zij tegengehouden. Afgevaardigden uit Egypte, Pakistan en Iran weerhielden Littman ervan een toespraak af te maken over verschillende vormen van geweld tegen vrouwen en de toepassing van de sharia. Hij werd onderbroken op een ordepunt door de Egyptische juridisch adviseur Amr Roshdy Hassan. Deze afgevaardigde van de OIC verkondigde dat „de islam niet in deze raad aan het kruis genageld zou worden”. Daarna betoogde hij dat iedere discussie over de sharia een ’belediging’ was van het geloof. Er ontstond een gespannen debat – met 16 ordepunten en een waarschuwing van Egypte dat als zijn eisen genegeerd zou worden, er een stemming moest komen.

Na een pauze van drie kwartier kwam de voorzitter terug met het commentaar: „De raad is niet bereid religieuze kwesties te bespreken en wij zijn daartoe ook niet verplicht. Verklaringen dienen oordelen of waardeoordelen over godsdienst te vermijden.” Hij adviseerde Littman in een vriendelijk terzijde om elke verwijzing naar het woord sharia en elk waardeoordeel over religieuze onderwerpen te vermijden. Zelfs de Canadese vertegenwoordiger vroeg hem omzichtig te werk te gaan. Door deze ’gevoelige’ woorden niet te noemen kon Littman zijn toespraak afmaken: zijn tekst van drie minuten nam uiteindelijk anderhalf uur in beslag. Later verspreidde hij de originele versie van zijn toespraak.

Terwijl dit drama zich in de lente van 2008 in Genève ontvouwde, was ik op tournee door Noord-Amerika om te spreken over mijn nieuwe boek ’The secular conscience. Why belief belongs in public life’ (Het seculiere bewustzijn. Waarom geloof thuishoort in het openbare leven). Een van mijn hoofdargumenten is dat seculier links, in zijn streven naar tolerantie en vrijheid voor allen, de voorwaarden voor tolerantie en vrijheid juist ondermijnt.

Het debacle bij de Mensenrechtenraad bewees opnieuw dat de boodschap van het boek, spijtig genoeg, op het juiste moment komt. Te veel mensen ter links-seculiere zijde menen tegenwoordig dat in een tolerante en vrije samenleving godsdienst en gewetenskwesties niet thuishoren in het publieke debat. Uiteraard is dit waar als het betekent dat gewetenskwesties vrij behoren te zijn van dwang en controle door de overheid en andere machtige instanties. Maar doorgeredeneerd zou dit betekenen dat religie onttrokken wordt aan serieuze evaluatie en kritiek – zelfs wanneer ze de waarden van een seculiere, open samenleving bedreigt. Ik noem deze vergissing de ’privacymisvatting’.

De verraderlijke ironie van de OIC-lobby is precies hierin gelegen: enerzijds staan de moslimlanden vijandig tegenover begrippen als individuele vrijheid en gelijkheid, terwijl ze anderzijds een beroep doen op waarden als tolerantie en respect om zich af te schermen voor kritiek. Nee, het betreft hier geen filosofische haarkloverij zonder relevantie buiten de muren van de Verenigde Naties. Het uiteindelijke doel van de OIC is niet om de gevoelens van moslims te beschermen, maar om bepaalde autoritaire regimes te beschermen tegen beschuldigingen als zouden zij de mensenrechten schenden. Ook willen zij interne dissidente stemmen die roepen om meer vrijheid van meningsuiting of politieke hervormingen tot zwijgen brengen. Dat verklaart waarom sommige hardnekkige protesten tegen de OIC-agenda afkomstig zijn uit de OIC-landen zelf, van groepen zoals het Caïro Instituut voor Mensenrechtenstudies. Daar weten ze dat vage oproepen om ’islamitische’ waarden te waarborgen voor repressieve regimes slechts een vrijbrief zullen zijn voor machtsmisbruik.

„In een vrij staatsbestel is het een ieder toegestaan te denken wat hij wil en te zeggen wat hij denkt.” In een galmende bariton citeerde David Littman Spinoza’s ’Tracatatus Theologico Politicus’. Het was zijn eerste toespraak bij de negende zitting van de VN-Mensenrechtenraad in september, bedoeld om de debatregels te toetsen onder de nieuwe voorzitter, Martin Ihoeghian Uhomoibhi uit Nigeria.

„Geachte heer, het is toch zeker tijd dat deze raad besluit geen verdere concessies te doen aan het principe van ’waardigheid en gerechtigheid voor allen’. De universele waarden van de Verenigde Naties zouden hooggehouden moeten worden, niet verzwakt door cultuurrelativisme.”

„Mijnheer de voorzitter”, zo eindigde Littman, zijn blik gericht op de Egyptische afvaardiging, „wij sporen alle deelnemers in deze raad aan om de relevantie van de woorden van Spinoza voor de tegenwoordige tijd zorgvuldig te overwegen.”

Later die middag werden de non-gouvernementele organisaties uitgenodigd bij een openbare vergadering met de nieuwe voorzitter. Littman vroeg aan Uhomoibhi om een ’wachter’ te zijn (een verwijzing naar het boek Ezechiël) die de civil society beschermt tegen lidstaten die afgevaardigden ad hominem aanvallen. Om te peilen hoe het stond met het door Uhomoibhi’s voorganger opgelegde taboe op religieuze onderwerpen vervolgde Littman: „Wij begrijpen dat er een lijst met woorden is die wij niet mogen gebruiken. Kunt u ons vertellen wat er op deze lijst staat?” Uhomoibhi antwoordde zonder aarzeling: „Er zijn geen taboes in de raad wat mij betreft.” Littman vroeg: „Er zijn geen woorden?” Uhomoibhi herhaalde: „Er zijn geen taboes.”

„Maar”, zei Uhomoibhi, „het is uw verantwoordelijkheid te weten dat uw vrijheid en mijn vrijheid een en dezelfde zijn.”

Waarna hij vol vuur begon aan een heldere filosofische uiteenzetting over vrijheid. „U kunt niet mij beledigen en mijn geloof beledigen en dan zeggen dat u vrij bent. U kunt niet mij vernederen en mijn geloof vernederen en zeggen dat u vrij bent.”

Steeds geëmotioneerder sprak de voorzitter: „Ik ben niet minder een mens dan u dat bent. U kunt niet op een hoog moreel voetstuk gaan staan en mij behandelen alsof ik niets ben.”

De voorzitter vervolgde dat problemen ontstaan als mensen ’eigenwijs zijn’ en denken de ’absolute waarheid’ in pacht te hebben. „Laten wij in plaats daarvan nederig zijn”, besloot Uhomoibhi op bijna geërgerde toon. „Laten wij niet denken dat wij God kunnen zijn voor anderen. Dit is mijn smeekbede, want deze wereld is complex, maar zij is prachtig. Dat is voor mij de essentie.”

Het was een indrukwekkende toespraak, maar ik bleef achter met de vraag wat vrijheid precies van ons verlangt. Wie zou er minder vrij worden door een discussie over sharia in de Mensenrechtenraad?

Er bestaat in de ziel van seculier links vandaag de dag grote verwarring over de betekenis van vrijheid. Dit noem ik de ’vrijheidsmisvatting’. Het spinozistische principe dat het individuele geweten niet onderdrukt mag worden door anderen, niet door goden of overheden en niet door de tirannie der gewoonte, leidt tot de verkeerde conclusie dat het individuele geweten gevrijwaard moet zijn van kritische evaluatie en beoordeling door anderen. Omdat het geweten overgelaten wordt aan het individu zou de waarheid van de conclusies óók aan dat individu moeten worden overgelaten.

Maar mensen hebben wél het recht te denken wat zij willen, ze hebben alleen niet het recht om gelijk te hebben. Kritiek leveren is géén inbreuk op de vrijheid van het individu. Sterker nog: kritiek is de ultieme bevestiging van de vrijheid van een ander. Iemands redenen om te doen wat hij doet zijn van nature zodanig dat anderen die in overweging kunnen nemen en kunnen accepteren. Maar als anderen ze kunnen accepteren, dan kunnen zij ze ook verwerpen.

Door het geweten tot privézaak te verklaren, hoopte seculier links het publieke domein te beschermen tegen de soms giftige effecten van het geloof. Maar paradoxaal genoeg ondermijnt deze privatisering alle pogingen om je te verzetten tegen religie als die de mensenrechten bedreigt – zoals het geval is in het debat over de islam. Gelukkig is er een coherentere en handiger manier om na te denken over een seculiere, open samenleving. Het zal geen verrassing zijn dat we hiervoor weer bij Spinoza moeten zijn.

Spinoza hangt zijn argumenten voor het vrije geweten niet op aan subjectiviteit of privacy, maar juist aan objectiviteit en openbaarheid. Het geweten kan niet gedwongen worden omdat het voortkomt uit onze eigen beoordeling over welke handeling voor ons de juiste is. Het hogere doel van de bescherming van het geweten is om de waarheden van het geweten te kunnen delen met andere mensen. (Dat is wat Spinoza zelf ook probeerde én bereikte – zij het postuum.)

Voor Spinoza zijn gewetenszaken dus niet privé, maar openbaar: open om besproken te worden, open voor kritische evaluatie aan de hand van objectieve normen, en open voor verandering. Ik heb het geweten getypeerd als een open source-systeem, naar het voorbeeld van de open source-beweging in computer software. Een open source-systeem is een vorm van democratische, collectieve besluitvorming waarin alle deelnemers elke oplossing kunnen overwegen, bekritiseren en herzien. Het proces zelf staat open voor iedereen wier bijdragen bruikbaar lijken.

Zo bezien moeten beweringen over gewetenskwesties niet alleen getolereerd worden in het publieke domein, maar zelfs actief aangemoedigd. Dergelijke gesprekken zullen niet altijd eenvoudig of gemakkelijk zijn, maar in een vrije samenleving zijn ze van wezenlijk belang. Het is de essentie van vrijheid.

De discussie werd geopend door Githu Muigai, de nieuwe Speciale Rapporteur voor Racisme. Onder agendapunt 9 – ’Racisme, rassendiscriminatie, xenofobie en andere vormen van intolerantie, follow-up en implementatie van de Declaratie van Durban en Actieplan’ – zou de Mensenrechtenraad op 23 september de „bestrijding van de belastering van godsdiensten” bespreken. De rapporteur vatte het laatste rapport samen van zijn voorganger, Doudou Diene, dat tot onze verrassing een aanbeveling bevatte om van de term ’godslastering’ over te stappen op ’aanzetten tot discriminatie, haat en geweld’.

In de daaropvolgende dialoog tussen Muigai en de lidstaten lieten Frankrijk en België krachtig weten dat mensen rechten hebben, en religies niet. En dat „de lastering van godsdiensten” geen plaats heeft in mensenrechtenwetten. Intussen berichtten de nieuwszenders dat de Verenigde Staten een poging zouden initiëren om deze resolutie bij de volgende Algemene Vergadering van de Verenigde Naties tegen te houden. In zijn reactie verduidelijkte Muigai zijn positie waar het ging om de ’verschuiving’ van ’lastering’ naar ’aanzetten tot haat en discriminatie’. Deze verschuiving zou een einde maken aan het gebruik van controversiële woorden en de aandacht weer op de slachtoffers richten.

Later hoorde ik van enkele ingewijden binnen de Mensenrechtenraad dat de top van de OIC de notie van ’lastering’ waarschijnlijk om tactische redenen wilde opgeven. Door deze polariserende term overboord te gooien zouden zij hun doelen op een andere manier kunnen bereiken; zij breiden het concept ’aanzetten tot’ zodanig uit dat daar ook provocerende uitspraken over islamitische overtuigingen onder vallen. Deze term zou veel geschikter zijn, aangezien rassenhaat door Europese nationale rechtbanken relatief ruim geïnterpreteerd wordt. Vanwege de buitengewone geschiedenis van het continent, heeft Europa met veel moeite wettelijke bescherming geregeld voor de overtuigingen en opvattingen van Joden en christenen.

Europeanen die pleiten voor de vrijheid om de islam te kritiseren, zou je kunnen beschuldigen van een ’dubbele standaard’. Totdat de speciale bescherming in het Europese recht wordt afgeschaft, zo zou de argumentatie kunnen luiden, maken Europeanen zich schuldig aan hypocrisie met hun pleidooi voor vrije meningsuiting over de islam en moslims.

Een mogelijke manier om dit aan te pakken is om de Europese wetgeving tegen haatzaaien te laten vallen. Er bestaat een andere, Amerikaanse benadering van de vrijheid van meningsuiting die álle uitlatingen toestaat, ook racistische of haatzaaiende, die geen duidelijk en onmiddellijk gevaar voor een individu betekenen. Deze benadering bevat een principiële oplossing omdat ze dezelfde maatstaf toepast op anti-Joodse en anti-islamitische uitlatingen.

Ik weet niet of Littman bereid zou zijn het Amerikaanse antwoord op de kwestie van godsdienst, haatzaaien en vrijheid van meningsuiting te steunen. Het tragikomische theater aan de Rhône waarin hij naast de Egyptenaren en Pakistanen optrad, heeft wereldwijd aandacht voor het dilemma opgeleverd. Maar als iemand het gesprek vooruit kan helpen, dan zullen het de overtuigde secularisten moeten zijn.

Eén ding is zeker. Ondanks alle wetten borrelt er in Europa opnieuw antisemitisme op. Misschien is er een nieuwe injectie nodig met Spinoza’s vertrouwen in de macht van de rede, onafhankelijk, vrij en open: „Ik geef toe dat er uit een dergelijke vrijheid soms ongemakken zullen voortkomen, maar wat is ooit zo wijs ingericht dat daaruit geen enkel ongemak heeft kunnen voortkomen? Wie alles door wetten wil bepalen, zal kwade neigingen eerder prikkelen dan verbeteren.”

Na een onaangekondigde briefing over Liberia en een schijnbaar eindeloze reeks toespraken over de Palestijnse gebieden, was de agenda tegen het einde van de negende zitting van de Mensenrechtenraad eindelijk aangekomen bij de commentaren van de non-gouvernementele organisaties over de belastering van religies en islamofobie. Verschillende mensenrechtenorganisaties en religieuze groeperingen spraken zich hier krachtig tegen uit.

Toen David Littman het woord nam en de antisemitische geschriften van de Sjeik van de Al-Azar Universiteit in Egypte aanhaalde (hierbij hield hij ’The Children of Israel in the Qur’an and the Sunna’ omhoog), was de tolerantie van de Egyptische afgevaardigde wederom uitgeput. Hij protesteerde: „Wij zijn hier in de raad om vrijheid van religie te bevorderen. Wij kunnen vrijheid van godsdienst bespreken, maar wij kunnen niet godsdienst bespreken. Wij kunnen niet de grondbeginselen van godsdienst bespreken. Ik stel dat behalve de eminente afgevaardigde van de Heilige Stoel, niemand in deze raad bevoegd is om theologie te bespreken... We moeten toch wel iets interessanters kunnen doen met ons leven – zoals een hobby zoeken of een snor laten staan of iets dergelijks.”

Toen voorzitter Uhomoibhi daarop David Littman gelastte om zijn toespraak te staken voordat hij uitgesproken was, liep hij weg van de microfoon met de woorden: „Dit is gekkenwerk, mijnheer.”

Kort daarna verlieten de delegaties het Palais des Nations. In de computerzaal even buiten de raadszaal bleven stapels weggegooide resoluties en rapporten achter. Wie de rommel zou opruimen was niet duidelijk.

Lees verder na de advertentie
(\N)

Deel dit artikel