Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De voordelen van de plofkip

Home

Kees de Vré

Plofkippen.

Mensen denken al snel: Als ik geen plofkip meer koop, ben ik goed bezig. Zo'n gedachte kan ook postvatten bij bedrijven als Unilever, Struik en Olvarit die - al dan niet onder druk van Wakker Dier - geen opgepept kippenvlees meer in hun producten stoppen. Hoe sympathiek de actie van de dierenwelzijnsorganisatie ook is, het is maar het halve verhaal. Nader beschouwd doemt er een levensgroot dilemma op voor de kipliefhebber. Hoe goed het ook voelt om geen opgepepte filet in de pan te stoppen, een plofkip is wel goed voor het milieu en scoort op dit punt beter dan haar biologische zus.

Milieubelasting van de vleesproductie, want daar hebben we het hier over, is vooral een technische aangelegenheid. Kippen, maar ook koeien en varkens, hebben voer nodig. De milieubelasting van vlees, melk en eieren wordt vooral bepaald door de teelt, verwerking en het transport van dat voer naar de beesten. Allemaal zaken waarbij veel broeikasgassen worden uitgestoten. Naast klimaatverandering spelen nog andere milieuaspecten een rol, zoals land-, water en energiegebruik, fosfaatgebruik, verzuring en bemesting. Op iets meer dan de helft van de punten scoort de plofkip het best.

Een recent proefschrift laat dat nog eens zien. De Wageningse onderzoeker Sanne Dekker berekende de milieubelasting van eierproductie door de verschillende kippenhouderijsystemen naast elkaar te zetten. Hoewel Dekker nadrukkelijk zegt geen onderzoek te hebben gedaan naar vleeskippen, beaamt zij dat kippen die in legbatterijen leven qua intensiteit en efficiëntie van de productie te vergelijken zijn met de plofkip waarvan Wakker Dier zich het lot aantrekt. Dekkers conclusie is dat een beter welzijn van de legkip tot een hogere milieubelasting leidt.

Voer is de bepalende factor
"Het voer is de meest bepalende factor in de milieuprestaties van een kip", zegt Dekker. "Biologisch voer komt met name uit de Oekraïne (tarwe) en Italië (maïs). Gangbaar voer komt vooral uit Frankrijk en Duitsland. Het is de veevoerhandel die dat bepaalt. Je kunt als boer zelf op zoek gaan, maar dat is erg bewerkelijk." Die Oekraïense boeren gebruiken weinig mest en passen amper grondbewerking toe, gaat Dekker verder. "Een biologisch ei produceert daarom weinig broeikasgassen, maar de voeropbrengsten zijn erg laag en dus is er veel land nodig om een doosje bio-eieren te produceren."

Die lage productie per hectare van biologisch voer wordt nog eens versterkt door de grotere voerbehoefte van een biologische kip. Dekker: "Voor de productie van een kilogram ei heeft de biologische kip 2,6 kilo voer nodig. Een legbatterij-kip voor diezelfde kilo ei 2 kilo voer." Ook als het gaat om huisvesting komt de legbatterij-kip als beste uit de bus. "De ammoniak-uitstoot in legbatterijen is het laagst. Vooral omdat de mest gelijk wordt opgevangen, gedroogd en afgevoerd. In de biologische kippenhouderij gebeurt dat nauwelijks. De natte mest blijft maanden liggen. Daar is nog veel te verbeteren."

Omdat bij vleeskippen hetzelfde efficiëntiemechanisme speelt als bij de leghennen, is de conclusie gerechtvaardigd dat de plofkip de meest duurzame kip is, erkent ook Dekker. Europa heeft inmiddels de legbatterij-kip binnen zijn grenzen tot persona non grata verklaard. Dekker wil dat ook zo laten. "Dierenwelzijn is ook voor mij een belangrijk gegeven. Ik ben voor én-én. Geef de kippen - leghennen en vleeskippen - een beter leven en ga in systemen met loslopende beesten zoeken naar verbetering van de milieuprestaties. Dat kan door het fokken van kippen die het voer efficiënter omzetten in vlees en door te investeren in stallen die de mest snel drogen, bewerken en afvoeren. Het zou het beste zijn als die mest in de vorm van korrels weer teruggaat naar de voerproducent. Dan sluit je de mineralenkringloop."

Die opstelling van onderzoeker Dekker, koppeling van dierenwelzijn aan duurzaamheid, is een recente ontwikkeling. Nog maar drie jaar geleden bij voorbeeld kwam Varkens in Nood met een vleeswijzer waarin dierenwelzijn werd afgezet tegen duurzaamheid. Meer dierenwelzijn betekent vaak meer milieubelasting, en een lage milieubelasting is weer niet goed voor het dierenwelzijn. Het onderzoek van Dekker laat zien dat beide grootheden niet per se tegenover elkaar hoeven te staan. Helemaal te verenigen zijn ze niet. Het blijft een persoonlijke keuze waar je de nadruk op legt.

Dierenwelzijn vindt de consument belangrijker
Blonk Milieuadvies is betrokken geweest bij het opstellen van de Vleeswijzer van Varkens in Nood. Onderzoeker Jasper Scholten erkent dat dierenwelzijn meer leeft bij de consument dan duurzamer milieuprestaties. "Dat komt ook doordat we in West-Europa en met name in Nederland met erg veel intensieve veehouderij zitten. We zien de volle stallen letterlijk om ons heen. Dat maakt de consument hier gevoeliger. Voor de consument is dierenwelzijn ook iets dat bij duurzaam hoort. Technisch misschien niet, maar gevoelsmatig wel."

Volgens Scholten kunnen zowel dierenwelzijn als duurzaamheid naar elkaar toegroeien. "Minder vlees eten scheelt een hoop dieren. Voorts is er in de omzetting van voer naar vlees nog veel te verbeteren. Er zijn bijvoorbeeld varkensbedrijven waar 2,3 kilo voer nodig is voor een kilo vlees. Ook zijn er bedrijven waar die verhouding 1 op 2 is. Vanwaar dat verschil, vraag je je dan af. Dat krijgt nog te weinig aandacht. Dan is er bij de mestverwerking nog een wereld te winnen door kringlopen meer en meer te sluiten. Ook kunnen bijproducten van de akkerbouw veel slimmer worden gebruikt."

Wetenschappers kunnen echter ook steeds meer met dierenwelzijn uit de voeten, zegt dierenwelzijnsonderzoeker Marc Bracke van Wageningen Universiteit.

"Dierenwelzijn is in eerste instantie een kwestie van hoe het dier zich voelt. Onze morele verontwaardiging is daarvan een afgeleide, en die is technisch prima onder te brengen in het begrip duurzaamheid. Dierenwelzijn is wat mij betreft een integraal onderdeel van duurzaamheid, ook al lijkt het soms wat lastig in te passen in de trits people-planet-profit. Dierenwelzijn past het beste onder 'people', omdat dieren net als mensen eigenwaarde hebben, en niet slechts als afgeleide van wat wij mensen 'toevallig' belangrijk vinden."

Bracke en zijn collega's zijn ook steeds meer in staat om te meten hoe landbouwhuisdieren zich voelen in de stallen waarin ze leven. Hoe gedragen beesten zich, is er sprake van stress of pijn?

"Het effect van het leven in een heel kleine ruimte kunnen we inmiddels redelijk objectief vaststellen, bijvoorbeeld aan abnormaal gedrag, zoals veren pikken of staart bijten. Daarbij zullen we altijd plussen en minnen vinden. De natuurlijke manier van leven is niet altijd goed, intensieve veehouderij is niet in alle opzichten slecht, en biologisch is niet in alle opzichten het beste voor dierenwelzijn."

Sjoerd van der Wouw van Wakker Dier vindt het logisch dat zijn organisatie zo de nadruk legt op dierenwelzijn. "Daar zijn wij voor, dus dat stuk willen we graag verbeterd zien. Maar ook de meeste milieuclubs steunen bij voorbeeld beweiding van koeien. Dat is niet altijd slecht voor het milieu. Die tegenstelling tussen duurzaamheid en dierenwelzijn is enigszins gekunsteld. Met name in Nederland zie je dat. Het basisprobleem is dat er in Nederland absurd veel landbouwhuisdieren rondlopen en wij zelf te veel vlees eten. Als dat vermindert, verdwijnt die tegenstelling vanzelf."

Rundveehouderij blijft achter
Volgens cijfers van het ministerie van landbouw telde Nederland in januari 2012 ruim 87.000 stallen voor landbouwhuisdieren. Een kleine 4000 daarvan - 4,5 procent - zijn duurzaam te noemen. Dat zijn stallen die voldoen aan de Maatlat Duurzame veehouderij of, in het geval van varkens, aan de criteria van Milieukeur.

De percentages lopen per sector uiteen: van 2,9 procent in de rundveehouderij tot 7 procent in de varkenshouderij en 11 procent in de pluimveehouderij. Het percentage laat een stijgende lijn zien, meldt het ministerie van landbouw.

Dat de rundveehouderij achterblijft bij de varkens- en kippensector, heeft wellicht te maken met het ontbreken van wetgeving die de rundveehouderij kan verplichten tot verbouw of nieuwbouw. Dit in tegenstelling tot de varkens- en pluimveehouderij met hun respectievelijk verplichte groepshuisvesting of het verbod op legbatterijen.

Trouw.nl is vernieuwd. Vanaf nu is onbeperkte toegang tot Trouw.nl alleen voor (proef)abonnees.


Wilt u dit artikel verder lezen?

Maak vrijblijvend een profiel aan en krijg gratis 2 maanden toegang.

Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kun je vinden in je inbox.
Ben je de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Ongeldig e-mailadres

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Wij gaan vertrouwelijk om met uw gegevens. Lees onze privacy statement.

Deel dit artikel

Advertentie