Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De valse romantiek van het onbehagen

Home

door Matthias Smalbrugge

'Heer, maak mij kuis, maar nu nog niet.' De theoloog Matthias Smalbrugge sprak voor 'Op Goed Gerucht', een beweging van predikanten, over het thema onbehagen, over Freud, Augustinus en Hannah Arendt, over het boek 'Tijd van onbehagen' van de filosoof Ad Verbrugge en over ons onvermogen het goede te realiseren. 'Natuurlijk wil je afvallen, maar hoe lang houd je het vol tegenover een schotel chocola?'

' Heer, maak mij kuis, maar nu nog niet.' De theoloog Matthias Smalbrugge sprak voor ' Op Goed Gerucht', een beweging van predikanten, over het thema onbehagen, over Freud, Augustinus en Hannah Arendt, over het boek ' Tijd van onbehagen' van de filosoof Ad Verbrugge en over ons onvermogen het goede te realiseren. ' Natuurlijk wil je afvallen, maar hoe lang houd je het vol tegenover een schotel chocola?' Onbehagen, dat is zoveel als een lichte angst die zich van je meester maakt, een rilling in een kil landschap. Of met een beeld ontleend aan de Griekse mythologie, een verzameling drakentanden, gezaaid in je eigen achtertuin door het spook van de vertwijfeling. Wat zijn dan die drakentanden van het hedendaags onbehagen? Niet meer het onbehagen van de 17de-eeuwer - beschreven door Simon Schama in zijn boek Overvloed en onbehagen - die schroomde weelde en fortuin te opzichtig ten toon te spreiden. Nee, dit keer gaat het om zaken als het doorgeschoten individualisme, een afbraak van traditionele structuren (huwelijk en geloof), een ongeremde agressieve genotscultuur en een toenemende behoefte aan gelijkvormigheid. Kortom, we worden langzaam wakker in een kale tuin waar een oppervlakkige zielloze cultuur heerst, zonder poëzie, mysterie en heiligheid. Althans, dat is de stelling die Ad Verbrugge poneert in zijn boek Tijd van Onbehagen en pagina na pagina stort hij daarom een bittere klacht uit over deze verlopen cultuur. Van huwelijk tot en met Europese Unie, er deugt niet veel meer. Zijn boek is een onvervalste reprise van Der Untergang des Abendlandes, maar blijft ook in dezelfde valse romantiek hangen: het ideaal voor de toekomst ligt in het verleden.

Aanknopend bij dat thema van onbehagen schreef Op Goed Gerucht een pamflet met als stelling dat we in deze schemertijd in elk geval de verworvenheden van de Verlichting moeten veilig stellen. Want hoewel die laatste nog net geen tweede Bijbel is, zitten we zeker niet te wachten op een terugkeer naar Augustinus en diens naargeestige mens- en vrouwbeeld.

De Verlichting dus als een Maginotlinie. Sans doute, maar dan is er nog wel meer waar ik niet naar terug wil. Ik zit ook niet te wachten op de terugkeer naar het vrouwbeeld van een zekere Jezus die, als een moeder voor haar zieke kind komt pleiten, haar met een hond vergelijkt die kruimels mag zoeken onder de tafel. Evenmin zit ik te wachten op een mensbeeld van Paulus die slavernij volstrekt acceptabel acht (brief aan Filemon) 400 jaar na de eerste protesten daartegen in het klassieke Athene. Nee, dan is de Heilige Schrift nog een slagje erger dan Augustinus. Anders gezegd, onbehagen is zeer selectief. De tuin of de traditie zijn wisselende landschappen waar ieder met een andere blik naar kijkt. Wat voor de een puur onkruid is (homo-huwelijk), is voor de ander een nieuwe variëteit van de prachtige Hollandse tulp. Conclusie: onbehagen is een glijdend en verschuivend fenomeen. Je zou zelfs de stelling kunnen wagen dat de cultus van het onbehagen romantiek van het kitscherige soort is, wat pathetisch, dramatiserend. Zo ongeveer als de onherbergzame landschappen op de theatrale schilderijen van Caspar David Friedrich. Daarom verbaast het dat Verbrugge voor vrijwel alles aandacht heeft, maar de grootste schrijver over onbehagen niet eens noemt: Freud met zijn Het Onbehagen in de cultuur (Das Unbehagen in der Kultur (1929/30). Freud beschrijft daar dat cultuur geconstrueerd is als een collectief ideaal-ik, een superego dat geplooid wordt over samenleving. Gevolg, elke cultuur zal haaks staan op de driften die uit het Es voortkomen. Met name agressie zal moeten ingetoomd. Want niet het vrije spel van agressie en seksualiteit veroorzaken onbehagen, maar juist hun insnoering. Onbehagen hoort bij de cultuur en Verbrugge zet de zaken op hun kop.

Welnu, vanwege dat onbehagen suggereert Freud dan ook dat je zo'n ideaal-ik met mate en voorzichtig moet vormgeven. Je kunt stukken ervan realiseren, maar overvraag vooral niet. Leg niet teveel idealen op. Dus liever geen bijbels gebod als 'je naaste liefhebben als jezelf', c.q. 'vijand liefhebben', want dat is tien straten te ver. Citaat: 'Het Gebod 'heb uw naaste lief als uzelf' is de sterkste afweer van de menselijke agressie en een uitstekend voorbeeld van de niet-psychologische wijze waarop het cultuur-ideaal optreedt. Het gebod kan niet gerealiseerd worden. Een zo grote inflatie van de liefde kan slechts waarde van de liefde verlagen, maar niet haar behoefte terzijde schuiven.'

'Inflatie' en 'verlaging van de liefde', geen geringe woorden. Freud noemt het zo omdat er in dit soort idealen geen bevestiging meer schuilt van het individu; dat moet inleveren. Hoe sterker ideaal, des te onbehaaglijker mens. Citaat: 'Hoe geweldig hoog moet de belemmering van agressie in onze maatschappij niet zijn als de afweer tegen agressie ons even ongelukkig kan maken als de agressie zelf?' Dus het wordt pas echt onbehagelijk als we gaan geloven dat we de naaste moeten liefhebben als onszelf. Die insnoering verdragen we niet, moeten we ook niet willen verdragen. Ook niet in de kerk, want daar vindt je natuurlijk bij uitstek een teveel aan collectief ideaal, aan idealisme. Dat is een wat onbehagelijke observatie die je kunt afleiden uit Freud, maar wel de waarheid. Denk b.v. aan het homohuwelijk: het is bevochten ruimte op een oudere moraal, maar het is bevochten en draagt dus ook agressie in zich. Maar dat willen we niet toegeven en zo wordt ideaal (of het nu homohuwelijk is of vrouw in het ambt) een dekmantel voor ontkende agressie: je vecht elkaar de kerk uit voor het goede doel. Zo scheurde dus reeds de Anglicaanse Kerk op het punt van homoseksualiteit en liep de Wereldraad van Kerken grote averij op. Daarom toch maar eens nagedacht over het verband tussen insnoering en onbehagen. Wat gebeurt er met onszelf zodra we een ideaal formuleren, zodra we beginnen te geloven? De eerste die daar grondig over heeft nagedacht is Augustinus, het spijt me voor de pamfletschrijver van de predikanten. We leven dan in de gouden eeuw van de kerkvaders waarin de verwachting van een spoedige komst van het Koninkrijk Gods heeft plaatsgemaakt voor een verlangen naar de eenwording met God: de deificatio (godwording). Het is een mystiek verlangen dat zijn begrippenapparaat vond in het neoplatonisme (Plotinus en Porphyrius). Dat laatste ging er vanuit dat het Ene zich volstrekt aan gene zijde van onze werkelijkheid bevindt en daar dus ook wezenlijk van verschilt. Het openbaarde zich echter in onze werkelijkheid in zgn. triaden (drieslagen), b.v. die van eeuwigheid-waarheid-liefde. Augustinus gebruikte dat materiaal om zijn Drievuldigheidsleer vorm te geven. Er is een goddelijke wezen (substantie geheten, wat die ook moge zijn) dat zich openbaart in die drieslag Vader-Zoon-Geest. Dat betekent, dat er verschillende manieren zijn om God te kennen, maar dat neemt niets weg van de wezenlijke onkenbaarheid die God eigen is. Je kon zeggen dat je God herkende in schepping, verzoening of liefde. Maar wie God was, dat moest je maar niet willen zeggen. Het was een benadering die ontzettend veel armslag gaf aan het denken.

Augustinus noemde die goddelijke drieslag, de personen van God. Maar zonder problemen was die definitie ook niet. Want als God verschillende personen was, kon hij naar believen van rol veranderen b.v. van rechter naar verzoener), zonder dat wij ook maar in de verste verte konden bevroeden wie Hij nu echt was? Nee, dat was niet zo. Eerder was het zo dat je in een persoon God herkende, maar dat Hij ook altijd elders en anders God was. Goddelijke personen houden daarom altijd een verwijzing en verlangen in. Zij zijn volkomen vervuld van God, maar God is ook nog elders. Personen zijn tegelijkertijd banden en breuken, verlangen en vervulling, maar van een insnoering van God is geen sprake. In God is daarom ook geen onbehagen.

Dat was bij de mens wel wat anders. De menselijke persoon verandert wel degelijk constant van rol en laveert tussen allerlei uitersten. De menselijke persoon is nauwelijks een eenheid, zoals je in wilsuitingen kunt zien. Zoals Augustinus het noemt, er is een afstand tussen mijzelf en mijzelf. Zo kan de wil b.v. tegelijkertijd iets willen en niet willen. Of kan het lichaam iets willen wat de geest niet wil en omgekeerd. Zelfs het geloof kan, in de intimiteit van het gebed, gebroken zijn: Heer maak mij kuis, maar nu nog niet, was zijn oprechte bede. De mens lijdt daarom wel degelijk aan onbehagen omdat zijn persoon tegenstrijdig, ingesnoerd, leeft. Niets heeft de overhand op iets anders tenzij ten koste van strijd. De overwinning is bovendien nooit volkomen, want niets kan ten volle gerealiseerd worden, ook het goede niet. De mens leeft met een eeuwig onbehagen - onrustig is mijn hart -, met name omdat dat goede ook niet gerealiseerd kan worden. Want echt, het goede realiseren - God en de naaste eren en recht doen - is vaak onhaalbaar. Dat was een opvatting waar Augustinus behoorlijk op is aangevallen, vooral door zijn latere tegenstanders, de zogenaamde Pelagianen. Die vonden dat een mens wel degelijke het goede kon bereiken. Want God heeft natuurlijk alleen maar geboden gegeven die een mens ook daadwerkelijk kan uitvoeren en realiseren. Dus kun je de bijbelse geboden wel degelijk houden, je kunt perfect leven zoals in het evangelie geëist wordt, je kunt zondeloos zijn, de impeccantia bereiken.

Zeiden de Pelagianen, maar in Augustinus' ogen is dat een schromelijke overschatting van onze mogelijkheden. De menselijke wil, liefde en geloof zijn gebroken. Nee, zeiden weer de Pelagianen, dat is zoveel als het neerhalen van het schone en goede in het leven. Zij leggen daarom de nadruk op het schone van het leven en op de mogelijkheid van een mens om zich positief te ontwikkelen; Augustinus legt de nadruk op breuken. Natuurlijk wil je afvallen, maar hoe lang houd je het vol tegenover een schotel chocola? Natuurlijk wil je kuis blijven, maar hoelang bied je weerstand aan een echte verleiding? Anders gezegd, voor hem verandert de mens nogal eens van rol, maar weet je nooit wat hij echt is. Hij is bijvoorbeeld niet echt goed en kan het goede niet bereiken. Dat krijgt hij pas door de vereniging met God: door verheffing, genade, herschepping. Voor de Pelagianen daarentegen is de mens wezenlijk goed en komt hij door het goede te doen God nabij. Hij is al persoon omdat God dat is en deze hem goed heeft geschapen.

Welnu, die twee stromingen, augustinisme en pelagianisme, zijn de twee grote stromen in onze cultuurgeschiedenis. De negentiende-eeuwse roman is b.v. wezenlijk augustijns, evenals de echte romantiek uit die tijd die zich verre van de kitsch weet te houden (Anna Karenina; le Rouge et le Noir, Madame Bovary, Wuthering Heights, A la recherche du temps perdu). De hele Franse literatuur is eveneens wezenlijk augustijns, vanaf Rabelais tot en met La Rochefoucauld. ('hypocrisie is het hommage dat de zonde brengt aan de deugd'), Pascal, Saint Simon, Racine. Tot en met Houellebecq en Despentes. Het nominalisme is augustijns omdat het aantoont hoe willekeurig algemene begrippen zijn en hoe wankel de band tussen ons denken en de werkelijkheid is.

Wezenlijk pelagiaans daarentegen is de Barok met zijn nadruk op de kracht en glorie van de mens, met zijn concept van architectuur als eerbetoon aan - en spiegel van de hemel.

Wezenlijk pelagiaans is de Verlichting met zijn nadruk op het uittrekken uit de duistere onmondigheid waar de mens zelf schuld aan is. Wezenlijk pelagiaans is ook de protestantse kerk in Nederland vanaf de jaren zestig met haar nadruk op het goede doen en haar eindeloze moralisering van de theologie en het godsbeeld. Onze behoefte om wees en weduwe te helpen en dat vooral als vervulling van het geloof te zien, want ach, wat je aan de minste van de mijnen hebt gedaan, heb je aan mij gedaan.

En vreemd, hoewel die pelagiaanse kerk zich sterk leek te keren tegen de maatschappij (onlangs nog met een protest tegen zelfverrijking, het pleiten voor uitgeprocedeerde asielzoekers, en het sluiten van biologisch convenant - medewerking aan een informatiecampagne ter promotie van biologische producten - kan het nog absurder!), is ook die maatschappij zeer pelagiaans in zijn geloof aan het goede. Kerk en maatschappij lijken intens veel op elkaar want beiden gaan uit van de mogelijkheid het goede te realiseren. En echt, dat is niet voorbij met het besef dat we niet meer kunnen streven naar een maakbare maatschappij; het zit dieper. Kerk en maatschappij zijn elkaars spiegelbeeld en verschillen alleen met elkaar over wat het goede is. Maar beide zijn in zekere zin diep narcistisch. Want beide hadden geen oog meer voor ons onvermogen om werkelijk het goede te realiseren. We trokken naar Srebrenica en dachten dat onze goede ideaal wel zou werken en het werd drama. Een verwijtbaar drama. De les van een Hannah Arendt hadden we vergeten of geweigerd te integreren, een eminent vertegenwoordiger van de augustijnse lijn. Die had uitgelegd dat het kwaad geen doelbewust kwaad was, maar een neveneffect van braaf en plichtsgetrouw handelen (Eichmann in Jerusalem; Verantwoordelijkheid en Oordeel). Srebrenica was het neveneffect van onze goede bedoelingen, Gesinnungspolitik, maar de boodschap van Hannah Arendt was te onaangenaam. Immers, dieper dan wij dachten ligt in onszelf de breuk goed-kwaad!

Wat dus leidde tot de conclusie dat Augustinus het in hoge mate bij het rechte eind had: wij spelen verschillende rollen, maar weten werkelijk niet wat de kern is van dat vat vol tegenstrijdigheden. Je zou het zelfs nog sterker kunnen zeggen: omdat de mens zo'n vat vol tegenstrijdigheden is, heeft hij ook geen echte kern en is hij in feite leeg. Hij is gedoemd wisselende rollen te spelen bij gebrek aan echte kern. Hij lijkt een persoon, maar is het niet, hij is van meet aan gedepersonaliseerd, dus zonder kern in zijn persoon. Maar in ons drukke rollenspel hadden we dat niet door en vergaten we dat idealen met mate gevoerd moeten worden. We overspeelden onze hand, of het nu ging om dat wangedrocht van het te grote ideaal van Samen-op-Weg (wat zou Freud daar fraai illustratiemateriaal aan hebben gehad), de EU, de vredesmissies etc. We vergaten de les van Augustinus, Freud en Arendt dat onze persoon nauwelijks een kern heeft. Toch heb je de confrontatie met dat denken nodig wil je het verhaal van onze cultuur opnieuw kunnen vertellen. Want in die depersonalisatie, de mens zonder kern, zonder eigen soortelijk gewicht, ligt de oorsprong van het huidig onbehagen. Ook het theologisch onbehagen. Weliswaar hadden wij juist zo prettig afscheid genomen van de karikaturen van het calvinisme, met zijn nadruk op de zwakte van de mens, nu blijkt er wellicht meer in te zitten dan we hadden gehoopt. We zijn geen persoon tenzij opnieuw geboren: Romeinen 6. Heel vervelend. Want we wilden toch de verworvenheden van de Verlichting niet kwijt? Klopt. Maar die ging toch uit van de kracht van het verstand en het goede? Nee, au fond niet. Want de voornaamste eigenschap van de Verlichting is haar vermogen verstand en geloof een eigen domein aan te wijzen. Niet allerlei moderne verworvenheden als gelijkberechtiging van man en vrouw. Verlichting is niet God naar de rommelzolder verwijzen, maar Hem hooghouden en dat andere terrein, van de ratio, laten begrenzen. Verlichting zoekt de confrontatie met de religie, d.w.z. begrijpt dat je het verhaal van de cultuur niet kunt vertellen zonder het verhaal van religie en vice versa. Want religie zonder ratio is sentimentaliteit en hallelujachristendom, ratio zonder religie is geborneerde platvloersheid. Zo'n hernieuwde confrontatie is hard nodig want op dit moment zijn cultuur en religie door hun grote isolement aan het eind van hun Latijn. Religie moraliseert, cultuur amuseert; dan zit je bij beiden snel aan de uiterste houdbaarheidsdatum.

Nee, willen we het onbehagen voorbij, dan zullen we naar een belevingslaag moeten die mensen een zekere authenticiteit teruggeeft. We kunnen dus niet de valse romantiek van Verbrugge volgen met zijn ideaal voor de toekomst, een ideaal dat in het verleden ligt. Authenticiteit vraagt om het aansluiten bij de ervaringen van mensen (Schleiermacher). Let wel, bij hun ervaringen, niet bij hun behoeften (kerk is wat meer dan 'u vraagt, wij draaien'). Waarom spreken wij b.v. nooit over huwelijk, liefde, verraad, buitenhuwelijkse affaires? Dat zijn de ervaringen waar mensen mee leven, maar wij beperken ons liever tot de droge biscuitjes van de burgermans moraal. Zouden we weer aansluiten bij de ervaringen, dan zou dat inhoudelijk neerkomen op het vermogen opnieuw te spreken over de gein, bekoorlijkheid en glans van het leven. Gein, het Hebreeuwse woord voor bekoorlijkheid en genade; glans, het Latijnse woord gratia, dat ook genade betekent. Een nieuwe genadeleer dus. Dat wil zeggen, het vermogen om beeldend te spreken over pakweg de Drie Gratiën van Botticelli, de glans van het bestaan te laten stralen, de verheffing te verbeelden en de herschepping uit tekenen. Gratiën die de breuken van het bestaan weergeven (de liefde, het geloof en de wil), maar tevens ook verwijzen naar dat wat aan gene zijde ligt van die breuken. Handhaaf als uitgangspunt in de Reformatie het sola gratia (alleen door genade), doe het sola fide (alleen door geloof) en het sola scriptura (alleen de Bijbel) maar weg. Authenticiteit vraagt tenslotte dat we het zelf voorleven en dat we instrumenten hebben om beleid te maken. Leiderschap dus.

Durf eens wat van de katholieke kerk te leren. Predikanten zijn geen kruideniers maar ambtsdragers. Maak dus een ambtsleer, maar wacht niet op de landelijke kerk, want die is er over tien jaar niet meer. Zo'n ambtsleer durven protestanten niet meer te formuleren vanwege een verstarrend democratiseringseffect, erfenis van de jaren zeventig. Resumerend: het huidige onbehagen is de stem van valse romantiek, heimwee en kitsch in een angstige maatschappij die zichzelf heeft overleefd. Het echte onbehagen gaat over de diepe depersonalisatie die ons aankleeft, het overschatten van wie we zijn of kunnen zijn, terwijl er misschien helemaal geen zijn is. Die depersonalisatie hebben we gemaskeerd door ons op moraal te werpen. Maar daar bloedt de kerk aan dood. Je komt onbehagen slechts voorbij door de drieslag authenticiteit, nieuwe genadeleer en leiderschap.

Zeiden de Pelagianen, maar in Augustinus' ogen is dat een schromelijke overschatting van onze mogelijkheden.Je komt onbehagen slechts voorbij door de drieslag authenticiteit, nieuwe genadeleer en leiderschap.

Deel dit artikel