Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

de Tuinslak: Een naaktslak met een handvat

Home

Waarschijnlijk heeft iedereen weleens een tuinslak gezien. De tuinslak heeft het prototypische slakkenhuis, rechtsdraaiend gewonden met een bolvormige schelp, die dikwijls is voorzien van vrolijke kleurtjes. Vraag een kind een slakkenhuis te tekenen en je krijgt ongetwijfeld iets wat het meest lijkt op een tuinslak. Geen wonder, ze zitten overal. Ook in onze stadstuin, waar ze voor wat betreft het weekdierenrijk gezelschap hebben van segrijnslakken, naaktslakken en wat kleiner grut.

Terwijl naaktslakken altijd een gevoel van walging oproepen, worden tuinslakken leuk gevonden - behalve door eigenaren van moestuinen en hosta's. Een huisjesslak is eigenlijk net zo gebouwd als een naaktslak: een langwerpig, slijmerig lichaam, voelsprieten met oogjes en voorzien van een kruipbuik waarmee ze een glinsterend slijmspoor achterlaten. Maar om zich te onderscheiden, dragen ze een huisje op hun rug. Handig, want daardoor kun je ze gewoon met je vingers oppakken om eens van dichtbij te bekijken. Een huisjesslak is een naaktslak met een handvat.

De tuinslak komt in ons land in twee variaties voor, die uiterlijk volkomen identiek zijn op één kenmerk na: de kleur van de mondrand. De mond is het grote gat waar het slakkenlijf uit tevoorschijn komt. Bij de gewone tuinslak Cepaea nemoralis is de mondrand bruin en bij de witgerande tuinslak Cepaea hortensis wit (vandaar de naam). Tuinslakken zijn enorm variabel van kleur: je kunt tientallen slakkenhuisjes naast elkaar leggen en dan blijkt dat geen slak hetzelfde is als de andere. Er zijn drie basiskleuren: geel (dikwijls neigend naar olijfgroen), roze en bruin. En dan is er een bandering van bredere of smallere bruine strepen die over het huisje lopen, evenwijdig aan de windingen. Je hebt slakjes met geen, één, twee, drie, vier of vijf bruine bandjes. Op de zoekkaart die door evolutionmegalab.org is gemaakt wordt dat enigszins versimpeld tot geen, één of meer, maar dan nog is per soort een negental variaties mogelijk (roze zonder banden, geel met één band, enzovoort).

Het Evolution Megalab is in het leven geroepen door de Britse Open Universiteit om onderzoek te doen naar tuinslakken. In ons eigen land houdt de Leidse slakkenprofessor Menno Schilthuizen zich er ook mee bezig. Die enorme variatie van de slakkenhuisjes roept onder biologen allerlei vragen op, want de 'normale' toestand is toch dat een diersoort gemakkelijk te herkennen is aan de eenduidige kleurstelling. Een tijger is altijd een tijger met een geel-met-zwartgestreept vel. Er zijn geen gele, roze en bruine tijgers, met en zonder of met veel of weinig zwarte strepen.

Waarom is er dan wel zo veel variatie bij die slakjes? Heeft dat voordelen of nadelen? En zo ja, welke zijn dat? Zien tuinslakken in een weiland er anders uit dan hun soortgenoten aan de bosrand? En is die variatie in kleurtjes en streepjes genetisch vastgelegd en daardoor overerfbaar van de ene generatie op de andere? Of is het een willekeurig optredend patroon? Misschien is wel het leukste aspect van de slakken in de stadstuin dat ze ondanks hun ogenschijnlijk simpele leventje zoveel wetenschappelijke vragen oproepen.

Jelle Reumer is directeur van het Natuurhistorisch Museum Rotterdam

Deel dit artikel