Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De tranen van de landverhuizers in Rotterdam

Home

HARO HIELKEMA

'Toen zij uit Rotterdam vertrokken - vier eeuwen landverhuizers en emigranten' is tot en met 10 maart 1996 te zien in het Maritiem Museum 'Prins Hendrik' aan de Leuvehaven in Rotterdam, dinsdag tot en met zaterdag 10-17 uur, zon- en feestdagen 11-17 uur.

De expositie 'Toen zij uit Rotterdam vertrokken' in het Maritiem Museum 'Prins Hendrik' in Rotterdam staat dan ook stijf van de dramatiek. Zij toont de geschiedenis van mensen die leefden in angst en wanhoop, onzeker waren over de ontberingen die hen te wachten stonden en werden geplaagd door twijfel of ze niet van de regen in de drup zouden komen. Veel lange rijen wachtenden zijn te zien, bange ogen en schamele bezittingen. De context is anders, maar die beelden verschillen niet veel met wat de tv tegenwoordig bijna dagelijks van Bosnië of Rwanda laat zien.

In de afgelopen vier eeuwen scheepten honderdduizenden Europeanen zich in de Maasstad in om te ontsnappen aan vervolging vanwege hun geloof of overtuiging. Omdat hun toestand uitzichtloos was, omdat ze honger leden en geen kans op een redelijk bestaan hadden, omdat ze vluchtten voor de oorlog. Ze lieten hun familie en vrienden in de steek, namen afscheid van hun geboortegrond en een situatie die weliswaar onaangenaam maar wèl zeker was.

Zelfs in de stroom emigranten die in de jaren '50 en '60 met grote schepen uit Rotterdam vertrokken, hadden velen het gevoel dat het afscheid voorgoed was. De Algemene Emigratie Centrale hanteerde in die tijd weliswaar de slogan 'Emigreren is vooruitzien', maar daar hield je op de kade de tranen niet mee tegen.

Aanleiding tot de expositie is de herdenking dat de Pilgrim Fathers 375 jaar geleden uit Delfshaven vertrokken naar hun 'beloofde land', de nieuwe Engelse kolonie Virginia in Amerika. Ze waren maar met een handjevol, deze Engelse protestanten die de Anglicaanse kerk in hun vaderland te 'rooms' vonden en vanwege de godsdienstvrijheid naar de Nederlanden uitweken. De puriteinen vestigden zich eerst bij geloofsgenoten in Amsterdam en in 1609 in Leiden, waar ze bij de Pieterskerk woonden.

De godsdienstige opvattingen in Holland was hun toch te vrij en in 1620 ging de eerste groep op avontuur in Amerika. In een veel te kleine, lekkende boot voeren ze naar Plymouth in Engeland en vandaar maakten ze op de 'Mayflower' een oversteek vol ontberingen over de oceaan. Ze vormden de pioniers in Amerika en leverden beroemde nazaten af als de presidenten Franklin Roosevelt en George Bush. Leiden heeft de Pilgrim Fathers dit jaar min of meer vergeten, maar Delfshaven organiseerde een reeks van evenementen als herinnering aan die eerste groep landverhuizers. Het Pilgrim Father-kerkje in Delfshaven is speciaal nagebouwd.

Doopsgezinden

In de 18de eeuw kozen doopsgezinden uit de Rijn-Palts Rotterdam als vertrekpunt naar Pennsylvania, het gebied waar Engelse Quakers onder leiding van William Penn zich hadden gevestigd. De mennonieten, komend uit Zwitserland, maar afgezakt naar de Palts, vluchtten massaal voor de geloofsvervolging die ook armoede en hongersnood met zich bracht.

Soms waren de groepen die in Rotterdam op een schip wachtten, zo groot (in 1734 bijvoorbeeld 3 000) dat ze de stad niet in mochten. Onbemiddeld en ondervoed moesten ze hun tijd in de openlucht doorbrengen. Ondanks hulp van geloofsgenoten in Rotterdam, stierven velen voor de oceaanreis begon. Die was trouwens vaak ook rampzalig; de landverhuizers zaten onderdeks als haringen in een ton en uiteraard braken besmettelijke ziekten uit. Voedsel en drinken waren schaars, al meldde de menulijst van een schip als The Globe in 1722 dagelijks erwten met pudding, spek of stokvis en op zondag zelfs vlees en spek (één pond per persoon) en elke dag water en bier. Op de expositie liggen vertreklijsten van de doperse landverhuizers uit de Palts, met in 1741 de namen Hans Nicolas en Johan Peter Eisenhauer, voorvaderen van president Dwight Eisenhower.

Midden vorige eeuw stond de kade in Rotterdam zwart van de Christelijk Afgescheidenen, die in het spoor van hun dominees (Scholte, Van Raalte) gingen 'waar de Heere hen zou leiden'. Hun vertrek, uit onvrede met de hervormde staatskerk en vanwege maatschappelijk isolement, ging gepaard met veel spotternij. Het waren vooral mensen uit Noordoost-Nederland, die in Michigan de kolonie Holland stichtten - 'het tooverland der vrijheid, dat ongeloof en dweepzucht prijst', zoals in pamfletten werd gespot.

Tussen 1880 en 1920 trokken zo'n 25 miljoen Oosteuropeanen naar West-Europa om vandaar het Amerikaanse avontuur aan te gaan. Bijna een miljoen koos de Wilhelminakade in Rotterdam als vertrekhaven. De Holland-Amerika Lijn had tot in Bulgarije, Letland en Rusland kantoortjes, waar kaartjes konden worden gekocht voor de trein naar Rotterdam, de boot naar Amerika en opnieuw de trein naar elk station in de nieuwe wereld. 'Paupers, misdadigers of poligamisten' werden niet toegelaten in de States, 'idioten, onnoozelen en krankzinnigen' evenmin. Keuringsartsen zagen in Rotterdam al toe op de toestand van de reizigers. Brochures in verschillende talen gaven de landverhuizers informatie over het avontuur en wenken voor de zeereis ('warme kleding, vooral voor kleine kinderen, want het kan ook in de zomer flink fris zijn').

In de jaren '50 en '60 vertrok de laatste groep landverhuizers uit Rotterdam: uit economische motieven stapte een grote golf Nederlanders aan boord van beroemde schepen als de Groote Beer, De Rijndam en de Zuiderkruis en vestigde zich in verschillende emigratielanden. Ook toen waren de afscheidstaferelen ontroerend. Emigranten en thuisblijvers gingen er immers ook toen nog van uit dat ze elkaar waarschijnlijk nooit zouden terugzien. 'Scheiden doet lijden' blijkt uit de ontelbare uitzwaaifoto's die op de kade van de HAL zijn gemaakt; een paar honderd hangen op de expositie.

Deel dit artikel