Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De terrorist in ons hoofd

Home

BEATRICE DE GRAAF

'Terreur' is dit jaar het thema van de Maand van het Spannende Boek. Maar wie terreur wil begrijpen, leze echte romans, vindt Beatrice de Graaf

Duizenden boeken en artikelen zijn er de afgelopen jaren bijgekomen over terrorisme. In de Verenigde Staten zijn 'big data' bijeengeharkt en in een terrorismedatabase gestopt, zodat we nu kunnen vaststellen dat een terrorist gemiddeld op twee tot vijf kilometer afstand van zijn woonplaats een aanslag pleegt, meestal man is, single, gemiddeld tot hoog opgeleid en niet afkomstig uit de armste klassen.

Helaas zijn dit soort algemene waarheden ook op voetbalhooligans van toepassing; terrorisme valt nooit te voorspellen, en misschien ook wel nooit goed te verklaren. In elk geval komen we het hoofd van de terrorist via dergelijke studies vol onnavolgbaar sociaalwetenschappelijk jargon en bijbehorende tabellen niet binnen. Wie echt wil weten hoe de terrorist denkt en voelt en waarom hij (en soms zij) doet wat hij doet, leze een van de vele uitmuntende terrorismeromans die de afgelopen decennia zijn geschreven .

Wat kun je dan uit een roman halen wat de wetenschappelijke rijstebrijberg van terrorismeliteratuur veel moeilijker prijsgeeft? Heel veel natuurlijk, maar laten we twee cruciale aspecten noemen. Het eerste heeft betrekking op de binnenkant van de terrorist, het tweede op de buitenkant.

Een goede roman biedt ons allereerst iets waar zelfs de beste sociale psycholoog hoogstens met moeite en in dor proza toe in staat is: een kijkje in het brein van de terrorist. Neem drie romans uit recente jaren, 'De terrorist' (2006), van John Updike, 'Shalimar de clown' (2005), van Salman Rushdie of Martin Amis' korte verhaal 'De laatste dagen van Mohammed Atta' (2006), opgenomen in de bundel 'Het tweede vliegtuig'. Alle drie doen ze iets wat in de jaren onmiddellijk na de aanslagen van '9/11' en de daaropvolgende jaren controversieel genoeg was. Ze oordelen niet, presenteren het terroristische 'nieuws' niet als een vaststaand feit, maar kruipen in de belevingswereld van een geradicaliseerde djihadist.

Rushdie vereenzelvigt zich met terroristen in de verscheurde Kasjmir-regio in India. Je voelt het hete ijzer van de wapens waarmee in de blakerende zon wordt getraind. Amis reproduceert waarheidsgetrouw de woorden van de man die één van de vliegtuigen het Word Trade Center in navigeerde, Mohammed Atta, en construeert zijn laatste uren. Updike doet iets wat zo mogelijk nog lastiger is, hij probeert te laten zien hoe een jongen verleid kan worden tot religieuze radicalisering. Updike, de kenner van de dubbelzinnige en hypocriete Amerikaanse religieuze moraal, laat een half-Ierse, half-Egyptische Amerikaanse tiener opgroeien in een gebroken gezin in New Jersey. De jongen wordt door een louche imam ingevoerd in de geheimen van de Koran, ontwikkelt een eigen, soefistisch-mystieke vorm van godsdienstbeleving, en sluit zich aan bij een terroristische samenzwering. Op het laatste nippertje besluit hij toch van zijn daad af te zien.

In plaats van een politieke analyse van het verschijnsel terrorisme, of een zoektocht naar 'de feiten', bieden deze auteurs ons onzekerheid, tegenstrijdige motieven en verscheurdheid. Zo komen de hoofdpersonen ineens heel dichtbij. We gaan hun denken en daden misschien niet begrijpen, maar voelen wel de noodzaak van de keuzes, de pijn van hun mislukte levens. En dat is al heel wat.

Dit soort romaneske pogingen het kwaad te begrijpen en te ontmantelen, zijn niet nieuw. Joseph Conrad schreef in 1907 al een roman over de anarchistische aanslagen rond het einde van de negentiende eeuw, 'De geheim agent'. Doris Lessing schreef met 'De barmhartige terroriste' (1985) een portret van de idealistische kraakster Alice die revolutionair geweld begint te omarmen. De waanzin van Conrads getormenteerde agent-provocateur en de ongerichte woede van Lessings jonge marxisten komen schokkend dichtbij. Het is overigens nog lastig om vergelijkbare Duitse boeken te vinden, Friedrich Christian Delius' romans over de Rote Armee Fraktion (RAF) blijven nogal afstandelijk en zwaarwichtig, het recentere 'Het eerste weekend' (2008) van Bernhard Schlink, over een voormalig RAF-lid, verbeeldt zulke emoties en motieven ook niet erg overtuigend. 'Rood' (2001) van Uwe Timm is daarop een uitzondering.

Het is jammer dat we in de interpretatie van terrorisme en in de analyses van het fenomeen niet veel vaker onze toevlucht nemen tot de wereld van de verbeelding. Dan bedoel ik niet de consumptie van een spannende film, zoals het recente Baader-Meinhof-Komplex.

Een film blijft over het algemeen wat vaker in amusement en oppervlakkigheid hangen en concentreert zich op de handeling. Voor de psychologische onderdompeling in de wereld van echt of vermeend terrorisme hebben we een goede roman nodig. Terrorisme is juist het plegen of dreigen van geweld met als doel angst aan te jagen. Veel sterker dan bij 'gewone' apolitieke misdaden leeft terrorisme, en ook de strijd daartegen, bij de gratie van de verbeelding.

Dat brengt me bij een ander cruciaal aspect van terrorisme dat we eveneens het best literair kunnen doorgronden: dat van de buitenkant. Maar misschien kun je beter zeggen: de verwevenheid van de terroristische ander met onszelf. Er zijn al veel ingewikkelde studies geschreven over het verschijnsel dat contraterrorisme zijn eigen terroristen produceert, dat de angst voor terrorisme óók een culturele constructie is, en dat het soms wel erg makkelijk is om een regering of samenleving op stang te jagen en te provoceren. Maar goed, in een debat met politici of bewindslieden hoef je niet met genuanceerde verhalen over 'constructie' en 'verbeelding' aan te komen. Je wordt weggehoond. Een roman maakt veel meer kans die boodschap over te brengen.

Neem bijvoorbeeld het briljante boek 'De val van een fundamentalist' (2007) van de Pakistaanse auteur Moshin Hamid. Die roman is inmiddels op veel universiteiten in Amerika verplichte lectuur voor eerstejaars. Als ik de Nationaal Coördinator Terrorisme en Veiligheid was, zou ik hem ook als huiswerk meegeven aan alle nieuwe rekruten. Het boek speelt op huiveringwekkende wijze met de angsten en onzekerheden van de lezer, en roept een hoofdpersoon op waarvan we niet weten of hij dader is of slachtoffer wordt van een (contra-) terroristische aanslag.

Mooi is ook 'De onbekende terrorist' (2006), van Richard Flanagan. Als een soort remake van Heinrich Bölls 'De verloren eer van Katharina Blum' (1974) laat de auteur zien hoe een onschuldige vrouw via een kortstondige ontmoeting met een voortvluchtige terrorismeverdachte door allerlei speculaties van media en veiligheidsdiensten zelf tot staatsvijand nummer één wordt gebombardeerd. 'De onbekende terrorist' preludeert daarmee op de onthullingen en ophef rond de surveillance-staat die door Manning, Assange en Snowden wereldwijd op de agenda zijn gezet.

Die duistere kanten van terrorismebestrijding en preventie zouden ons echter niet hoeven te verbazen. Romanciers wisten dat allang. Mijn favoriet is nog altijd het boekje van G.K. Chesterton uit 1908, 'The Man who was Thursday'. Daarin infiltreert een overijverige inspecteur van Scotland Yard in een wereldwijd terroristisch netwerk van anarchisten, en ontdekt dat de kern van dat netwerk altijd al bestond uit agenten van zijn eigen geheime dienst.

Wie nu vindt dat terrorismebestrijders er wel erg slecht vanaf komen, en terroristen of terrorismeverdachten worden vergoelijkt, moet niet overdrijven. Heldhaftige Jack Ryans zijn immers al volop in de detectives en thrillers van Len Deighton, Robert Ludlum of Frederick Forsyth beschreven, en natuurlijk uitentreuren verfilmd. De vraag is alleen wat die romans ons aan diepere inzichten in het fenomeen bieden. Volgens mij niet veel. Dat geeft ook niet, ze lezen lekker weg, en je leert er vast wel iets uit over state-of-the-art wapentuig of nieuwe intelligence-technieken. Maar de terrorist wordt er niet in verbeeld, en onze eigen verbeelding wordt ook niet geprikkeld - of doorgeprikt.

Een laatste tip nog voor mensen die niet kiezen voor de sappige terrorismelectuur, maar zich willen laten meenemen in de worsteling van een zelfmoordterrorist en diens nabestaanden is 'De aanslag' van de Algerijnse schrijver Mohammed Moulessehoul (onder het pseudoniem Yasmina Khadra). De auteur verhaalt de wanhopige speurtocht van een Arabisch-Israëlische echtgenoot die wil begrijpen waarom zijn vrouw een zelfmoordaanslag pleegde. Hij krijgt natuurlijk geen antwoorden, want die zijn er niet.

Dit soort aangrijpende romans helpen ons gevoelens van woede- en onrecht te onderkennen van (vermeende) terroristen en radicalen, ze zouden ons kunnen helpen bij de volgende golf terroristisch geweld minder snel door morele paniek weg te worden gespoeld.

Vrijwel alle hier genoemde romans zijn in Trouw besproken in het seizoen dat de Nederlandse vertaling op de markt kwam.

Beatrice de Graaf (1976) is terrorisme-expert. Als hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen is ze verbonden aan de Universiteit Utrecht.



Het e-mailadres bij dit profiel is nog niet bevestigd. Een link om te bevestigen kunt u vinden in uw inbox.
Bent u de link kwijt? Vraag hier een nieuwe aan.

Wachtwoord is niet correct

tonen

Wachtwoord komt niet overeen

tonen

U moet akkoord gaan met de gebruiksvoorwaarden


Deel dit artikel

Advertentie