Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De straatprediker dronk cola met Jezus

Home

door Marc van Dijk

Brabant is de grootste rk provincie van Nederland. De secularisatie verloopt er iets trager dan elders. Trouw peilt het hedendaagse geloof in het land van Philips en van Gogh. Aflevering 11: De winkelstraten in met de schreeuwjezus van Eindhoven.

Ze noemen hem Jezus in Eindhoven. Iedere Eindhovenaar weet waar Jezus staat: op de kruising van twee winkelstraten, voor V & D. Maar de laatste tijd maakt hij steeds vaker rondjes; sommige winkeliers vinden het vervelend als hij de hele dag voor hun deur staat. Niet dat het bewegen erg veel helpt, maar toch.

Door een lichte mist valt hij niet op in zijn witte pak, maar je hoort zijn dagmantra al op tweehonderd meter afstand: ’Hoe vaak bent u al bedrogen? Dus u gelooft in een leugen! Bekeer u tot Jé-zus.’

Verreweg de meeste mensen lopen straatprediker Arnol Kox voorbij alsof hij er niet is. Anderen schudden hun hoofd, geven een knikje, een blijk van herkenning, een glimlach. Soms speelt hij daar vliegensvlug op in.

Hij steekt vanaf zijn invalidenwagentje zijn hand uit naar een zakenvrouw die hem vluchtig begroette, en roept: „Hé, kom eens hier, ik heb nog nooit voor jou gebeden.” Aarzelend stapt ze op hem af. Zijn rechterhand trekt haar naar zich toe, zijn linkerhand landt zachtjes op haar voorhoofd.

Een moment vormen ze samen een eigenaardig meditatief eilandje in de aanhoudende mensenstroom. Dan maakt ze zich los. „Sorry, ik moet weg, maar ik kom nog wel eens terug.”

In een grand café legt Arnol Kox uit hoe het zo gekomen is – korte pauzes staat hij zichzelf wel toe, al neemt hij er weinig.

Kox (53), geboren in een katholiek gezin in Bergeijk: „Toen ik zestien jaar en acht maanden oud was, heb ik een brommerongeluk gehad. Een schedelbasisfractuur en een gebroken been. Ik heb negen maanden in het ziekenhuis gelegen, eerst in coma. Toen ik weer wakker was, heb ik op die twee vierkante meter veel nagedacht. Waarom krijg ik elke dag een nieuwe dag? Als ik er een einde aan maak, is er dan ook een einde?”

Hij blijft vrij hard praten, en zijn soundbites trekken onvermijdelijk de aandacht, al doen de mensen ook hier hun best hem te negeren. „Zij die zeggen: er is geen God, kunnen dat niet bewijzen. Zij die zeggen: er is een God, kunnen dat ook niet bewijzen. Met behulp van mijn technisch inzicht kwam ik tot de conclusie dat iedereen dus verplicht gelooft – óf in de waarheid, óf in de leugen.”

Maar hoe weet je of je in de leugen gelooft of in de waarheid? „Ik dacht: laat ik maar geloven dat er een vervolg is, want als het er niet is, is het er niet. Maar als het er wél is en ik heb het niet geloofd, kom ik bedrogen uit.”

Tot zover is Kox’ redenering rationeel te volgen. „Toen kwam de vraag: welke godsdienst is nou de echte godsdienst? Ik dacht: laat ik maar voor de God van de liefde kiezen, de God van mijn moeder, want ik heb best een lieve moeder. Nadat ik gekozen had, had ik gekozen. Toen kwamen de openbaringen.”

Over zijn openbaringen doet Kox niet verheven. Iedereen krijgt immers zulke ’licht-inzichten’, zegt hij, alleen kun je ze niet verstaan zolang je nog niet gekozen hebt. Ineens begreep hij wat godsdienst was. „De aarde is een uiting van liefde, Gods dienst aan ons.”

Het is nu 37 jaar geleden, hij moest opnieuw leren lopen, eten, spreken. „Doen die negen maanden je niet aan iets anders denken? Ik ben nu 37.”

Zijn lts elektro maakte Kox nog af. Daarna ging hij aan het werk, maar ’het werkte niet meer’. Toen hij een tijd in de plantsoenendienst werkte, ging hij voor het eerst de straat op, in het begin alleen op vrije dagen. „Eerst keek ik alleen maar, ik zei niets. Dat is langzaam gegroeid.”

Nu staat hij er elke dag van elf tot vijf, weer of geen weer. Hij begint zijn dag in de Lambertuskerk, een van de weinige rk kerken in Brabant waar nog dagelijks de eucharistie wordt gevierd. In de weekends is hij alleen in de namiddag op straat, omdat zijn vrouw hem ook wel eens wil zien (zie inzet).

De chocolademelk is op, terug naar het ’zaaiveld’. In de straten vol winkelend decemberpubliek bekijken drie meisjes nieuwsgierig de tekstborden die aan Kox’ wagentje hangen. Hij vraagt ze of ze gedoopt zijn. Jawel, dat zijn ze, ooit, lang geleden. Of hij Jezus daarvoor mag bedanken?

Met een vraag-antwoord-spel dat hij al duizenden keren heeft gespeeld, weet hij ze langzaam dichterbij te krijgen, en meer op hun gemak. De meisjes blijven giechelen, maar na een paar minuten mag Kox voor de oudste bidden, zijn voorhoofd bijna tegen het hare. Ineens stoot hij onbegrijpelijke, ongrammaticale klankreeksen uit. De twee wachtende vriendinnen kijken elkaar vragend aan.

„Dat was glossolalie, de taal van de heilige geest”, legt Arnol uit. Wat het betekende, wil een van de meisjes weten. „Dat weet ik zelf ook niet”, antwoordt hij. „Als jij je hart toevertrouwt aan Jezus, zal het je duidelijk worden.”

De meisjes gaan verder met winkelen. Ze weten nog niet of ze iets met de mysterieuze boodschap kunnen. Meike van der Velden (14): „Ik weet niet of ik het geloof. Het kán waar zijn, wat-ie zegt.” Nury van Corven (13): „Hij praat mooier dan de mensen in de kerk.” Niki Marinus (13): „In de kerk duurt het veel te lang.”

Op Kox’ openbaringen volgde een enkele bijzondere ontmoeting, zoals twaalf jaar geleden. Kox: „Er kwam een zwerver op me af, hier, op m’n vaste stek. Ik keek hem in zijn ogen, hij leek bedroefd. Toen ik zag wie hij was kon ik het niet geloven. Hij heeft me zijn wonden laten zien. Het waren alleen nog littekens, op zijn handen en zijn voeten. Hij vertelde me dat hij steeds als vondeling is blijven terugkomen op aarde. Omdat de hemel hier is, midden onder ons. Ik heb hem meegenomen naar de croissanterie, waar we een uienkruier en een cola hebben genomen.”

Tosca van Beek (47) loopt voorbij en zwaait vluchtig naar Kox. „Ja, ik groet hem altijd”, zegt ze. Ze houdt van zijn positieve boodschap. „Een tijdje terug was hij er even niet, dan denk je toch: er zal toch niets met hem aan de hand zijn? Hij hoort hier gewoon.”

Het schemert, de mist wordt dichter en de straten leger. Arnol Kox rijdt slingerend de Grote Markt op – hij gaat op weg naar huis.

„Hé, Jezus!”, roepen drie opgeschoten jongens. Arnol zwaait lachend. „Het is een hele eer dat ze me vergelijken met mijn ideaal. Maar het is ook wel een beetje blasfemisch. Je zal het mij zelf nooit horen zeggen. Natuurlijk ben ik Jezus niet, hoe zou dat ook kunnen, ik heb hem zelf ontmoet.”

Deel dit artikel