Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De schone Tour van ’68

Home

Peter Sierksma en Koos Schwartz

Net als de Tour de France die dit weekend begint, zo moest ook de Tour van 1968 de start van het nieuwe, dopingvrije wielrennen zijn. De Tour van 1967 was op een ramp uitgelopen, alles draaide om de vraag in hoeverre het wielrennen nog ’schoon’ kon zijn en wie nog te vertrouwen was.

  • Interactieve kaart met de route van De Tour van 2008
  • Op zondag 21 juli 1968 won Jan Janssen als eerste Nederlander de Tour de France. Hij plaatste zich daarmee in het rijtje grote sporthelden van de jaren zestig, met Anton Geesink, Sjoukje Dijkstra, Ada Kok, Kees Verkerk, Ard Schenk, Coen Moulijn en Johan Cruijff, die met hun uitzonderlijke prestaties de voltooiing van de wederopbouw van Nederland een bijzondere glans gaven.

    Maar zo keek Jan Janssen natuurlijk niet naar zijn overwinning. Voor hem was de kroon op zijn wielercarrière vooral de bevestiging van een juiste maatschappelijke keuze, die destijds vele malen riskanter was dan nu het geval is. Aan Jan Siebelink vertelde Janssen voor de bundel ’Pijn en genot’ (1992) hoe belangrijk die ene overwinning in zijn leven is geweest: „Had ik geen succes geboekt in het wielrennen, had ik die Tour niet gewonnen, op die zondag 21 juli 1968, dan was ik gewoon lasser gebleven of grondwerker of routier geworden. Dagelijks denk ik daaraan. Ik heb alles aan de fiets te danken (*). Soms rijd ik met mijn vrouw nog weleens door het hooggebergte in Frankrijk en dan denk ik vol bewondering: die heb jij bedwongen, Jantje. En al dat geluk is terug te brengen tot die 54,7 laatste kilometers van de vijfenvijftigste Tour de France, die van 1968.”

    Janssen heeft gelijk. Zonder die laatste tijdrit van Melun naar Parijs was het leven van Jantje heel anders gelopen. Voor hij die dag aan de start kwam, had Janssen een achterstand van 16 seconden op de Vlaamse geletruidrager Herman van Springel, die als een betere tijdrijder werd beschouwd. Bovendien had hij slechts een voorsprong van 1 minuut 40 op de uitgesproken tijdritspecialist en houder van het werelduurrecord Ferdinand Bracke, die opmerkelijk goed de bergen doorgekomen was.

    Niets wees daarom die zondagochtend in Melun op een Hollandse tourzege. Toch geloofde Janssen erin, getuige zijn opmerking tegen Trouw-verslaggever Frans Nypels: „Nog nooit heb ik zo dicht bij de verwezenlijking van mijn ideaal gestaan. Dacht je nou werkelijk dat Jan Janssen zich de kaas van het brood laat eten?”

    En zo gebeurde het. Janssen reed als een ’dolle stier’ en had na afloop in het Parc des Princes 38 seconden voorsprong op Herman van Springel en zelfs 3 minuut 3 op Bracke. Hij huilde van geluk en kon op het moment dat hij zijn vrouw Cora met dochter Karin (’Die kleine had een heel leuk jurkje aan’) in haar armen zag niets anders uitbrengen dan: „Cora, kind, ik heb ’m!” en „Karin, papa heeft de Tour gewonnen!”

    Over die laatste tijdrit van de Tour van ’68 is veel te doen geweest. Nog altijd menen Vlaamse journalisten en supporters dat de Tourdirectie Janssen geholpen heeft. Dat de tijdwaarneming vervalst is, dat Jan een minuut te vroeg mocht starten, dat hij op een beslissend moment de kans kreeg dicht achter de motoren te stayeren en zelfs dat er voor de start een vreemd pakketje met een dopingmiddel in de auto van de ploegleider van Van Springel (Frans Cools) werd gedeponeerd voor het geval dat. Onmogelijk kortom, Jan Janssen moest de Tour wel winnen.

    Dit is niet de plek om de turbulente en uitgebreid beschreven geschiedenis van de tijdrit nog eens over te doen. Wel is het waar dat de Tourdirectie in 1968 hunkerde naar een ’echte’ kampioen en dat Janssen daar in het tijdperk na Jacques Anquetil en voor Eddy Merckx serieus voor in aanmerking kwam.

    Janssen was een naam in het peloton. De in 1940 in Nootdorp in een ’fijn katholiek gezin’ geboren Janssen werd in 1964 in Sallanches wereldkampioen op de weg en won in 1964 en 1965 al de groene trui. In 1966 bleek dat hij behalve sprinten ook kon klimmen. Janssen droeg dat jaar één dag de gele trui en werd tweede in het eindklassement na de Franse verrassing Lucien Aimar.

    Toen volgde het rampjaar 1967. Samen met Poulidor was de brildragende en alleen daarom al immer opvallende Janssen de grote favoriet, maar door een onverwachte ontsnapping op vlak terrein bouwde de Franse knecht Roger Pingeon zo’n grote voorsprong op, dat hij de gele trui tot in Parijs kon vasthouden. Janssen werd vijfde.

    De overwinning van Pingeon was echter niet de enige smet op de Tour van 1967. De ronde werd overschaduwd door het drama van de dood van Tommy Simpson, de Engelse renner die op 13 juli in de rit naar Carpentras bezweek op de flanken van de Mont Ventoux. Wat veel mensen vergeten zijn, is dat Jan Janssen die rit won en dat het wel eens heel anders had kunnen lopen als Simpson die dag niet gestorven was.

    Net als na de dood van de Italiaan Fabian Casartelli in 1995, werd het peloton de dagen na het drama door rouw overmand. Behalve over de dood zelf ging het vooral over de omstandigheden er omheen. Hoewel Janssen het altijd heeft ontkend – belangrijker was, zo vertelde hij eens, dat Raymond Poulidor, dé favoriet van 1967, bij Pingeon in de ploeg zat en daarom niet meer voor eigen kans kon rijden – moet de verslagenheid in het peloton het koersverloop sterk hebben beïnvloed.

    Hoe het ook zij, boven alles werd er over doping gesproken. De goedlachse gentlemanSimpson was niet alleen bezweken aan de hitte, maar ook aan een gemene cocktail van amfetamine en alcohol. In een interview met de Franse sportkrant L’üquipe heeft Janssens ploeggenoot Johnny Schleck, de vader van Frünk en Andy, in 2006 nog eens benadrukt hoe de mensen bij de cafeetjes aan de voet van de berg klaarstonden met limonade, bier en champagne. En geen renner die het niet nam, al was het maar omdat drankverstrekking vanuit de ploegwagens volgens de reglementen verboden was.

    Kort en goed, de Tour van 1967 liep uit op een ramp en dat had grote gevolgen. Net als in 1999 (het jaar na de epo-affaire met de Festinaploeg) en dit jaar (na de schandalen van de afgelopen periode met Landis, Ullrich, Vinokoerov, Rasmussen en alles wat er zich rond de artsen Fuentes en Ferrari heeft afgespeeld), draaide het in 1968 om de vraag in hoeverre het wielrennen nog ’schoon’ kon zijn en wie er nog te vertrouwen was.

    De dopingcontroles werden geïntensiveerd, renners die de antidopingreglementen (de voorlopers van de formulieren over de whereabouts) niet wensten te tekenen, konden naar huis gaan. Oud-kampioen Rick van Steenbergen zei – waar hebben we het eerder gehoord? – dat de Tour van 1968 ’van beslissende betekenis’ was ’voor de ontwikkeling van de wielersport’.

    En Jan Janssen? Die hield vol dat een Tour op water en brood gewonnen kon worden, al verzette hij zich fel tegen de op de dopinglijst genoemde vitaminepreparaten. Verder kon hij leven met de nieuwe maatregelen en was hij blij dat ’de jongere renners’ tevreden waren.

    Zoals de Tour dit jaar aan de start in Brest garant moet staan voor het ’nieuwe wielrennen’, zo begon ook de Ronde van 1968 met een schone lei. Des te vervelender moet het voor de sport geweest zijn dat de kranten op de eerste dag al melding maakten van grote spanningen binnen de Nederlandse ploeg (er werd in dat jaar net als in 1967 met landen- in plaats van merkenploegen gereden).

    En om wie draaide het allemaal? Om Janssen zelf. Juist hij, kopman en Tourfavoriet, was in zee gegaan met de Spaanse verzorger van zijn merkenploeg Pelforth, José Vidal. De man werd ook wel ’de gifmenger’ genoemd en mocht nadat hij een keer betrapt was met een paar verdachte middelen in zijn koffertje, niet langer in België werken. Maar volgens Janssen en zijn ploeggenoot en latere Tourdirecteur Jean-Marie Leblanc had Vidal alleen maar ’lekkere sterke vingers’ waarmee hij iedere pijn kon weg masseren. Toen een kritische journalist Vidal aan het begin van de Tour nog eens naar zijn reputatie vroeg, opende Vidal uitdagend zijn koffertje waarin alleen maar zout en azijn te vinden waren. Daarmee was de kous af.

    Ook Janssen zelf was er als de kippen bij om alle geruchten uit de wereld te helpen. Hij verdedigde zijn keus en haalde opvallend fel uit naar zijn Nederlandse collega’s: „Iemand die veroordeeld is, blijft geen misdadiger. Ga je van dat principe uit, dan moet je consequent zijn en renners als Schepers, Dolman, Van der Vleuten, Beugels en Vianen ook niet in de Tourploeg opnemen.”

    Die uitspraak gaat niet alleen over de doping zelf. Janssen had moeite met de zwakke ploeg die ploegleider Ab Geldermans op de been had gebracht en kon met name de ’matige’ Van der Vleuten en de altijd voor eigen kans rijdende Vianen niet velen. Hij kreeg gelijk. Van der Vleuten moest al na de eerste etappe opgeven en voor de bergen echt begonnen waren er na allerlei pijntjes, ruzies en kwalen (Trouw op 2 juli: ’Zonder doping gaat het bij Zilverberg niet’) nog maar drie landgenoten over: Den Hartog, Dolman en Beugels.

    Toen Janssen in de Pyreneeën tijdens de beklimming van de Tourmalet meer dan drie minuten verloor op zijn belangrijkste concurrenten Poulidor en Bracke, leek de Ronde verloren. Maar langzaam maar zeker veroverde Janssen terrein terug (Poulidor viel in de veertiende rit naar Albi en stapte later af) en toen hij in de laatste Alpenrit in Sallanches als vijfde eindigde, vertrouwde hij NOS-verslaggever Jean Nelissen uitgeput toe: „Ik heb mijn Tour gered.”

    Dat was zo, al kon hij toen niet vermoeden dat een onbekende renner op de voorlaatste dag nog bijna roet in het eten zou gooien. Maar toen ook de onbekende André Poppe (zie kader) sneuvelde, kon het echt niet meer fout gaan.

    Deel dit artikel