Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De rode lopers van de radio

Home

Hans Nauta

Het is zo vanzelfsprekend, zo’n inleidend deuntje van een radioprogramma. Maar de tune is wel de herkenning.

Radiomuziek

’Het Tunes Boek’ van Jelle Boonstra en Benno Roozen, uitgeverij Nijgh en Van Ditmar. 263 blz. 24,90 euro, ISBN 9789038803449

’Een mooie tune, feilloos ingesproken, kan mij net zo ontroeren als een dichtregel van Gerrit Achterberg’, schrijft radiomaker Frits Spits in het voorwoord van ’Het Tunes Boek’. Als röntgenfoto’s tonen tunes wat de luisteraar niet kan zien, ze geven een programma stevigheid en de maker inspiratie en steun. ’Als slingers hangen ze in mijn radiowerk.’

Jelle Boonstra en Benno Roozen, beiden lid van het ’Genootschap Radiojingles en -tunes’, houden evenzeer van die herkenningsmelodieën (of kenwijsjes, in Vlaanderen) als Spits en zijn collega’s. Voor het Tunes-boek verzamelden zij bijna alle radiotunes die sinds 1919 gebruikt zijn. Meer dan 2400 stuks, voorzien van achtergronden en anekdotes.

Zo’n muzikale rode loper is bij voorkeur instrumentaal en moet passen bij de klankkleur van het programma en bij het tempo van spreken en denken. En daarbij moet een tune ’wel een beetje te harden zijn’, zegt Will Luikinga, want soms zit je er als dj voor jaren aan vast. Dat geldt dan ook voor de luisteraar, die zich bemoeizuchtig kan gedragen als een fijne tune wordt vervangen door iets nieuws, en zijn leefomgeving zo opeens van kleur verschiet.

De meeste klaagbrieven gingen over de vaakst gedraaide tune: ’Gute Nacht, Freunde’, waarmee programma-oprichter Kees Buurman ’Met het oog op morgen’ in 1976 de juiste laat op de avond-sfeer wilde geven. Al na de proefuitzending moest hij de NOS-leiding uitleggen waarom hij met Reinhard Mey voor een Duitse zanger gekozen had. Jarenlang kreeg de redactie brieven met verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog en om die gevoeligheid was Mey tot in de jaren tachtig op 4 mei in het Frans of Nederlands te horen. De brievenstroom groeide weer na het rookverbod van 2004, want Mey zingt over een sigaret. Een luisteraar spande vergeefs een procedure aan bij het Commissariaat voor de Media.

Nadat Mey vier regels gezongen heeft, gaat de tune overigens verder met de instrumentale versie van het Vara Dansorkest. ’Boze tongen’ beweren dat er een kwart noot verschil zit tussen Mey en het Dansorkest, ook daar kwamen brieven over. Maar Buurman zei met opzet uit drie opnames de meest valse versie te hebben gekozen. ’Een tune moet niet mooi zijn, je moet ervan ophoren, wakker worden. Een knarsend grindpad moet het zijn.’ Dat grindpad is inmiddels geasfalteerd, merken Boonstra en Roozen op: het toonverschil is digitaal weggewerkt.

Ook rond de schijnbaar onbeduidende piepjes voor het nieuws is veel te doen geweest, schrijft het duo in een van de terzijdes. In 1991 waren de zes piepjes al teruggesnoeid naar drie, wat volgens een technicus betekende dat er jaarlijks een etmaal meer radio gemaakt moest worden. In 2001 ontstond ’grote commotie’ toen ze werden ingeruild voor een modern geluidje. De duivenmelkers pikten het niet, die hadden sinds 1948 hun postduivenklokken op de piepjes gelijkgezet. De vereniging Vrienden van het Tijdsein werd opgericht, en Remco Campert betreurde dat er weer iets verdween wat bewaard zou moeten blijven.

De bekendste en populairste tune is de klaroenstoot van de Top-40 (’Blue Tango’ van Sid Ramin), de langstlopende was ’Run Rabbit Run’ (54 jaar bij Avro’s Hersengymnastiek) en de langste is de acht minuten durende finishtune ’Tarantuella’ bij ’Radio Tour de France’. Boonstra en Roozen memoreren ook de mooiste radiostilte: in 1975 werd in het VPRO-programma Nova Zembla een saaie spreker steeds verder weggeschoven, waarna het een half uur lang stil was. Een doodzonde in het omroepbestel, waar een seconde radiozendtijd 310 gulden kostte.

Het boek zit vol met dergelijke zijsprongen, want tunes zijn ook een mooie aanleiding om te pootje baden in het vergeten omroepverleden.

’Het Tunes Boek’ markeert ook het einde van een tijdperk. De opkomst van zendercomponisten, die een volledige huisstijl verzorgen, heeft de tunes van handelsplaten bijna weggevaagd. Steeds meer muziek wordt door steeds minder mensen gemaakt. Het vak verhardt, ook financieel, vertellen componisten, zelfs in dit ’unieke radioland’, waar de eerste tune ter wereld te horen was.

Ir. Idzerda, die vanuit zijn huis aan de Haagse Beukstraat 8 ’radio-uitzendingen van een populair karakter’ verzorgde, begon de eerste uitzending op 6 november 1919 met een liedje uit een klein speeldoosje: ’Die Dollar Prinzessin’ van de Duitse componist Leo Fall, de tune was geboren. Het werd een populair programma. En uiteraard, want ’typisch Nederlands’ – ’beklaagden de buren zich weldra over al dat lawaai’.

Deel dit artikel