Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De postkantorengotiek van Cornelis Hendrik Peters

Home

PETER SIERKSMA

Niet alle geboortedagen worden groots herdacht. Zo zal er gisteren waarschijnlijk niemand, zelfs in Groningen niet, het jaar begonnen zijn met de gedachte of aantekening: '1 januari 1997, feest! Het is alweer 150 jaar geleden dat Cornelis Hendrik Peters (1847-1932) geboren werd.'

En toch is het zo. Op 1 januari 1847 werd een van Nederlands grotere architecten in Groningen geboren. Peters dus. Pupil van Cuypers, rijksbouwkundige en later rijksbouwmeester in de periode 1876-1916, eerst bij Financiën en later bij het nieuwe departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Maker van het Haagse departementsgebouw van Justitie aan het Plein, het oude - helaas tijdens de Tweede Wereldoorlog kapotgebombardeerde en daarna afgebroken - station te Nijmegen en niet te vergeten het hoofdpostkantoor in Amsterdam, het huidige Magna Plaza achter Het Paleis op de Dam. Allemaal imposante gebouwen, paleizen in het voetspoor van Cuypers aan wiens invloed hij zich langzamerhand onttrok toen hij na 1885 niet langer teruggreep op de gotiek, maar op de Hollandse renaissance en de in Duitsland invloedrijke romano-gotiek. De grote postkantoren van Arnhem (1888), Kampen (1901), Leeuwarden (1902) en Groningen, Nijmegen, Apeldoorn en Deventer (1907) zijn er duidelijke voorbeelden van.

Maar hoe hij zich ook aan de greep van Cuypers' stijl ontworstelde, uit zijn schaduw kwam hij nooit echt tevoorschijn. Hij moest uiteindelijk dan ook genoegen nemen met een plaatsje op de tweede rang. Niet voor niets sloegen Jan en Annie Romein-Verschoor hem over toen zij in hun 'Erflaters van onze beschaving' schreven: 'Zonder Cuypers geen Berlage', alsof er niemand tussen zat.

Had het anders kunnen lopen? Gevreesd moet worden dat de rang die Peters uiteindelijk in de geschiedenis toebedeeld heeft gekregen alles te maken had met de aard van de grootste opdracht die zijn levenswerk werd: de bouw van meer dan honderd nieuwe postkantoren in een leeg landschap. Met al die kantoren drukte Peters als weinig andere architecten zijn stempel op het aangezicht van heel wat dorpen en steden in Nederland. Maar - het bleven uiteindelijk postkantoren natuurlijk. En wie er dan zoveel in steeds dezelfde stijl bouwt, ontkomt niet aan een oordeel. Dus werd Peters al snel de man van de 'postkantorengotiek' genoemd en later ook nog eens een 'sjablonenbouwer'. Beide aantijgingen moeten de architect zeer gegriefd hebben. In de eerste plaats nam hij zoals gezegd na 1885 juist nadrukkelijk afstand van Cuypers' neo-gotiek en daarbij: als er iemand zijn hele leven juist zijn best deed standaardvoorschriften en -plattegronden te vermijden was het Peters wel. Kunsthistoricus Henk van de Schoor: “Hoeveel ze ook op elkaar mochten lijken: bij hem was geen postkantoor hetzelfde. Zelfs al waren ze even groot en even belangrijk zoals in Zuidhorn en Zuidlaren, dan nog beet hij zich zo vast in de gedachte om van elk kantoor een uniek kunstwerk te maken, dat bepaalde ruimten speciaal daartoe op de tekening verschoven werden en het trappenhuis een andere plaats kreeg.”

Sinds 1990 doet Van de Schoor, wetenschappelijk medewerker bij de vakgroep architectuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Leiden, onderzoek naar de bouw van postkantoren in Nederland tussen 1850 en 1960. Behalve het werk in de archieven, reist hij ook met grote regelmaat het land door om alle postkantoren uit die periode te bekijken. Hij koopt prentbriefkaarten, maakt dia's en wordt evenzovaak uitgenodigd door de bewoners van al die oude postkantoren. En zo krijgt hij langzamerhand niet alleen een overzicht maar ook inzicht in het bouwpatroon van het postkantoor (met de kerk, het raadhuis en de schouwburg vaak - zeker in het begin van de eeuw - het gezichtsbepalende gebouw in een dorpskern of een oude binnenstad; stations lagen meer buiten het cen-trum) in Nederland.

Die geschiedenis wordt pas zichtbaar na 1850, wanneer het rijk zich voor het eerst met de post gaat bemoeien. Van de Schoor: “Voor die tijd moesten de mensen de post afhalen op het posthuis, waar de postdirecteur de brieven uitdeelde. De post was een geheel particuliere zaak waar de overheid volgens de liberale 'laissez-faire'-opvatting van die tijd geen enkele bemoeienis mee had. Na de Grondwetswijziging van 1848 verandert dat. De posterijen groeien en het idee komt op dat ook hierin de staat een dienende taak heeft. Zo worden in 1850 ongeveer negentig postkantoren aangewezen. Dat gaat als volgt. In steden of dorpen groter dan 2000 inwoners wordt een postdirecteur aangesteld, die in overleg met de gemeente een ambts- en dienstwoning mag betrekken. Meestal was dat een oud herenhuis in het centrum. De staat huurt dat pand voor een goede prijs dan vervolgens van de gemeente en daarmee is alles geregeld.”

Lang duurt deze constructie niet. Het nadeel van al de kantoren aan huis was dat in het geval van de pensionering van zo'n postbeambte met de komst van zijn opvolger ook meteen het adres veranderde. Van de Schoor: “Wat je vaak ziet is dat het postkantoor met de nieuwe postdirecteur mee verhuist. In Utrecht zie je bijvoorbeeld dat het gebouw eerst aan de Oudegracht zit, dan aan het Janskerkhof, vervolgens Achter de Dom en uiteindelijk naar het Neude verplaatst wordt. Om vooral in de grote steden van die verwarring af te komen, stuurt het rijk in 1869 een circulaire rond waarin men te kennen geeft voortaan te streven naar meer permanente vestigingen.”

Parallel aan die wens loopt overigens de 'fusie' van het post- en telegraafbedrijf. Hoewel het tot 1893 (als de PTT wordt opgericht) twee aparte afdelingen blijven, wordt de telegrafie in 1870 van Binnenlandse zaken naar Financiën overgeheveld en vormen ze langzaam maar zeker een twee-eenheid.

Ondanks het feit dat het rijk vasthield aan de beleidslijn dat 'het postkantoor' in de eerste plaats een zaak was van de gemeenten was en de gemeente ook eindverantwoordelijk was voor plaats en bouw, komt er na 1875 een nieuwbouwgolf op gang waarbij Peters als eerste architect opvalt. Hoe is dat verschil tussen theorie en praktijk te verklaren?

Van de Schoor: “Problemen ontstaan wanneer de posterijen groeien. De omvang groeit vooral in de jaren tachtig en negentig. Dan worden er ook heel veel nieuwe diensten ingevoerd. Het aantal postpakketten, postwissels en brieven groeit en daarmee ook het aantal loketten. Dus als zo'n huurperiode dan afloopt, dan komen de posterijen met allerlei jammerklachten van dingen die niet kloppen. De gemeenten gaan klagen, het rijk zegt: 'Het is jullie verantwoordelijkheid om een nieuw gebouw te zoeken', waarop de gemeente weer zegt: 'Goed, maar dan gaat wel de huur omhoog'. En dan komt er een punt dat bouwen voor het rijk goedkoper wordt dan huren.”

Het eerste postkantoor dat Peters ontwerpt is dat van Enkhuizen. Met de bouwtekening in de hand laat Van de Schoor zien hoe duidelijk de invloed van Cuypers en De Stuers hier nog is. “Net kleine burchtjes: dat hoektorentje, asymmetrisch van aanleg... alleen de kantelen en de ophaalbrug ontbreken bij wijze van spreken. Je ziet het ook aan het opschrift boven de bouwtekening: 'Enkhuizen' is geschreven in bijna gotische letters en ook dat past heel goed in het beeld van de opvattingen van Cuypers, die met zijn manier van bouwen een soort vernieuwing probeert te krijgen vanuit de gotiek.”

Het bleef niet bij Enkhuizen. Als Peters in 1876 benoemd wordt als rijksbouwkundige bij Financiën en belast wordt met rijksgebouwen voor de domeinen, belastingen, douane en de eerste postkantoren, volgen al snel vergelijkbare opdrachten in Hoorn, Wormerveer en het Brabantse Oosterhout. Van de Schoor: “Aanvankelijk stelt wat Peters doet niet zoveel voor. Hij heeft een tekenaar in zijn kantoortje en dat is het.”

De situatie verandert echter wanneer in 1877 een nieuw ministerie gemaakt wordt: Waterstaat, Handel en Nijverheid. Peters wordt overgeplaatst van Financiën en krijgt opeens een veel grotere opdracht. Alle rijksgebouwen in Den Haag (waaronder het dan nog te bouwen ministerie van Justitie aan het Plein), de landsgebouwen op het gebied van WHN plus de gebouwen die hij bij financiën onder zijn hoede heeft, komen voor zijn rekening. En wat je dan ziet, vertelt Van de Schoor, is heel interessant: “Opeens beschouwt hij zich als iemand in de traditie van de rijksbouwmeesters zoals Rose (1801-1877) en dat wil hij laten zien ook.”

Aardig is het om te zien hoe met de opwaardering van zijn functie en de groei van de posterijen zelf ook de schaalvergroting van de paleisjes voor de post toeneemt. Aan de hand van kaarten en bouwtekeningen laat Van de Schoor zien dat waar Peters de kans krijgt, de gebouwen steeds groter worden. Is de maat van de kantoren op Vlieland en Terschelling nog menselijk, Breda en Venlo worden met hun zadeldaken al wat groter, terwijl het hoofdpostkantoor in Den Haag met recht een soort tweede Binnenhof (dat Peters overigens later, net als Paleis Het Loo, ook zou restaureren) genoemd mag worden. Na 1882 wordt het gebied van Peters overigens opgedeeld in twee districten. Peters blijft verantwoordelijk voor het Eerste district noordelijk van de rivieren, terwijl jonkheer Hoeufft van Velzen (vrij spoedig opgevolgd door Knuttel) het zuiden voor zijn rekening neemt.

Aandoenlijk wordt het als later blijkt dat de geest van de bouwmeester zo uit de fles raakt, dat hij in zijn drang naar schoonheid, grootsheid en perfectie nergens meer maat weet te houden. Het is te duur, te groot en te gedecoreerd wat hij doet met zijn torens, pinakels, met baksteen opgevulde sierbogen en natuurstenen banden. Of het nu gaat om het nog in de traditie van Cuypers gebouwde ministerie van Justitie aan het Plein of het hoofdpostkantoor in Amsterdam, de kritiek is altijd hetzelfde. Neem die van de directeur-generaal van de dienst der Posterijen en Telegrafie aan de minister van Waterstaat in 1894 op het ontwerp van Amsterdam. Het nieuwe kantoor zou niet in overeenstemming zijn met het Nederlandse klimaat en de daarbijbehorende volksaard. “Het karakter van een postkantoor brengt mede, sobere eenvoudige gevels die een goed effect maken door de juiste proporties der massa's en waarbij alle versierselen zoveel mogelijk worden vermeden.”

Hadden staat en politiek hier de architect en zijn begroting nog een beetje in de hand, in 1907 stelde een Tweede-Kamerlid uit Uitgeest het bouwen van Peters aan de orde, toen hij zich na een achteloos gesprekje met de vrouw van de postdirecteur in zijn woonplaats gemerkt had hoe onnodig groot dat postkantoor wel was. De vrouw vertelde dat ze het nauwelijks schoon wist te houden en dat dat in haar vorige 'woning' in het Friese Bergum al net zo was. Toen de Kamer de begroting kritisch bekeek, merkten ze dat het gebouw in Uitgeest (2700 inwoners) maar liefst 23 000 gulden had gekost. De uitkomst van het debat was een voorstel om tot een meer standaardmatige aanpak van bouwente komen. Er werden richtlijnen opgesteld, die vervolgens zo veel mogelijk door Peters aan zijn laars werden gelapt.

Van de Schoor glimlacht als hem gevraagd wordt naar de diepere oorzaak van zoveel koppigheid: “Ik denk dat Peters, net als iedere rijksarchitect, graag een monument voor zichzelf neerzette. Dus onder het mom van de zich uitbreidende diensten en het oog op de toekomst, sloeg hij een beetje door. Op het postkantoor in Uitgeest zette hij bijvoorbeeld al een telefoontorentje, terwijl daar nog niet eens telefoon was.”

Maar had Peters dan wellicht een hekel aan postkantoren?

Van de Schoor: “Nee, dat gaat te ver. Dat denk ik niet. Wel moet er een zekere teleurstelling aan zijn gedrag ten grondslag hebben gelegen. Eerst heeft hij een departement neergezet, dan valt hij terug en moet hij weer klein beginnen, postkantoortjes maken. En als hij dan de kans krijgt om te groeien en rijksbouwmeester wordt, zit hij met een categorie waarvan hij denkt: wat moet dat nou eigenlijk? Geen paleizen, geen musea, geen parlementsgebouwen, geen stadhuizen, maar postkantoren. Wat hem restte was om daar dan ook zijn artisticiteit volledig op bot te vieren. Bekijk je zijn werk in dat licht, dan ligt daar precies de tragiek van Peters.”

Deel dit artikel