Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

De opmars van het dikke-ik

Home

Edo Sturm

Humanist Harry Kunneman signaleert de opkomst van het dikke-ik, op alle fronten. Zoeken naar nieuwe vormen van zingeving is volgens hem noodzakelijk. Voor mensen én organisaties.

Afgelopen tien jaar heeft het dikke-ik Nederland veroverd. Niet alleen kinderen blijken dol te zijn op hebben, hebben, hebben, ook veel volwassenen maken zich dik: „Ikke ikke ikke en de rest kan stikken.”

Die mentaliteit kunnen we ons niet blijven veroorloven, privé niet en mondiaal niet. Daarom moeten we ’voorbij het dikke-ik’, zoals de humanist Harry Kunneman stelt in zijn gelijknamige boek.

Het dikke-ik staat voor onmatigheid, voor de onverzadigbare zucht naar meer, beter en duurder, voor lomp gedrag en voor een dikke huid – wat niet hetzelfde is als een dikke buik. Met alle verhalen over vetzucht en de rampspoed die obesitas gaat veroorzaken, is het verleidelijk het dikke-ik te zien als een lichamelijk probleem.

„Dat bedoel ik niet”, zegt Kunneman, „er zijn dikke mensen die prachtige, betrokken personen zijn en er zijn slanke mensen die zeer op zichzelf gericht en cynisch zijn. De opmars van het dikke-ik is een metafoor voor een maatschappelijke ontwikkeling, die tegelijkertijd op persoonlijk, organisatorisch en mondiaal niveau werkzaam is.”

Toch is het opmerkelijk dat Kunnemans opmars van het dikke-ik gelijke tred houdt met stijgende vetpercentages.

„Er is inderdaad een gemeenschappelijke achtergrond: de kapitalistische consumptiemaatschappij, die inmiddels tot in alle haarvaten van onze maatschappij is doorgedrongen. Ik vind het opvallend dat we zogenaamd vrijer en zelfstandiger zijn dan ooit en tegelijkertijd en masse dikker worden en ons op onszelf terugtrekken. De consumptiemaatschappij vormt een heel succesvolle verleidingsmachine, die ons stelselmatig in één richting dreigt te trekken.”

In economisch opzicht?

„Niet alleen economisch maar vooral psychologisch. Een leven als welvarend, op zichzelf gericht dikke-ik ontwikkelt zich mondiaal tot het dominante toekomstideaal. Het is veelzeggend dat de snelle uitbreiding van het Chinese autopark bij ons vooral zorgen wekt omdat daardoor bij ons de benzineprijs stijgt. De ecologische gevolgen krijgen nauwelijks aandacht, terwijl de mensheid zich op planetair niveau steeds meer als een kortzichtig dikke-ik gedraagt en op een ecologisch hartinfarct afstevent.”

Nu ligt de veroordeling om de hoek: het dikke-ik is erg, we moeten moreel aan de lijn gaan doen en onszelf aan banden leggen. Dat is niet de opzet van Kunneman.

„Mensen uit hun handen proberen te trekken waar ze zich kennelijk aan vastklampen heeft weinig zin. We moeten niet teruggrijpen naar traditionele vormen van moraliteit maar juist de vrijheid die we verworven hebben gebruiken om diepere vormen van zingeving een kans te geven.”

Kunneman stelt dat de kapitalistische consumptiemaatschappij geen antwoord geeft op ’trage vragen’, maar die juist voortdurend probeert te verdringen.

„Trage vragen zijn zingevingsvragen waarop geen snelle antwoorden mogelijk zijn. Het gaat om existentiële en morele vragen rond liefde en haat, rond trouw en ontrouw, rond verlangen en vreugde, rond wanhoop en verdriet. Dat zijn vragen waarmee de mensheid sinds onheuglijke tijden worstelt. Daarom boeien oude verhalen als de thuiskomst van Odysseus of de wraak van Hamlet of Jezus die Lazarus tot leven wekt ons nog steeds.”

Maar de huidige technologische maatschappij belooft op alle trage vragen snelle antwoorden te geven en alle bestaansvragen onder controle te brengen.

„Omdat het ook gedeeltelijk lukt om trage vragen onder controle te brengen zijn we vatbaar voor de illusie dat alle trage vragen technisch opgelost kunnen worden. Kindersterfte bijvoorbeeld was nog niet zo lang geleden een trage vraag in heel veel gezinnen en is nu in rijke landen bijna uitgebannen. Maar we lopen steeds meer tegen de grenzen van beheersbaarheid en controle aan.”

Welke grenzen zijn dat?

„Ik denk dat het om twee soorten grenzen gaat: om persoonlijke zingeving en om morele inspiratie. Neem plastische chirurgie. Ik kan me heel goed voorstellen dat een facelift en andere lichamelijke correcties nieuw zelfvertrouwen kunnen geven en een tijdlang voor nieuwe glans in je leven kunnen zorgen. Bij de tweede facelift wordt dat al moeilijker en bij de derde houdt het wel ongeveer op. Dan kun je de confrontatie met ouder worden en de eindigheid van je lichaam niet meer ontwijken en zul je op zoek moeten naar andere, diepere vormen van zingeving. Dan stuit je ook op de grenzen van verleiding en van dikke-ikgedrag: vriendschap, trouw, zorg en intimiteit kun je niet produceren of aanschaffen. Hier liggen ook de wortels van de nieuwe aandacht voor zingeving en religie. Juist de enorme toename van technologische beheersingsmacht maakt de grenzen daarvan zichtbaar en daarmee ook het belang van religie, levensbeschouwing, filosofie en kunst als bronnen van inspiratie en als toegang tot diepere vormen van zingeving.”

Hoe kunnen die dan helpen voorbij het dikke-ik te komen?

„Ik denk dat we in onze tijd een moeizame en ingrijpende verschuiving doormaken van verticale naar horizontale vormen van transcendentie. Veel mensen hebben afscheid genomen van absolute religieuze waarheden, van grote vooruitgangsverhalen en van de bijbehorende verticale vormen van moraliteit. Maar langzaamaan wordt ook duidelijk dat de volledige individualisering van morele uitgangspunten in combinatie met het geloof in beheersing en controle, tot een morele kaalslag leidt. Dat geldt niet alleen op individueel niveau, maar ook in organisaties. Kijk naar het openbaar ministerie, of naar frauderende en zichzelf verrijkende managers, of naar het wegorganiseren van inspiratie en betrokkenheid in het onderwijs en in de zorg in naam van doelmatigheid.”

Wat zou daar tegen te doen zijn?

„Ik stel mijn hoop op de verbinding van twee ontwikkelingen. In de eerste plaats de zoektocht naar diepere vormen van zingeving op persoonlijk niveau en in het verlengde daarvan een nieuw besef van de noodzaak om binnen organisaties bewust ruimte te maken voor inspiratie, voor onderlinge betrokkenheid en voor maatschappelijke verantwoordelijkheid in brede zin, inclusief duurzame productie. Ik noem dat maatschappelijk verantwoord organiseren. Dat draagt niet alleen bij aan zinvol werk, maar heeft ook een duidelijke economische betekenis: er wordt nu ontzettend veel verspild door domme machtsspelletjes, door miscommunicatie en door alle frustraties van mensen die in en door organisaties onfatsoenlijk behandeld worden. En op lange termijn is duurzaam produceren het enige dat economisch verantwoord is. Onderhand weten we wel hoe we in technisch opzicht moeten innoveren. De grote uitdagingen liggen op het niveau van morele vernieuwing. En dan hebben we het over visie, over inspirerende verhalen die hoop en uitzicht kunnen bieden en over leerzame wrijving tussen verschillende overtuigingen.”

Zien we niet eerder verharding en frontale botsingen dan leerzame wrijving?

„Natuurlijk, het is makkelijk om begrippen als horizontale transcendentie, leerzame wrijving en nieuwe vormen van zingeving en moreel besef af te doen als idealistische praat. Het is niet moeilijk om een somber beeld van de huidige wereldsituatie te schetsen. Juist daarom is het zo belangrijk om de zwak gloeiende kooltjes van hoop recht te doen en voorzichtig aan te blazen. De onvrede van het dikke-ik, die maakt dat het zich steeds dikker maakt, is voor mij ook een bron van hoop: de horizon van een goed leven wijst kennelijk voorbij beheersing, afsluiting en gulzige consumptie.”

Harry Kunneman: Voorbij het dikke-ik; bouwstenen voor een kritisch humanisme; Humanistics University Press/SWP. ISBN 9066655704, 288 blz.; 24 euro.

Deel dit artikel